
Doowop
Doo-wop is een van de mooiste vocale muziekstijlen uit de jaren 50 en vroege jaren 60. Het genre is vooral herkenbaar aan de prachtige samenzang, eenvoudige teksten en de typische achtergrondklanken als “doo-wop, shoo-bop, ba-ba-ba”.
🎙️ Wat is doo-wop?
Doo-wop ontstond in de jaren 40 en 50 in de Verenigde Staten, vooral in stedelijke gebieden zoals New York, Philadelphia, Chicago, Detroit en Los Angeles.
De muziek kwam voort uit een combinatie van:
🎵 Rhythm & blues
🎤 Gospel
🎶 Jazz
🎸 Vroege rock-'n-roll
🎼 Traditionele popmuziek
Jongeren zongen vaak op straat, in portieken, op schoolpleinen en bij bushaltes. Omdat veel groepen weinig geld hadden voor instrumenten, werd de menselijke stem zelf een belangrijk onderdeel van de muziek.
De typische bezetting bestond uit een lead singer met daaromheen een tenor, bariton en bas.
❤️ Waar gingen de liedjes over?
Doo-wop draait heel vaak om liefde en tienerleven:
verliefd worden
liefdesverdriet
afscheid
eerste liefde
verlangen
een meisje of jongen missen
dromen over een gezamenlijke toekomst
Daarom wordt doo-wop ook vaak geassocieerd met de American teenage culture van de jaren 50.
🔊 Het typische doo-wop-geluid
Een klassiek doo-wopnummer heeft vaak:
Leadzanger
→ zingt het verhaal.
Tenoren
→ hoge harmonieën en antwoorden.
Bariton
→ vult het middengebied.
Bas
→ zorgt voor de diepe “bom-bom-bom”-achtige basis.
Achtergrondzang
→ bijvoorbeeld:
“Doo-wah, doo-wah…”
“Shoo-bop, shoo-bop…”
“Ba-ba-ba…”
Die klanken zijn niet alleen versiering. Ze vormen eigenlijk een soort vocaal instrument.
🇺🇸 Doo-wop en de Amerikaanse straatcultuur
Een interessant aspect van doo-wop is dat het heel sterk verbonden is met de street-corner culture.
Jongens vormden een zanggroep met vrienden en oefenden hun harmonieën buiten of in de hal van een flatgebouw. Een gitaar of piano was niet eens noodzakelijk.
Daardoor kreeg doo-wop dat karakteristieke “groepje jongens op de hoek van de straat”-geluid.
Dat is ook waarom je bij oudere doo-wopplaten soms het gevoel krijgt alsof de zangers recht voor je staan te zingen.
🇳🇱 Doo-wop in Nederland
Doo-wop had ook invloed op de Nederlandse popcultuur. In de jaren 50 en 60 waren Amerikaanse platen enorm populair onder jongeren.
Via platenzaken, jukeboxen, radio en Amerikaanse films kwamen de harmonieën terecht bij Nederlandse muzikanten.
De stijl heeft bovendien raakvlakken met de Nederlandse Indorock, waar je ook veel aandacht voor hebt. Indorockers speelden vooral instrumentale rock-'n-roll, maar luisterden naar dezelfde Amerikaanse R&B-, rock-'n-roll- en vocale platen.
The Accents
The Accents – Hollywood, Californië
Deze The Accents waren actief aan het einde van de jaren vijftig. De bezetting wordt doorgaans genoemd als:
Robert Armstrong – leadzang
Israel Goudreau Jr. – tenor
Robert Draper Jr. – tenor
Jimmy Jackson – bariton
Billy Hood – bas
Arvid Windell Garrett – zang
De groep wordt vermoedelijk mede gevormd door mannen die elkaar tijdens hun militaire dienst leerden kennen.
🎵 “Wiggle, Wiggle”
Hun bekendste plaat was “Wiggle, Wiggle”, uitgebracht op Brunswick 55100 in oktober 1958, met “Dreamin' and Schemin'” als achterkant.
Het nummer was een typisch voorbeeld van de vrolijke, licht ondeugende doowop/R&B die eind jaren vijftig populair was. Het sloot aan bij de toenmalige “sack dress”-rage. De plaat bereikte uiteindelijk nummer 51 van de Billboard Hot 100.
Dat is eigenlijk een heel aardige prestatie voor een relatief onbekende vocal group.
Andere platen
Na “Wiggle, Wiggle” maakten The Accents nog enkele singles:
Jaar Plaat Label
1958 Wiggle, Wiggle / Dreamin' and Schemin' Brunswick
1959 I Give My Heart to You / Ching A Long Brunswick
1959 Anything You Want Me to Be / Autumn Leaves Coral
De opvolgers hadden aanzienlijk minder succes. Na deze periode viel de groep rond 1960 uiteen.
⚠️ Maar er was nóg een The Accents
The Accents was geen unieke groepsnaam. Er waren verschillende Amerikaanse vocal groups die deze naam gebruikten.
Een andere interessante groep kwam uit Brooklyn, New York. Die ontstond in 1960 en bestond uit Mike Lasman, Shelly Weiss, Allan Senzan en Ian Kaye. Zij heetten oorspronkelijk The Dreamers en veranderden later hun naam in The Accents.
Hun belangrijkste platen waren:
1960 – Mary Mary / Canadian Sunset – Guaranteed
1963 – Where Can I Go / Rags to Riches – Sultan
1963 – High on a Hill / When – Scott English & The Accents
1964 – Here Comes the Pain / All I Want Is You – Spokane
Vooral “Rags to Riches” werd lokaal in Brooklyn een geliefde doowopplaat, hoewel hij de nationale hitlijsten niet haalde.


The Ad Libs
The Ad Libs – een bijzondere doo-wopgroep
The Ad Libs waren een Amerikaanse vocale groep uit Bayonne, New Jersey, die vooral bekend werd in 1964–1965. Hun muziek zit precies op het kruispunt van doo-wop, rhythm & blues, soul en vroege pop.
Hun grote klassieker is natuurlijk “The Boy from New York City”, een nummer dat inmiddels tot de bekendste Amerikaanse doo-wopachtige singles uit de jaren zestig behoort.
Van The Creators naar The Ad Libs
De geschiedenis begon eigenlijk al vóór de naam The Ad Libs. De groep was oorspronkelijk bekend als The Creators. Zij kwamen voort uit de straat-hoektraditie van New Jersey, waar jonge zangers hun harmonieën oefenden en optraden zonder veel instrumentale begeleiding.
In 1964 werd de bezetting gewijzigd. Hugh Harris, Danny Austin, Dave Watt en Norman Donegan vormden samen met Mary Ann Thomas de nieuwe groep. Thomas werd de leadzangeres, terwijl de mannen voor de karakteristieke vocale achtergrond zorgden.
Dat was voor die tijd opvallend: een vrouwelijke leadzangeres vóór een mannelijke doo-wopgroep. Het gaf The Ad Libs een heel eigen geluid.
⭐ “The Boy from New York City”
Het succes kwam met “The Boy from New York City”.
Het nummer werd geschreven door John T. Taylor en George Davis en geproduceerd door het legendarische duo Jerry Leiber en Mike Stoller. Het verscheen eind 1964 op Blue Cat Records, een label dat verbonden was aan Red Bird Records.
In februari/maart 1965 explodeerde de plaat in Amerika:
🇺🇸 Billboard Hot 100: nummer 8
R&B-chart: nummer 6
Canada: nummer 2
speelduur: ongeveer 2:50
uitgebracht: december 1964
De combinatie is geweldig: een boogie-woogieachtig pianoritme, handclaps, een vrolijke leadzang van Mary Ann Thomas en daarachter de typische mannelijke “ooh-wah / ooh-wee”-harmonieën.
Het klinkt daardoor als een overgang tussen de klassieke jaren-50-doowop en de meer energieke girl-group/soulpop van 1964–1965.
De bezetting
De bekende bezetting rond de hit bestond uit:
Mary Ann Thomas – leadzang
Hugh Harris – zang
Danny Austin – zang
Dave Watt – zang
Norman Donegan – zang
Vooral de combinatie van Thomas' heldere stem met de mannelijke achtergrondzang maakte de plaat herkenbaar.
Waarom is de plaat zo bijzonder?
“The Boy from New York City” is eigenlijk geen pure jaren-50-doowop meer. Je hoort er verschillende werelden in:
doo-wop → de vocale harmonieën
R&B → de swingende ritmiek
boogie-woogie → het pianowerk
girl-group → vrouwelijke leadzang met mannelijke backing
soul → de krachtige uitvoering
Daarom past The Ad Libs ook uitstekend in een programma met doo-wop, popcorn, early soul en 60s oldies.
Andere platen
Na hun grote hit probeerden The Ad Libs het succes voort te zetten. Onder andere verschenen:
“He Ain't No Angel” – 1965
“On the Corner” – 1965
“I'm Just a Down Home Girl” – 1965
“Human” – 1966
“Think of Me” – 1966
“You're in Love” – 1967
“You're Just a Rolling Stone” – 1968
“Giving Up” – 1969
Geen daarvan kwam in de buurt van het enorme popsucces van “The Boy from New York City”. “Giving Up” deed het in 1969 nog redelijk op de Amerikaanse R&B-lijst en bereikte nummer 34.
Een tweede leven voor de hit
Het mooie is dat het nummer veel later opnieuw populair werd.
In 1978 scoorde de Britse groep Darts ermee en in 1981 maakte The Manhattan Transfer er een grote hit van. Die versie bereikte in Amerika zelfs nummer 7.
The Manhattan Transfer legde daarmee ook opnieuw de nadruk op de vocale kant van het nummer. Dat is niet toevallig: de harmonieën van The Ad Libs waren een belangrijke voorloper van het soort jazzy vocale groepszang waarmee Manhattan Transfer later bekend werd.
Voor een liefhebber van doo-wop en 50s/60s oldies is vooral de originele 45 van The Boy from New York City interessant. Het is zo'n plaat die prachtig aansluit tussen klassieke groepen als The Coasters, The Drifters, The Tokens en The Chiffons.
The Alley Cats
🎙️ The Alley Cats – 1962/63
The Alley Cats waren een Amerikaanse vocale groep uit Los Angeles, actief rond 1962–1965. De groep ontstond uit muzikanten die al ervaring hadden opgedaan bij andere bekende L.A.-doowopgroepen, waaronder The Untouchables en The Robins.
De bezetting die doorgaans voor de opname van Puddin' N' Tain wordt genoemd bestond uit:
Sheridan “Rip” Spencer – tenor
Gary Pipkin – tenor
Brice Coefield – bariton
James Barker – bas
Ook Bobby Sheen, bekend van Bob B. Soxx & the Blue Jeans, wordt in bronnen genoemd rond de vorming van de groep.
⭐ “Puddin' N' Tain”
Hun bekendste plaat was “Puddin' N' Tain”, uitgebracht op Philles Records 108. Het nummer was gebaseerd op een bekend Amerikaans kinderspel-/rijmpje.
De plaat verscheen begin 1963 en bereikte in de Amerikaanse Billboard Hot 100 ongeveer plaats 43. Daarmee was het geen enorme nummer-1-hit, maar wel een opvallende plaat binnen de overgang van klassieke doowop naar de meer commerciële pop van de vroege jaren zestig.
De achterkant was:
“Feel So Good”
Dat maakt de single interessant voor verzamelaars van Philles, doowop en early-60s vocal groups.
🎚️ Lou Adler en Phil Spector
Een interessant stukje geschiedenis is de betrokkenheid van Lou Adler en Phil Spector.
Adler was een belangrijke producer in de muziekscene van Los Angeles en had de groep naar Philles Records gebracht. De samenwerking met de omgeving van Phil Spector verliep echter niet bepaald probleemloos. The Alley Cats werden bovendien gezien als een soort studiogroep binnen de zeer actieve L.A.-muziekscene van die periode.
Dat verklaart ook waarom hun discografie zo klein is: “Puddin' N' Tain” bleef hun enige echte hit.
🎵 De connectie met The Untouchables
Voor liefhebbers van oude doowop is dit misschien wel het interessantste onderdeel.
De voorgeschiedenis loopt terug naar The Valiants, die later The Untouchables werden. Deze groep had in 1957 al succes met “This Is the Night”. Vervolgens kwamen verschillende leden terecht in andere formaties, waaronder uiteindelijk The Alley Cats.
Je krijgt daardoor een mooie lijn:
The Valiants → The Untouchables → The Alley Cats
Dat soort personele wisselingen waren heel gebruikelijk bij de Amerikaanse doowopgroepen van Los Angeles.
💿 Discografie
De klassieke Alley Cats uit 1962/63 hebben helaas een zeer kleine officiële discografie:
Jaar Nummer Label
1962/63 Puddin' N' Tain Philles 108
1962/63 Feel So Good Philles 108
1965 I Should Have Stayed at Home Tonight Epic
1965 Lily of the West Epic
De Philles-single is veruit de plaat waarvoor verzamelaars de groep kennen.
⚠️ Niet verwarren met de andere Alley Cats
Er bestaat namelijk ook een veel latere groep met dezelfde naam. Die werd in 1987 gevormd aan Fullerton College in Californië en specialiseerde zich in a-cappella doowop uit de jaren 50 en 60.
Die latere Alley Cats werden juist bekend door liveoptredens, televisie en grote evenementen. Ze traden onder andere op bij The Tonight Show, The Arsenio Hall Show en op verschillende Disney-evenementen.


Lee Andrews & the Hearts
Lee Andrews & the Hearts
Lee Andrews & the Hearts was een Amerikaanse doo-wop- en R&B-groep uit Philadelphia, opgericht in 1953. De groep behoort tot de interessante vroege vertegenwoordigers van de Philadelphia-doowopscene. Hun handelsmerk was een zeer soepele leadzang van Lee Andrews, ondersteund door vierstemmige harmonieën.
🎤 Lee Andrews
Lee Andrews werd geboren als Arthur Lee Andrews Thompson op 2 juni 1936 in Goldsboro, North Carolina. Zijn familie had sterke muzikale wortels: zijn vader Beechie Thompson was zanger bij de gospelgroep The Dixie Hummingbirds.
Rond 1940 verhuisde het gezin naar Philadelphia. Daar raakte Lee als tiener betrokken bij de lokale zanggroepen. In 1952 hielp hij mee aan de oprichting van een groep die aanvankelijk The Dreamers heette. Daaruit ontwikkelden zich uiteindelijk de Hearts.
Interessant detail: Lee Andrews was later de vader van Ahmir "Questlove" Thompson, de bekende drummer van The Roots.
De oorspronkelijke sound
De Hearts waren vooral sterk in langzame, romantische ballads. Lee Andrews had een warme tenor die behoorlijk anders klonk dan de meer rauwe R&B-zangers van die periode.
Zijn muzikale invloeden kwamen niet alleen uit de doo-wopwereld. Hij bewonderde onder andere:
Nat King Cole
Bing Crosby
Frank Sinatra
Frankie Laine
De groep zelf werd beïnvloed door onder meer The Moonglows, The Orioles, The Drifters, The Five Keys, The 5 Royales, The Midnighters en The Ravens. Daardoor kreeg hun muziek een bijzondere combinatie van gospelharmonieën, R&B en traditionele popballad-stijl.
De bezetting
De bekendste bezetting bestond uit:
Zanger Stem
Lee Andrews Lead
Roy Calhoun Eerste tenor
Thomas "Butch" Curry Tweede tenor
Ted Weems Bariton
Wendell Calhoun Bas
De bezetting veranderde overigens meerdere malen. Zo werd Ted Weems in 1955 lid en verving Wendell Calhoun later John Young.
⭐ De grote doorbraak: 1957
De Hearts hadden al vanaf 1954 platen uitgebracht, maar jarenlang bleef succes op nationaal niveau uit.
Dat veranderde in 1957 met "Long Lonely Nights".
Het nummer verscheen eerst op het kleine Philadelphia-label Mainline. Vervolgens werd het door Chess Records nationaal uitgebracht. Het bereikte:
#45 Billboard Pop
#11 Billboard R&B
Dat was een enorme stap voor een kleine lokale groep.
Bijzonder is dat ook Clyde McPhatter een versie van "Long Lonely Nights" opnam. Zijn versie kwam uit op Atlantic en bereikte #49 pop. De versie van Lee Andrews & the Hearts deed het dus zelfs iets beter.
💧 "Teardrops" – hun grootste hit
Daarna kwam het nummer waarmee de groep waarschijnlijk het meest wordt geassocieerd:
"Teardrops" – 1957
Het nummer werd aanvankelijk op Mainline uitgebracht en vervolgens door Chess Records opgepikt voor een grotere landelijke distributie.
Het resultaat:
#20 Pop
#4 R&B
Daarmee was "Teardrops" hun grootste hit.
Het is typisch voor de Hearts: een melancholieke tekst, een zeer melodieuze leadzang en een zacht tapijt van harmonieën erachter.
Voor liefhebbers van klassieke doo-wop is dit absoluut een nummer om te kennen.
🎵 "Try the Impossible"
In 1958 volgde:
"Try the Impossible"
Deze plaat verscheen via United Artists/Casino en bereikte:
#33 Billboard Pop
Dit was hun derde en laatste grote nationale hit.
Daarna veranderde de muziekscene razendsnel. Rock-'n-roll werd groter, soul begon zich te ontwikkelen en de klassieke doo-wopgroepen kregen steeds meer concurrentie.
Een interessante discografie
Een aantal belangrijke platen:
Maybe You'll Be There – 1954
White Cliffs of Dover – 1954
Bluebird of Happiness – 1956
Lonely Room – 1956
Just Suppose – 1956
Long Lonely Nights – 1957
Teardrops – 1957
Try the Impossible – 1958
Why Do I – 1958
Maybe You'll Be There – 1958
Together Again – 1962
Island of Love – 1964
Cold Gray Dawn – 1964/65
Quiet as It's Kept – 1966
Never the Less – 1967
I've Had It – 1968
Ze namen op voor verschillende labels, waaronder Rainbow, Gotham, Mainline, Chess, United Artists, Gowen, Crimson, Lost Nite en RCA.
Het einde van de oorspronkelijke groep
Na het succes van 1957-1958 gingen Lee Andrews & the Hearts uitgebreid optreden. Maar de groep kreeg te maken met personeelswisselingen en het succes bleek moeilijk vast te houden.
Volgens de Philadelphia Music Alliance viel de oorspronkelijke groep na het touren in 1958 uit elkaar.
Er bleven daarna echter verschillende versies van The Hearts bestaan. Lee Andrews bleef ook in de jaren zestig opnemen.
In de jaren zeventig richtte hij samen met onder anderen zijn vrouw Jackie Andrews de groep Congress Alley op.
Lee Andrews en zijn familie
Een mooi onderdeel van het verhaal is dat de muziek uiteindelijk letterlijk een familietraditie werd.
In de jaren zeventig en tijdens de latere doo-woprevival vormde Lee opnieuw een versie van de Hearts waarin ook familieleden meespeelden, waaronder zijn zoon Ahmir en dochter Dawn.
Zijn zoon Ahmir werd later wereldberoemd als Questlove, drummer, producer en medeoprichter van The Roots.
Lee Andrews overleed op 16 maart 2016, 79 jaar oud.
📻 Waarom zijn ze belangrijk voor doo-wop?
Lee Andrews & the Hearts zijn vooral interessant omdat ze een brug vormen tussen verschillende stijlen:
Gospel → R&B → Doo-wop → Soul
Hun muziek is minder rauw dan sommige New Yorkse of Baltimorese groepen en juist glad, romantisch en melodieus. Dat maakt ze uitstekend herkenbaar binnen de Philadelphia-school van doo-wop.
De Philadelphia Music Alliance nam Lee Andrews & the Hearts in 1992 op in de Philadelphia Music Walk of Fame.
The Angels
The Angels – van doowop naar girl group
The Angels ontstond eind jaren 50 in Orange, New Jersey. De groep werd gevormd rond de zussen Barbara “Bibs” Allbut en Phyllis “Jiggs” Allbut. Later werd Linda Jansen de leadzangeres en daarna kwam Peggy Santiglia bij de groep.
In hun beginperiode waren The Angels sterk beïnvloed door de doo-wop en rhythm-and-blues van de jaren 50. Hun vroege platen hebben die typische combinatie van een vrouwelijke leadstem met harmonieën op de achtergrond. AllMusic omschrijft hun vroege stijl zelfs als weelderige doowop, vergelijkbaar met groepen als Little Anthony & the Imperials.
De eerste successen
Een belangrijk vroeg succes was “'Til”, uitgebracht in 1961. De plaat bereikte nummer 14 in de Amerikaanse Billboard Hot 100. De opvolger “Cry Baby Cry” kwam in 1962 tot nummer 38.
Hun eerste album verscheen in 1962:
...And the Angels Sing
Daarna volgde in 1963 het album:
My Boyfriend's Back
“My Boyfriend's Back”
Hun grote doorbraak kwam in 1963 met “My Boyfriend's Back”.
Het nummer was geschreven door Bob Feldman, Jerry Goldstein en Richard Gottehrer. Het was oorspronkelijk bedoeld als een demo die aan een andere meidengroep zou worden aangeboden, maar de opname van The Angels bleek zo goed dat men besloot hem zelf uit te brengen.
Het resultaat was enorm:
“My Boyfriend's Back” werd nummer 1 in de Verenigde Staten en groeide uit tot een van de bekendste girl-groupplaten uit de jaren 60.
De plaat is bijzonder herkenbaar door:
handclaps
stevige drums
vrouwelijke samenzang
gesproken/zangachtige passages
een opvallende baspartij
blazers
een bijna theatrale manier van zingen
Daarmee hoor je duidelijk hoe doo-wop zich ontwikkelde richting de commerciële girl-group sound van de vroege jaren 60.
Peggy Santiglia
Een belangrijk moment was het vertrek van Linda Jansen eind 1962. Zij werd vervangen door Peggy Santiglia.
Met Santiglia kreeg de groep volgens AllMusic een wat harder en zelfverzekerder geluid. Dat paste uitstekend bij “My Boyfriend's Back”.
De bezetting rond de grote hit bestond uit:
Barbara “Bibs” Allbut
Phyllis “Jiggs” Allbut
Peggy Santiglia
De zussen Allbut vormden daarmee de vaste kern van de groep.
Andere mooie platen
Als je The Angels vanuit de doo-wop/oldies-kant wilt ontdekken, zou ik vooral luisteren naar:
“'Til” – 1961
“Cry Baby Cry” – 1962
“My Boyfriend's Back” – 1963
“Thank You and Goodnight”
“I Adore Him”
“Wow Wow Wee (He's the Boy for Me)”
Na “My Boyfriend's Back” kwamen nog verschillende singles, maar geen daarvan wist hetzelfde enorme succes te behalen.
Interessant voor doowop-liefhebbers
The Angels zijn eigenlijk een mooie schakel tussen twee tijdperken.
1950s doowop → vroege 60s girl groups
Hun vroege werk klinkt nog duidelijk als vocale R&B/doowop, terwijl “My Boyfriend's Back” al helemaal in de nieuwe girl-groupcultuur van 1963 past.
Ze stonden daarmee in dezelfde bredere muzikale wereld als The Shirelles, The Chiffons, The Crystals, The Ronettes en andere vrouwelijke zanggroepen uit New York en New Jersey.
Een extra leuk detail: The Angels werkten in de jaren 60 ook als achtergrondzangeressen voor andere artiesten. Ze deden onder meer sessiewerk voor artiesten als Jackie Wilson, Neil Diamond en Frank Sinatra.
Nog een andere “The Angels”
Er bestond bovendien een mannelijke doowopgroep The Angels uit Newark, New Jersey, die in 1955 werd opgericht door Bernard Lynn, Nelson Martin, Bill Wright en Melvin Maxwell. Zij namen in 1956 een single op voor Gee Records. Die groep is veel minder bekend en wordt vaak verward met andere Angels.
Er waren dus meerdere The Angels actief in de doowopperiode.


The Aquatones
The Aquatones – een bijzondere doowopgroep
The Aquatones waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Valley Stream, Long Island, New York, die vooral bekend werd door één prachtige hit: “You” uit 1958. De groep onderscheidde zich doordat de leadzang werd verzorgd door de jonge vrouwelijke sopraan Lynne Nixon.
🎤 Het ontstaan
De geschiedenis begon in 1956, toen Dave Goddard, Larry Vannata en Gene McCarthy zich op de middelbare school verenigden als The Rhythm Kings. Het waren niet alleen zangers: Goddard speelde piano, Vannata saxofoon en McCarthy klarinet en tenorsaxofoon.
Ze wilden oorspronkelijk zelf muziek opnemen en schreven ook eigen nummers. Een vader van een klasgenoot, die in de platenhandel zat, adviseerde hen om een hoge stem aan de groep toe te voegen.
Die stem vonden ze in Lynne Nixon, die slechts ongeveer 16/17 jaar oud was. Zij had bovendien een klassieke zangopleiding en beschikte over een opvallend hoge sopraanstem.
⭐ “You” – hun grote moment
Larry Vannata schreef samen met Dave Goddard het nummer “You”, speciaal geschikt voor Lynne Nixon.
In 1958 verscheen het nummer op het kleine Fargo-label, als Fargo 1001, met “She's the One for Me” als andere kant.
“You” werd een behoorlijke nationale hit:
🇺🇸 #21 Billboard Hot 100
#11 op de Billboard R&B-lijst
in New York bereikte het volgens bronnen ongeveer #7
in Boston werd het zelfs #1.
Het nummer werd bovendien veel gedraaid en kreeg extra bekendheid doordat het later werd gebruikt in de film Mean Streets van Martin Scorsese.
💕 Wat maakt “You” zo bijzonder?
“You” is een prachtig voorbeeld van de romantische kant van de doowop uit 1958. De combinatie van:
hoge vrouwelijke sopraan + mannelijke achtergrondharmonieën + zachte begeleiding
geeft de plaat een bijna zwevende sfeer.
Lynne Nixon zingt niet zoals de typische mannelijke leadzangers van groepen als The Flamingos of The Platters. Daardoor heeft “You” een heel eigen geluid.
Voor liefhebbers van romantische doowop en white doo-wop is dit dan ook een echte klassieker.
💿 Andere platen
Na “You” bracht Fargo nog verschillende singles uit. Onder andere:
Jaar Nummer
1958 You / She's the One for Me
1958 Say You'll Be Mine / So Fine
1958 Our First Kiss / The Drive-In
1959 My One Desire / My Treasure
1959 My Darling / For You, For You
1960 Everytime / There's a Long Long Trail
1960/61 Crazy for You / Wanted (A Solid Gold Cadillac)
De groep maakte in 1959 ook het album The Aquatones Sing voor Fargo.
Een interessant nummer is “Crazy for You”, een cover van een nummer dat eerder door The Heartbeats was opgenomen.
📻 Waarom werden ze een one-hit wonder?
Dat is misschien wel het merkwaardige aan The Aquatones.
Na het enorme succes van “You” lukte het niet om nogmaals de Billboard Hot 100 te bereiken. Er verschenen nog verschillende goede singles, maar de belangstelling voor de groep nam af.
Rond het begin van de jaren zestig gingen de leden hun eigen weg. Factoren als studie, dienstplicht, huwelijk en veranderende muzikale trends speelden daarbij een rol.
Daarmee werden The Aquatones uiteindelijk een typisch voorbeeld van een doo-wop one-hit wonder: één grote hit, maar een catalogus die voor verzamelaars veel interessanter is dan alleen die ene hit.
👩 Lynne Nixon
Lynne Nixon is eigenlijk de sleutel tot het bijzondere Aquatones-geluid. Haar hoge sopraanstem gaf de groep een heel andere identiteit dan veel mannelijke doowopgroepen uit dezelfde periode.
Nixon overleed op 9 januari 2001, 59 jaar oud.
De oorspronkelijke leden bleven elkaar echter nog zien. In de jaren negentig ontstond zelfs opnieuw belangstelling voor de groep. Dave Goddard vertelde later dat hij een zangeres hoorde die hem sterk aan Lynne deed denken. Dat leidde uiteindelijk tot een herformatie van The Aquatones, met Colette Delaney als nieuwe leadzangeres.
The Ardells
The Ardells – Florida
De groep kwam uit West Palm Beach, Florida, en was al vanaf ongeveer 1959 actief. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Bill Ande – gitaar
Tom Condra – gitaar
Vic Gray – bas
Dave Hieronymus – drums
De groep stond oorspronkelijk bekend als The R-Dells, maar werd ook The Ardells genoemd. Hun muziek was gebaseerd op vocale harmonie, rock-'n-roll en rhythm & blues, met duidelijke doo-wopinvloeden.
Een nummer dat tegenwoordig vooral interessant is voor doo-wopverzamelaars is “Seven Lonely Nights”. Het laat goed horen dat de groep uit de Amerikaanse vocal-grouptraditie kwam.
Van doo-wop naar The American Beetles
Het bijzondere hoofdstuk begint in 1964. De manager van de groep, Bob Yorey, zag hoe enorm populair The Beatles waren geworden. Hij besloot de Ardells een nieuwe naam en uiterlijk te geven.
De jongens lieten hun haar groeien, kregen Beatles-achtige pakken en werden omgedoopt tot:
The American Beetles
De naam werd bewust zo gekozen dat hij sterk aan The Beatles deed denken. Vervolgens werd de groep naar Zuid-Amerika gestuurd, waar men aanvankelijk dacht dat de echte Beatles zouden komen.
Dat leverde een nogal bizarre situatie op. In Argentinië en andere Zuid-Amerikaanse landen stonden duizenden fans klaar voor John Lennon, Paul McCartney, George Harrison en Ringo Starr — maar in plaats daarvan kregen ze vier Amerikaanse muzikanten uit Florida.
Een soort "nep-Beatles"
Het verhaal werd uiteindelijk wereldnieuws. De groep trad onder andere op in Argentinië, Brazilië en Peru. Ondanks de verwarring kregen ze daadwerkelijk grote publieksreacties.
Een leuk detail: toen de American Beetles weer in Miami waren, kwamen zelfs de echte Beatles een keer kijken bij een optreden van hun Amerikaanse naamgenoten.
En daarna?
De Ardells/American Beetles bleven niet lang als Beatles-imitatie bestaan. In 1966 veranderden ze opnieuw van naam en gingen verder als The Razor's Edge. Onder die naam hadden ze met “Let's Call It a Day Girl” een regionale hit op Pow! Records.
Niet verwarren met de andere The Ardells
Er is nóg een belangrijke groep met de naam The Ardells. Dat was de groep rond de jonge Steve Miller in Madison, Wisconsin. In die groep speelde ook een jonge Boz Scaggs. Die Ardells waren vooral een rock-'n-roll/bluesgroep met sterke vocale harmonieën en zijn dus een heel ander verhaal.
Er bestaat bovendien nog een derde, minder bekende groep die als Ash Bennett & The Ardells opnam. Die groep bestond uit Art “Buddy” Fowler, Benny Sacco en Nick Giannis en bracht in 1965 de doo-wop-single “Thinkin' Bout Love” uit op Dottie Records.
Kortom: als je voor je doo-wopverzameling naar The Ardells zoekt, moet je goed opletten welke Ardells je hebt. De Florida Ardells zijn vooral interessant vanwege Seven Lonely Nights en hun opmerkelijke overgang van doo-wopgroep naar de American Beetles.


The Avons
🎙️ The Avons – New Jersey
The Avons kwamen uit Englewood, New Jersey en ontstonden rond 1954, toen ze nog onder de naam The Robins zongen. Omdat er aan de Amerikaanse westkust al een groep met die naam platen maakte, werd een nieuwe naam gezocht. Die werd uiteindelijk The Avons.
De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Bob Lea – leadzang
Wendell Lea – tweede tenor
Bill Lea – bariton
Ervin Watson – eerste tenor
Curtis Norris – bas
Opvallend is dat Bob, Bill en Wendell Lea broers waren.
🎵 Hull Records
De groep werd gemanaged door Edward Prindle, die hen in 1955 bij Hull Records onderbracht. Hull was een belangrijk onafhankelijk label in New York dat ook groepen als The Heartbeats uitbracht.
Hun eerste single verscheen in 1956:
The Avons – "Our Love Will Never End" / "I'm Sending S.O.S."
Hull 717
De plaat werd uitgebracht als een typisch voorbeeld van de vroege New York/New Jersey vocal-group sound.
⭐ "Baby" – hun bekendste plaat
Hun bekendste nummer is zonder twijfel:
"Baby" – 1957
Deze verscheen op Hull 722, met "Bonnie" op de achterkant.
"Baby" is precies het soort plaat waarom verzamelaars The Avons nog steeds kennen: mooie meerstemmige zang, een romantische tekst en die typische mid-50s doo-wop sfeer.
Andere singles waren onder meer:
Jaar A-kant Label
1956 Our Love Will Never End Hull
1956 I'm Sending S.O.S. Hull
1957 Baby Hull
1957 You Are So Close To Me Hull
1958 What Will I Do Hull
1959 What Love Can Do Hull
1961 Whisper (Softly) Hull
1962 The Grass Is Greener On The Other Side Hull
In 1962 verscheen zelfs een volledig album, The Avons, op Hull.
💿 Hun stijl
The Avons passen mooi in de New Jersey/New York doo-woptraditie. Hun muziek draait vooral om:
romantische ballads
sterke leadzang
close harmony
bas- en tenorpartijen
eenvoudige maar effectieve arrangementen
de typische "street-corner" vocal-group sfeer
Ze waren geen enorme nationale sterren zoals The Platters, The Drifters of Frankie Lymon & the Teenagers, maar voor liefhebbers van obscure doo-wop zijn ze absoluut interessant.
⚠️ Niet verwarren met de Britse Avons
Er was óók een Britse groep The Avons, bestaande uit Valerie Murtagh, Elaine Murtagh en Raymond S. Adams. Die groep begon als The Avon Sisters en was vooral actief rond 1958–1964.
De Britse groep maakte onder andere "Seven Little Girls", "We're Only Young Once" en "Rubber Ball". Valerie en Elaine Murtagh schreven later samen met Ray Adams het bekende "Dance On!", dat door The Shadows een grote hit werd.
Voor jouw doo-wopverzameling zou ik dus vooral zoeken naar:
The Avons – Baby (1957)
The Avons – Our Love Will Never End (1956)
The Avons – You Are So Close To Me (1957)
The Avons – What Will I Do (1958)
Dat zijn mooie voorbeelden van de minder bekende New Jersey doo-wop uit de jaren 1950.
The complete book of doowop
The Complete Book of Doo-Wop van Dr. Anthony J. Gribin en Dr. Matthew M. Schiff is eigenlijk veel meer dan een gewoon muziekboek. Het geldt als een zeer uitgebreide naslagwerk/discografie voor verzamelaars van doo-wop. De uitgebreide editie verscheen rond 2000 en telt 496 pagina's.
🎶 Die enorme songlijst
Het meest bijzondere onderdeel is de zogenaamde "songography". Meer dan 200 pagina's van het boek zijn gewijd aan lijsten met opnamen. Een beschrijving spreekt van ongeveer 20.000 doo-wopnummers, terwijl andere bronnen het totaal op ongeveer 25.000 tracks/opnamen schatten. Het exacte aantal hangt dus af van wat men als afzonderlijke opname meetelt.
Het gaat daarbij niet alleen om bekende hits zoals:
The Five Satins – In the Still of the Night
The Moonglows – Sincerely
The Flamingos – I Only Have Eyes for You
The Platters – The Great Pretender
The Silhouettes – Get a Job
The Monotones – Book of Love
The Del-Vikings – Come Go with Me
maar juist ook om duizenden obscure en vrijwel vergeten groepen.
💿 Wat staat er bij de nummers?
De songography is vooral interessant voor een verzamelaar omdat de nummers per artiest alfabetisch worden vermeld. Volgens een beschrijving bevat de lijst onder andere:
artiest → titel A-kant → titel B-kant → jaar → platenlabel → catalogusnummer.
Dat maakt het boek bijna een soort telefoonboek van de Amerikaanse doo-wop-45's.
Je kunt bijvoorbeeld een groep waarvan je één plaat kent opzoeken en vervolgens ontdekken welke andere plaat die groep heeft uitgebracht.
⭐ De "Best 1,000 Doo-Wop Songs"
Een tweede bijzonder onderdeel is de selectie van de 1.000 beste doo-wopnummers volgens de auteurs.
Dit is overigens geen ranglijst van 1 tot 1.000. De nummers staan voornamelijk alfabetisch per artiest.
Dat gedeelte is voor iemand die doo-wop wil ontdekken misschien nog interessanter dan de enorme songography. De auteurs nemen namelijk ook groepen op die tegenwoordig nauwelijks meer bekend zijn.
📚 Het boek gaat veel verder dan alleen platenlijsten
De eerste ongeveer 150 pagina's behandelen de geschiedenis en ontwikkeling van doo-wop. Er wordt gekeken naar onder andere:
de oorsprong van de vocal groups;
New York, Philadelphia, Chicago, Detroit en andere steden;
zwarte en blanke vocal groups;
vrouwelijke groepen;
platenmaatschappijen;
discjockeys;
de verschillende zangpartijen;
de ontwikkeling van rhythm & blues naar rock-'n-roll;
regionale verschillen;
vroege voorlopers van doo-wop.
Er staan bovendien ongeveer 150 foto's en 64 afbeeldingen van bladmuziekhoezen in.
🕵️ Vooral interessant voor obscure groepen
En dát is waarschijnlijk waarom dit boek voor jouw interesse in doo-wop zo interessant is.
Wanneer je bijvoorbeeld bezig bent met groepen als The Accents, The Ardells, The Aquatones, The Avons, The Alley Cats enzovoort, kom je in dit soort naslagwerk veel verder dan met een gewone "Best of Doo-Wop"-verzamelaar.
Een recensent beschreef het boek als een vrijwel complete songography van de doo-wop-45's en noemde juist de enorme hoeveelheid onbekende groepen en platen een van de grootste sterke punten.
🎧 En er was ook een CD-box bij
Er bestaat daarnaast The Encyclopedia of Doo Wop, een 4-CD-set met 100 nummers, die samen met het 496 pagina's tellende boek werd uitgebracht. De box bevat onder andere In the Still of the Night, Book of Love, Come Go with Me, Get a Job en There's a Moon Out Tonight.
Belangrijk verschil:
Het boek bevat dus niet 20.000 CD's of 20.000 liedjes om naar te luisteren. Het is een naslagwerk waarin duizenden opnamen worden beschreven. De bijbehorende Encyclopedia of Doo Wop bevatte slechts 100 geselecteerde nummers op vier CD's.
🏆 Waarom dit boek zo belangrijk is
Voor een doo-wopverzamelaar kun je het ongeveer zien als:
The Complete Book of Doo-Wop = encyclopedie + discografie + geschiedenisboek + verzamelaarsgids.
Het bijzondere is vooral dat het niet stopt bij de grote namen. Juist de kleine regionale labels en obscure vocal groups uit de jaren 50 en 60 krijgen aandacht.


Hank Ballard
Hank Ballard – pionier van R&B, doowop en rock-'n-roll
Hank Ballard was een zeer belangrijke Amerikaanse zanger, songwriter en bandleider uit de beginjaren van de rock-'n-roll. Hij werd vooral bekend als frontman van Hank Ballard & the Midnighters. Zijn muziek vormt een mooie verbinding tussen rhythm & blues, doowop, early rock-'n-roll en dansmuziek.
Ballard werd geboren als John Henry Kendricks op 18 november 1927 in Detroit, Michigan. Hij overleed op 2 maart 2003 in Los Angeles.
The Royals → The Midnighters
In het begin van de jaren vijftig zong Ballard bij een vocale groep die The Royals heette. De groep maakte platen voor Federal Records. Om verwarring met de andere groep The "5" Royales te voorkomen, werd de naam uiteindelijk veranderd in The Midnighters.
Ballard ontwikkelde een opvallend eigen geluid: stevige R&B, krachtige samenzang en teksten die voor die tijd behoorlijk ondeugend waren.
Een van zijn eerste belangrijke composities was "Get It" uit 1953. In 1954 volgde het veel bekendere:
Work With Me, Annie
Annie Had a Baby
Annie's Aunt Fannie
Sexy Ways
Vooral Work With Me, Annie werd een enorme R&B-hit. De tekst was zo suggestief dat verschillende radiostations de plaat weigerden te draaien. De Rock & Roll Hall of Fame beschrijft de Midnighters dan ook als een groep die bekendstond om hun gedurfde, ondeugende feestnummers.
"The Twist"
Het interessantste hoofdstuk in Ballards carrière is natuurlijk "The Twist".
Ballard schreef het nummer in 1958. De Midnighters namen het op en het verscheen in 1959 als B-kant van "Teardrops on Your Letter". Aanvankelijk leek het geen grote hit te worden.
Toen kreeg Chubby Checker het nummer onder ogen. Zijn versie van The Twist werd in 1960 een gigantische hit en bereikte nummer 1.
Het bijzondere is dat Ballard dus de oorspronkelijke schrijver en uitvoerder van "The Twist" was, maar dat Chubby Checker veel beroemder werd met zijn versie. De song zou later zelfs opnieuw nummer 1 worden in 1962.
Voor iemand die geïnteresseerd is in de geschiedenis van 50's rock-'n-roll en doowop is dit een prachtig voorbeeld van hoe een nummer vanuit de R&B/vocal-groupwereld uiteindelijk uitgroeide tot een internationaal dansfenomeen.
De grote comeback rond 1960
Na een aantal rustige jaren kwamen Ballard en de Midnighters rond 1959/1960 opnieuw sterk terug.
Hun belangrijkste hits waren:
Jaar Nummer Bijzonderheid
1954 Work With Me, Annie grote R&B-hit
1959 Teardrops on Your Letter comeback
1959 The Twist originele versie
1960 Finger Poppin' Time grote pop- en R&B-hit
1960 Let's Go, Let's Go, Let's Go grootste pophit
1960 The Hoochi Coochi Coo R&B-hit
1961 The Continental Walk dansnummer
1961 The Float dansnummer
1961 Switch-A-Roo R&B-hit
"Finger Poppin' Time" bereikte in 1960 nummer 2 op de Amerikaanse R&B-lijst en nummer 7 op de poplijst. Het nummer werd bovendien genomineerd voor een Grammy.
"Let's Go, Let's Go, Let's Go" was nog succesvoller: nummer 1 op de R&B-lijst en nummer 6 op de Billboard Hot 100. De plaat verkocht meer dan een miljoen exemplaren.
Waarom is Hank Ballard interessant voor doowop-liefhebbers?
Ballard is interessant omdat hij precies op het kruispunt zit van verschillende stijlen.
The Midnighters hadden:
vocale harmonieën die aansluiten bij de doowoptraditie;
stevige rhythm & blues;
gospelachtige zang;
rock-'n-roll;
dansbare ritmes;
call-and-response;
humor en ondeugende teksten.
Daarmee waren ze eigenlijk een overgangsgroep tussen de vocale R&B-groepen van begin jaren vijftig en de explosieve rock-'n-roll en dansmuziek van de jaren zestig.
Hank Ballard en James Brown
Later in zijn carrière werkte Ballard ook samen met James Brown. In de late jaren zestig en begin jaren zeventig produceerde Brown verschillende singles voor hem. Ballard bleef dus actief binnen de R&B-wereld, hoewel zijn grote commerciële succes uit de jaren vijftig en zestig niet meer terugkeerde.
In de jaren tachtig stelde hij opnieuw een versie van de Midnighters samen en ging hij weer optreden.
Rock & Roll Hall of Fame
De erkenning kwam uiteindelijk officieel: Hank Ballard werd in 1990 opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame.
Ook The Midnighters werden later afzonderlijk opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame, in 2012.
The Belmonts
The Belmonts behoren tot de belangrijkste Amerikaanse doo-wopgroepen uit de jaren vijftig en vroege jaren zestig. Ze zijn vooral bekend door hun samenwerking met Dion DiMucci, maar The Belmonts waren óók zelfstandig een succesvolle groep.
🎙️ Het ontstaan
The Belmonts ontstonden rond 1955 in The Bronx, New York. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Angelo D'Aleo – eerste tenor/falset
Fred Milano – tweede tenor
Carlo Mastrangelo – bariton/bas
De naam kwam van Belmont Avenue in The Bronx, waar één van de leden woonde. De jongens kwamen uit dezelfde buurt rond Arthur Avenue en zongen aanvankelijk vooral op straat en bij lokale gelegenheden.
In 1957 kwam Dion DiMucci erbij als leadzanger. Daarmee ontstond Dion and the Belmonts, een combinatie die een van de herkenbaarste blanke doo-wopgeluiden van New York zou worden.
⭐ De grote doorbraak
De groep tekende bij het nieuwe label Laurie Records. Hun eerste Laurie-single was:
"I Wonder Why" – 1958
Het nummer werd een grote hit en bereikte nummer 22 van de Billboard Hot 100. Het bijzondere is vooral de zang: Dion zingt de lead, terwijl de Belmonts daar een zeer strak, bijna percussief vocaal arrangement onder leggen.
Daarna volgden onder andere:
"No One Knows" – 1958
"Don't Pity Me" – 1958
"A Teenager in Love" – 1959
"Where or When" – 1959
"A Teenager in Love" werd hun grootste hit en bereikte nummer 5 in de Amerikaanse hitlijst. "Where or When" kwam zelfs tot nummer 3.
💿 Hun typische geluid
Wat The Belmonts zo interessant maakt voor een doo-wopverzamelaar is de combinatie van:
Dion's leadzang + vierstemmige harmonieën + R&B + rock-'n-roll.
Vooral de overgang tussen lead en achtergrondzang is karakteristiek. De Belmonts waren geen traditionele popachtergrondgroep; hun harmonieën waren een belangrijk onderdeel van het nummer zelf.
Daarom worden ze vaak genoemd als een van de bepalende groepen van de New Yorkse street-corner doo-wop.
✈️ De Winter Dance Party
In 1959 maakten Dion and the Belmonts deel uit van de beroemde Winter Dance Party-tour, samen met onder anderen Buddy Holly, Ritchie Valens en The Big Bopper.
Na een optreden in Clear Lake, Iowa, vertrokken Holly, Valens en The Big Bopper met een vliegtuig. Het toestel stortte kort daarna neer. De drie artiesten kwamen daarbij om het leven.
Dion and the Belmonts reisden die nacht met de bus en waren daardoor niet aan boord van het vliegtuig.
💔 Dion vertrekt
In 1960 gingen Dion en The Belmonts uit elkaar. Dion wilde een meer rock-'n-rollgerichte muzikale richting op, terwijl The Belmonts sterk vasthielden aan hun vocale harmonieën.
Dion begon vervolgens aan een zeer succesvolle solocarrière met nummers als:
"Runaround Sue"
"The Wanderer"
"Donna"
"Ruby Baby"
Maar The Belmonts gingen gewoon door.
🎶 The Belmonts zonder Dion
Dit is een gedeelte van hun geschiedenis dat vaak wordt vergeten.
Zonder Dion hadden ze opnieuw succes. In 1961 verscheen bijvoorbeeld:
"Tell Me Why"
Dit nummer bereikte nummer 18 in de Billboard Hot 100. Daarna volgden onder meer:
"Don't Get Around Much Anymore"
"I Need Someone"
"Come On Little Angel"
"Diddle-De-Dum"
In totaal kwamen The Belmonts zonder Dion tussen 1961 en 1963 met meerdere singles in de Amerikaanse hitlijsten.
📻 Interessant voor verzamelaars
Voor iemand die zich verdiept in Complete Book of Doo-Wop-achtige verzamelingen zijn The Belmonts extra interessant omdat je eigenlijk twee verschillende periodes hebt:
Dion and the Belmonts
1957–1960
Klassieke Bronx doo-wop, grote hits en de beroemde Dion-lead.
The Belmonts
vanaf 1960
Meer nadruk op groepsharmonie, met Carlo Mastrangelo en later andere zangers als lead.
De groep bleef bovendien nog vele jaren actief met wisselende bezettingen en reünies.


The Blue Jays
The Blue Jays – een bijzondere doowopgroep
The Blue Jays waren een Amerikaanse vocale groep uit Venice, Californië, die vooral bekend werd door de prachtige doowopballad “Lover's Island” uit 1961. De groep is interessant omdat zij precies op het overgangspunt zat tussen de klassieke doowop van de jaren 50 en de soulmuziek van de jaren 60.
Ontstaan
De groep ontstond rond 1958 in de wijk Oakwood in Venice. De belangrijkste zanger was Leon Peels, geboren in 1936 in Newport, Arkansas. Hij verhuisde als kind naar Californië.
De andere leden waren:
Leon Peels – leadzang
Van Earl Richardson – eerste tenor
Alexander “Alex” Manigo/Manigeault – tweede tenor
Leonard “Len” Davidson – bariton/bas
De jongens ontmoetten elkaar onder meer op de Oakwood Playground en zongen aanvankelijk vooral nummers van groepen als The Platters. Peels werd sterk beïnvloed door zangers als Jackie Wilson.
“Lover's Island”
Hun grote nummer was “Lover's Island”, geschreven door Leon Peels en Alex Manigo. Het nummer heeft precies dat romantische geluid waar liefhebbers van late jaren-50 doowop zo van houden: een hoge leadstem, harmonieën op de achtergrond en een bijna dromerige sfeer.
Het nummer werd in 1961 uitgebracht op Milestone Records en bereikte nummer 31 in de Billboard Hot 100. Daarmee hadden The Blue Jays een echte Amerikaanse Top 40-hit.
Bijzonder is dat verschillende kenners “Lover's Island” beschouwen als een van de laatste echte doowophits voordat de Amerikaanse popmuziek definitief richting soul, Motown en de Britse beat ging.
Werly Fairburn en Milestone
De ontdekking van The Blue Jays is ook opmerkelijk. Werly Fairburn, een country- en rockabillyzanger, had zijn eigen platenmaatschappij Milestone Records.
Na een optreden tijdens een talentenjacht in het Fox Theatre in Venice kwamen The Blue Jays onder de aandacht van mensen uit de muziekindustrie. Fairburn hoorde de groep vervolgens zingen en besloot ze op zijn label uit te brengen.
Dat is een mooi voorbeeld van hoe verschillende Amerikaanse muziekstijlen elkaar toen overlapten: een rockabillyman die een zwarte doowopgroep uit Los Angeles opneemt.
Andere nummers
Na “Lover's Island” verschenen onder meer:
“You're Gonna Cry”
“Tears Are Falling” – 1961
“The Right to Love” – 1962
“Let's Make Love”
“Tree Tall Len”
“Venus My Love”
“Once Upon a Love”
“So Long Lovers Island”
De opvolgers konden het succes van “Lover's Island” echter niet evenaren. Begin 1962 viel de groep uiteen. Leon Peels probeerde daarna een solocarrière en nam later onder andere “On a Magic Island” op, waarbij hij werd begeleid door The Hi-Tensions.
Het geluid van The Blue Jays
Wat The Blue Jays zo aantrekkelijk maakt voor doowopverzamelaars is hun gospelachtige leadzang. AllMusic omschrijft de groep als een overgang tussen de R&B van de jaren 50 en de soul van de jaren 60.
Je hoort bij Leon Peels een vrij krachtige, hoge tenor die soms bijna tegen falset aan zit. Daaronder liggen de typische mannelijke harmonieën die zo kenmerkend zijn voor doowop.
“Lover's Island” is daarom een uitstekend voorbeeld van late doowop: nog volledig gebaseerd op vocale harmonieën, maar met een productie en zangstijl die al vooruitwijzen naar de vroege soul.
Let op: er bestaan meerdere Blue Jays!
Voor een doowopverzamelaar is dit belangrijk. The Blue Jays is geen unieke groepsnaam. Er waren verschillende groepen die deze naam gebruikten.
Er was bijvoorbeeld ook een Blue Jays uit Chicago die in 1953 “White Cliffs of Dover” / “Hey Papa” op Checker Records uitbracht. Deze groep heeft niets te maken met de groep van Leon Peels.
Daarnaast was er een groep uit New York die eveneens als The Blue Jays opnam en later als The Castlemen bekend werd.
En in Washington, D.C. bestond een andere groep die aanvankelijk The Blue Jays heette en later The Five Blue Notes werd.
The Bop Chords
The Bop Chords waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit de jaren 50, vooral interessant voor liefhebbers van de minder bekende vocal-groupplaten uit die periode.
🎤 The Bop Chords
De naam Bop Chords verwijst mooi naar de combinatie van twee belangrijke ontwikkelingen in de zwarte Amerikaanse muziek van de jaren 50: vocale harmonieën en de opkomende bop/R&B-sound. Hun muziek bevindt zich daarmee in het gebied tussen traditionele doo-wop, rhythm & blues en vroege rock-'n-roll.
Zoals bij veel kleine doo-wopgroepen uit deze periode is de documentatie over de groep beperkt. Veel van dergelijke groepen namen slechts één of enkele singles op voor kleine regionale labels en verdwenen daarna weer uit beeld. Juist die platen zijn tegenwoordig interessant voor verzamelaars.
🎶 Hun sound
Bij The Bop Chords ligt de nadruk vooral op:
meerstemmige zang
een sterke leadzanger met antwoordende achtergrondstemmen
korte, ritmische vocale passages
R&B-begeleiding
romantische ballads naast uptempo nummers
de typische "bop"-achtige ritmiek die in de jaren 50 populair werd
Ze passen daardoor goed in de grote doo-wopfamilie van groepen als The Flamingos, The Spaniels, The Five Keys en The Clovers, hoewel iedere groep natuurlijk zijn eigen stijl had.
💿 Waarom zijn ze interessant voor verzamelaars?
The Bop Chords behoren tot het soort groepen dat je vooral tegenkomt in gespecialiseerde doo-wopdiscografieën en verzamelalbums. Hun naam kan daardoor gemakkelijk worden gemist wanneer je alleen naar de bekendste hits zoekt.
Voor iemand die bezig is met The Complete Book of Doowop en de duizenden minder bekende doo-wopopnamen, zijn dit juist de namen die interessant zijn: kleine vocal groups, regionale labels, obscure singles en groepen die nauwelijks landelijke bekendheid kregen.


The Bobbettes
The Bobbettes – pioniers van de vrouwelijke doo-wop
The Bobbettes waren een Amerikaanse vrouwelijke zanggroep uit Harlem, New York, die een belangrijke plaats inneemt in de geschiedenis van doo-wop, rhythm & blues en de latere girl-group sound.
De groep werd in 1955 gevormd door schoolmeisjes die samen zongen op P.S. 109 in Harlem. Ze begonnen als The Harlem Queens en bestonden aanvankelijk uit meer meisjes. Uiteindelijk bleef een kwintet over.
De oorspronkelijke Bobbettes
De bekendste bezetting bestond uit:
Emma Pought
Jannie Pought – zus van Emma
Reather Dixon
Laura Webb
Helen Gathers
De meisjes waren nog bijzonder jong toen ze begonnen. Ze traden op tijdens amateuravonden en kwamen uiteindelijk ook terecht in het beroemde Apollo Theater in Harlem. Hoewel ze daar niet wonnen, trok hun optreden de aandacht van manager James Dailey, die hen verder hielp.
⭐ "Mr. Lee" – hun grote doorbraak
Hun beroemdste nummer is natuurlijk "Mr. Lee", opgenomen in 1957 voor Atlantic Records.
Het bijzondere is dat de meisjes het nummer zelf hadden geschreven. Het ging over een leraar van school. De oorspronkelijke tekst was behoorlijk kritisch over Mr. Lee. Atlantic vond die tekst echter te negatief en wilde dat de meisjes de tekst aanpasten. Daardoor werd het nummer veel vriendelijker en romantischer.
"Mr. Lee" werd een enorme hit:
1957
Atlantic Records
#1 R&B
#6 Billboard Pop
een van de eerste grote landelijke hits van een vrouwelijke zanggroep
Daarmee waren The Bobbettes echte pioniers. Ze behoorden tot de eerste vrouwelijke groepen die bewezen dat een groep jonge meisjes met harmoniezang commercieel succesvol kon zijn.
🎵 Waarom "Mr. Lee" zo interessant is voor doo-wop-liefhebbers
Het nummer heeft precies die overgang tussen vroege R&B, doo-wop en de eerste girl-group sound.
Je hoort onder andere:
meerstemmige vrouwelijke zang
korte vocale antwoorden
een stevige ritmische begeleiding
bluesinvloeden
een opvallende tenorsaxofoon
een eenvoudige, zeer herkenbare melodie
De opname bevat onder meer Jesse Powell op tenorsaxofoon en sessiemuzikanten zoals Al Caiola, Ray Ellis en Milt Hinton.
De Bobbettes worden daarom vaak gezien als een belangrijke schakel tussen de New Yorkse doo-wopgroepen van de jaren 50 en de grote girl-group explosie van de vroege jaren 60.
Andere nummers
Na "Mr. Lee" kwamen er verschillende singles, waaronder:
Look at the Stars
You Are My Sweetheart
I Shot Mr. Lee
Have Mercy Baby
Dance with Me Georgie
Teach Me Tonight
I Don't Like It Like That
Vooral "I Shot Mr. Lee" is een interessant verhaal. Het nummer was oorspronkelijk opgenomen voor Atlantic, maar werd afgewezen. Toen de versie van The Bobbettes op het Triple-X-label succes begon te krijgen, bracht Atlantic alsnog zijn eigen opname uit. Dat zorgde uiteindelijk voor problemen met de concurrentie tussen de versies.
Een bijzondere plaats in de girl-group geschiedenis
The Bobbettes waren niet alleen belangrijk omdat ze een hit hadden. Ze waren ook bijzonder omdat ze op zeer jonge leeftijd zelf nummers schreven en uitvoerden.
Hun succes kwam bovendien op een moment dat de pop- en R&B-wereld voornamelijk werd gedomineerd door mannelijke vocal groups en soloartiesten. De Bobbettes en kort daarna groepen als The Chantels hielpen de weg vrijmaken voor de enorme girl-group beweging van de jaren 60.
De latere jaren
Na hun periode bij Atlantic namen The Bobbettes op voor verschillende labels, waaronder Triple-X, End, Diamond en Mayhew. Hun laatste Amerikaanse hitnotering kwam in 1962 met "I Don't Like It Like That". De groep bleef daarna nog jaren opnemen en optreden en werd uiteindelijk in 1974 opgeheven.
The Bosstones
🎙️ The Bosstones
De groep bestond uit vier jonge zangers uit Philadelphia, die elkaar kenden van Edison High School. Tot de genoemde leden behoren:
Duval Young "Babbo"
Robbie Robinson
Willie Weaver
Buck – van wie de achternaam niet goed is gedocumenteerd.
Hun stijl was typisch voor de Philadelphia-doowop: veel vocale harmonieën, relatief weinig instrumentale begeleiding en een sterke nadruk op de gezamenlijke zang.
⭐ "Mope-Itty Mope"
Hun bekendste nummer is zonder twijfel:
"Mope-Itty Mope"
met als achterkant:
"Wings of an Angel"
De single verscheen rond 1959/1961 op het Boss-label; bronnen verschillen enigszins over het precieze jaar van de eerste uitgave. Er was ook een zeldzamere uitgave op V-Tone 208.
"Mope-Itty Mope" werd geen grote nationale hit, maar kreeg later een opmerkelijk tweede leven. Een Mexicaans radiostation, XEAK, draaide het nummer in 1961 zelfs 72 uur achter elkaar als onderdeel van een formatstunt.
💿 Een echte doowop-rariteit
Wat The Bosstones voor verzamelaars interessant maakt, is dat ze voor zover bekend maar één single hebben uitgebracht. Daardoor is de originele 45 een gezocht stukje Philadelphia-doowop. Het nummer is later op verschillende doowopverzamelalbums terechtgekomen.
Er zit bovendien een leuk vervolg aan het verhaal. In 1962 namen The Dovells "Mope-Itty Mope" opnieuw op als "The Mope-itty Mope Stomp".
🎶 Wat gebeurde er met de zangers?
De leden verdwenen niet allemaal uit de muziek. Duval Young en Willie Weaver kwamen later bijvoorbeeld terecht in The Four Casts, samen met Chuck Hatfield en Paul O'Lone. The Four Casts namen in 1964 "Stormy Weather" / "Workin' at the Factory" op voor Atlantic.
⚠️ Niet verwarren met The Mighty Mighty Bosstones
Dit is een belangrijk detail. Er bestaat namelijk ook de veel bekendere Bostonse ska/punkband The Mighty Mighty Bosstones. Die begon oorspronkelijk gewoon als The Bosstones, maar ontdekte later dat de naam al gebruikt was door deze oudere doowopgroep. Daarom werd de naam veranderd in The Mighty Mighty Bosstones.


The Buccaneers
The Buccaneers waren een interessante, maar tegenwoordig vrij onbekende Philadelphia-doowopgroep uit de vroege jaren 50. Ze behoren vooral tot de vroege periode waarin rhythm & blues geleidelijk overging in de vocale doowopstijl.
🎙️ De groep
The Buccaneers bestonden uit:
Ernest "Sonny" Smith – leadzang
Richard Gregory – tenor
Julius Robinson – tenor
Donald Marshall – bas
Ze kwamen uit Philadelphia en werden in 1952 ontdekt door Jerry Halpern en Ed Krensel, twee studenten van Temple University die zich met platenproductie bezighielden.
Hun zang was typisch voor de vroege zwarte vocal-group sound: een sterke leadzanger, daarachter harmonieën van de tenoren en een lage baspartij. Het resultaat zat ergens tussen early R&B, vocal harmony en vroege doowop in.
⭐ "Dear Ruth"
Hun bekendste en belangrijkste opname is waarschijnlijk "Dear Ruth", opgenomen eind 1952.
De plaat verscheen oorspronkelijk op Southern Records 101, met "Fine Brown Frame" als achterkant. Later werd de single door Rainbow Records opnieuw uitgebracht voor een groter distributiegebied.
"Dear Ruth" is vooral interessant omdat je daarin goed kunt horen hoe de doowop zich nog aan het ontwikkelen was. Het is minder glad en gepolijst dan de latere groepen uit bijvoorbeeld 1955–1959.
De opname is ook opgenomen op Street Corner Symphonies – The Complete Story of Doo Wop, Volume 5: 1953, een serie die de ontwikkeling van doowop chronologisch documenteert.
💿 Rama Records
In 1953 kwamen The Buccaneers terecht bij Rama Records, het label van George Goldner. Dat was een belangrijk label binnen de New Yorkse R&B- en doowopscene.
Daar maakten ze onder andere:
Jaar Nummer Label
1953 Dear Ruth Southern/Rainbow
1953 Fine Brown Frame Southern/Rainbow
1953 You Did Me Wrong Rama
1953 In the Mission of St. Augustine Rama
1953 The Stars Will Remember Rama
1953 Come Back My Love Rama
Een bijzonder nummer is "In the Mission of St. Augustine". Dat werd uitgebracht op Rama 24 en is later ook opgenomen op compilaties over de geschiedenis van Rama Records.
❤️ "You Did Me Wrong"
Voor liefhebbers van de meer romantische kant van doowop is "You Did Me Wrong" interessant. Het nummer is later op verschillende verzamelaars met zeldzame zwarte doowop verschenen.
De Buccaneers zijn daardoor vooral interessant voor verzamelaars die verder willen gaan dan de bekende namen zoals The Platters, The Flamingos, The Moonglows, The Crows en The Harptones.
🕰️ Een heel korte carrière
Het opmerkelijke aan The Buccaneers is dat hun platenloopbaan erg kort was. Hun Rama-opnamen uit 1953 leverden onvoldoende verkoop en airplay op. Na hun laatste single hield de groep als opname-eenheid op te bestaan.
Julius Robinson zou later nog opduiken bij The Metronomes.
⚠️ Niet verwarren met een andere Buccaneers
Er zijn meerdere groepen geweest die The Buccaneers heetten. Zo was er bijvoorbeeld een garage-rockgroep uit Ashtabula, Ohio, die in de jaren 60 actief was en in 1966 "Oop Poo Pah Doo" uitbracht. Dat is een andere groep dan de Philadelphia-doowoppers uit 1952–1953.
The Cadets
The Cadets – een bijzondere doo-wopgroep
The Cadets waren een Amerikaanse vocal group uit Los Angeles, die vooral actief was in de jaren 50. Ze zijn een interessante groep binnen de doo-wop omdat ze eigenlijk onder twee namen platen uitbrachten: The Cadets en The Jacks.
De groep kwam voort uit een gospelgroep, de Santa Monica Soul Seekers. Rond 1954/1955 maakten ze de overstap naar rhythm & blues en doo-wop.
De belangrijkste leden
De bezetting bestond onder andere uit:
Aaron Collins – tenor/lead
Willie Davis – tenor
Austin "Ted" Taylor – tenor
Will "Dub" Jones – bas
Lloyd McCraw – bariton
Later werd McCraw vervangen door Thomas "Pete" Fox. Ted Taylor verliet de groep in 1956 om solo verder te gaan.
The Cadets én The Jacks
Dit is misschien wel het leukste stukje geschiedenis.
De platenmaatschappij Modern Records gebruikte twee namen voor vrijwel dezelfde groep. Op het Modern-label verschenen ze als The Cadets, terwijl ze op het dochterlabel RPM Records als The Jacks werden uitgebracht.
Als The Jacks hadden ze in 1955 een flinke R&B-hit met:
"Why Don't You Write Me?"
Die plaat bereikte zelfs nummer 3 op de Amerikaanse R&B-hitlijst.
"Stranded in the Jungle"
Hun bekendste plaat als The Cadets is zonder twijfel:
"Stranded in the Jungle" – 1956
Het is een geweldig voorbeeld van de meer uitbundige en humoristische kant van doo-wop. Het nummer vertelt een absurd verhaal over iemand die in de jungle is gestrand.
De plaat werd een grote hit en bereikte ongeveer #3 R&B en #15 pop in de Verenigde Staten.
Een van de beroemdste momenten is de gesproken uitroep:
"Great googly-moogly, get me outta here!"
Die werd gezongen door Prentice Moreland, die slechts bij deze opname betrokken was.
Ook bijzonder is de rol van bassist Will "Dub" Jones, die de gesproken gedeelten verzorgde. Jones zou later een belangrijk lid worden van The Coasters, waar hij op veel bekende rock-'n-rollhits te horen was.
Andere mooie Cadets-opnamen
Voor liefhebbers van 50's doo-wop zou ik zeker deze nummers opzoeken:
Don't Be Angry – 1955
I Cry – 1955
Rollin' Stone – 1955
Fine Lookin' Baby – 1955
Do You Wanna Rock? – 1955
Heartbreak Hotel – 1956
Church Bells May Ring – 1956
Stranded in the Jungle – 1956
I Got Loaded – 1956
Dancin' Dan – 1956
Love Bandit – 1956
Heaven Help Me – 1956
Een groot deel van hun materiaal verscheen oorspronkelijk op Modern Records en RPM Records.
Waarom zijn The Cadets zo interessant?
The Cadets laten mooi zien hoe veelzijdig de vroege doo-wop was. Ze konden romantische ballads, stevige R&B, rock-'n-roll en humoristische novelty songs brengen.
Hun combinatie van strakke vocale harmonieën, een diepe basstem, ritme en gesproken passages maakt vooral "Stranded in the Jungle" een absolute klassieker.


The Cadillacs
The Cadillacs – een van de grote namen uit de doowop
The Cadillacs waren een invloedrijke Amerikaanse doo-wop- en R&B-groep uit Harlem, New York. Ze ontstonden in 1953 en werden vooral beroemd door de geweldige leadzanger Earl "Speedo" Carroll. Hun grootste hit was "Speedoo" uit 1955.
🎤 Het begin
De groep begon in 1953 onder de naam The Carnations. De oorspronkelijke bezetting bestond onder andere uit:
Earl Carroll – leadzang
Bobby Phillips – bas
LaVerne Drake – tenor
Gus Willingham
later werd James "Poppa" Clark toegevoegd
Toen ze professioneel gingen opnemen, veranderden ze hun naam in The Cadillacs. Hun eerste plaat verscheen in 1954 op Josie Records met:
"Gloria" / "I Wonder Why"
"Gloria" groeide uit tot een echte doowop-klassieker en behoort tot de meest gecoverde nummers uit het genre.
⭐ "Speedoo" – hun grote doorbraak
In 1955 namen The Cadillacs "Speedoo" op. De naam verwees naar de bijnaam van Earl Carroll.
Het nummer had een heel andere energie dan veel romantische doowopballads. Het was ritmisch, swingend, humoristisch en sterk gebaseerd op Earl Carrolls karakteristieke leadzang.
De plaat werd vooral bekend nadat de groep optrad tijdens de beroemde Alan Freed Christmas Show. Daar kwamen ook hun zorgvuldig ingestudeerde dansbewegingen uitstekend tot hun recht. De choreografie was belangrijk: The Cadillacs waren niet alleen een zanggroep, maar ook een sterke podiumact.
"Speedoo" bereikte uiteindelijk nummer 3 in de Amerikaanse R&B-hitlijst en nummer 17 in de pophitlijst.
🕺 De choreografie
Een belangrijk onderdeel van het succes van The Cadillacs was hun presentatie.
Ze behoorden tot de vroege vocale groepen die gesynchroniseerde danspasjes gebruikten. Choreograaf Cholly Atkins werkte met de groep. Atkins zou later een zeer belangrijke rol spelen bij de choreografie van talloze Motown-artiesten.
Daarmee liepen The Cadillacs vooruit op wat later heel normaal werd bij groepen als The Temptations en andere soulgroepen.
🎶 Andere belangrijke nummers
Als je de Cadillacs voor je doowopcollectie of voor Stepupzorgradio wilt leren kennen, zou ik vooral deze nummers beluisteren:
Jaar Nummer Type
1954 Gloria romantische doowop
1954 I Wonder Why klassieke vocal-group sound
1955 No Chance uptempo R&B/doowop
1955 Speedoo grote rock-'n-roll/doowop-hit
1956 Zoom uptempo doowop
1956 Rudolph the Red-Nosed Reindeer bijzondere doowopversie
1957 My Girlfriend romantische doowop
1958 Buzz Buzz Buzz vocale R&B
1958 Speedo Is Back vervolg op de hit
1958 Peek-A-Boo humoristische uptempo R&B
1959 Please Mr. Johnson novelty/doowop
1959 Cool It, Fool uptempo R&B
Een uitgebreide discografie vermeldt tientallen singles en verschillende albums, waaronder The Fabulous Cadillacs en The Crazy Cadillacs.
❤️ "Gloria" tegenover "Speedoo"
Juist het contrast maakt The Cadillacs zo interessant.
"Gloria" laat de romantische kant van de groep horen: mooie harmonieën, een sterke lead en die typische jaren-50 doowop-sfeer.
"Speedoo" is daarentegen bijna een kleine rock-'n-rollshow: ritme, humor, persoonlijkheid en een opvallende leadzanger.
Dat brede repertoire was kenmerkend voor de groep. Ze konden zowel prachtige slow doowop als ruige, energieke R&B brengen.
🎬 The Cadillacs in de film
In 1959 verschenen The Cadillacs bovendien in de rock-'n-rollfilm Go, Johnny, Go!. Dat paste uitstekend bij hun imago als spectaculaire podiumgroep.
👤 Earl "Speedo" Carroll
Earl Carroll was het gezicht en de stem van The Cadillacs. Zijn krachtige, enigszins theatrale manier van zingen gaf de groep een heel eigen identiteit.
Aan het einde van de jaren vijftig kreeg Carroll contact met The Coasters. Hij trad uiteindelijk toe tot die groep. Dat is interessant omdat The Cadillacs en The Coasters qua humoristische R&B en podiumtheater dicht bij elkaar lagen.
📻 Waarom The Cadillacs zo belangrijk zijn voor doowop
The Cadillacs behoren tot de groepen die de overgang van street-corner doowop naar professioneel rock-'n-rollentertainment hielpen vormgeven.
Hun combinatie van:
harmonie + sterke leadzanger + baszang + ritme + choreografie + humor
werd een belangrijk voorbeeld voor de vocale groepen die na hen kwamen.
Voor iemand die de 50's doowop echt diep wil ontdekken, zijn The Cadillacs daarom absoluut een groep om niet over te slaan.
The Capitols
The Capitols uit Detroit
The Capitols ontstonden in 1962 in Detroit en heetten aanvankelijk The Three Caps. De bezetting bestond uit:
Sam George – leadzang en drums
Donald “Don” Storball – gitaar en achtergrondzang
Richard McDougall – piano/keyboard en achtergrondzang
De groep werd ontdekt door Ollie McLaughlin, een belangrijke figuur in de Detroitse muziekscene en eigenaar van het platenlabel Karen Records.
Hun eerste single was “Dog and Cat” / “The Kick” uit 1963. Deze plaat werd echter geen succes en de groep viel tijdelijk uiteen.
De grote doorbraak: “Cool Jerk”
Drie jaar later kwam de groep opnieuw bij elkaar. Don Storball had een nummer geschreven rond de populaire dans The Jerk. Dat werd:
“Cool Jerk” – 1966
Het nummer werd opgenomen in Golden World Studios in Detroit, waarbij verschillende muzikanten uit de kring rond Motown meewerkten. Onder anderen leden van The Funk Brothers waren bij de opname betrokken.
Het resultaat was een zeer aanstekelijke combinatie van:
R&B
soul
dansmuziek
sterke groepszang
funky bas
prominent pianospel
een zeer herkenbare beat
“Cool Jerk” bereikte nummer 7 in de Billboard Hot 100 en zelfs nummer 2 in de Amerikaanse R&B-hitlijst.
Waarom wordt “Cool Jerk” met doowop geassocieerd?
Dat is vooral interessant voor verzamelaars van doowop.
The Capitols kwamen voort uit dezelfde vocale groepscultuur die in de jaren 50 zo belangrijk was. Hun muziek had nog steeds de nadruk op groepszang en harmonieën, maar tegen 1966 was de muzikale omgeving sterk veranderd.
De typische doowop van 1955–1960 had plaatsgemaakt voor:
doo-wop → R&B → soul → dance/soul
“Cool Jerk” zit duidelijk aan de soul/R&B-kant van die ontwikkeling. Daarom kom je The Capitols regelmatig tegen op verzamelalbums met oude R&B, soul, vocal groups en soms ook doowop. Spotify heeft het nummer bijvoorbeeld ook opgenomen op een verzameling met de titel Doo Wop Golden Oldies.
Andere interessante nummers
Na “Cool Jerk” probeerden The Capitols het succes voort te zetten met onder andere:
I Got to Handle It – 1966
We Got a Thing That's in the Groove – 1966
Take a Chance on Me Baby – 1967
Cool Pearl – 1967
Afro Twist – 1968
Cool Jerk '68 – 1968
Soul Sister, Soul Brother – 1968
When You're in Trouble – 1969
Vooral “We Got a Thing That's in the Groove” is interessant als je van de overgang van vroege R&B naar soul houdt.
Albums
In 1966 verschenen twee albums:
Dance the Cool Jerk
We Got a Thing That's in the Groove
Dance the Cool Jerk bereikte nummer 95 van de Billboard-albumlijst. Een groot gedeelte van hun repertoire bestond uit covers van bekende soul- en R&B-nummers.
Een bijzondere wetenswaardigheid
Er bestaan meerdere groepen die The Capitols heetten. Dat zorgt nogal eens voor verwarring bij doowopverzamelaars.
Er was bijvoorbeeld ook een Pittsburghse vocal group die in de jaren 50 onder de naam The Capitols opnam. Die groep werd later geassocieerd met Mickey Toliver & The Capitols en bracht onder andere “Rose Marie” uit in 1957.
Dus bij oude 45-toerenplaten is het belangrijk om te kijken naar label, jaartal en bezetting.
The Capitols in het kort
Onderdeel Gegevens
Stad Detroit, Michigan
Actief 1962–1969
Oorspronkelijke naam The Three Caps
Genre R&B, soul, pop-soul
Belangrijkste zanger Sam George
Belangrijkste songwriter Donald Storball
Label Karen Records
Grootste hit Cool Jerk
Jaar hit 1966
Billboard Hot 100 #7
Billboard R&B #2
Bekendste album Dance the Cool Jerk


The Capris
The Capris – een prachtige New Yorkse doowopgroep
The Capris behoren tot de meest geliefde groepen uit de klassieke New Yorkse doowop. Ze kwamen oorspronkelijk uit Queens, New York, en werden in 1957 opgericht door tieners. De oorspronkelijke bezetting bestond onder anderen uit Nick “Santo” Santamaria, Mike Mincieli, Frank Reina, Vinnie Naccarato en John Cassese.
🌙 “There's a Moon Out Tonight”
Hun absolute klassieker is “There's a Moon Out Tonight”. Het bijzondere verhaal achter deze plaat maakt The Capris extra interessant.
Het nummer werd al in 1958 opgenomen en uitgebracht op het kleine label Planet Records. De plaat deed vrijwel niets en de groep ging zelfs uit elkaar. Twee jaar later ontdekte een medewerker van een New Yorkse platenzaak de vergeten opname. Hij kocht de master en bracht hem opnieuw uit op Lost Nite Records. Vervolgens kwam de plaat bij Old Town Records terecht.
En toen gebeurde het onverwachte: de plaat werd een grote hit.
Begin 1961 bereikte “There's a Moon Out Tonight” de nummer 3-positie in de Amerikaanse Billboard Hot 100 en nummer 11 op de R&B-lijst.
Dat maakt het een prachtig voorbeeld van een typische doowop-revivalhit: een opname uit de jaren vijftig die pas enkele jaren later een groot publiek bereikt.
🎤 Het geluid
Wat de plaat zo bijzonder maakt, is de combinatie van:
de emotionele leadzang van Nick “Santo” Santamaria
hoge tenorharmonieën
een diepe bas
het typische “ooh”-koor
een romantische tekst
de karakteristieke straatgroep-harmonieën
een prachtige opbouw naar het falsetto-einde
Het slot is bijzonder: de zang beweegt als het ware van de hoge falsetstem naar de lagere stemmen, een effect dat volgens muziekhistorische beschrijvingen kenmerkend was voor de opname.
💿 Andere platen
Na het succes van “There's a Moon Out Tonight” verschenen verschillende singles, waaronder:
Where I Fell in Love – 1961
Some People Think – 1961
Tears in My Eyes – 1961
Why Do I Cry – 1961
Girl in My Dreams – 1961
My Island in the Sun – 1961
Limbo – 1963
Een uitgebreide discografie vermeldt ook verschillende latere en opnieuw uitgebrachte opnamen.
❤️ “Morse Code of Love”
Een tweede heel belangrijke plaat is “Morse Code of Love”.
Deze werd pas in 1982 opgenomen voor het album There's a Moon Out Again. Het nummer werd later een soort tweede klassieker van The Capris.
Het nummer kreeg bovendien een nieuw leven doordat The Manhattan Transfer het opnam. Daardoor werd een nieuwe generatie met het Capris-repertoire bekend. De groep kreeg in de jaren tachtig hierdoor opnieuw veel aandacht.
🏆 Een blijvende doowopgroep
The Capris zijn in 2007 opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame.
Hun geschiedenis is eigenlijk typisch voor veel doowopgroepen: als tieners beginnen met zingen op straat, een plaat opnemen die nauwelijks wordt verkocht, uit elkaar gaan en vervolgens ontdekken dat hun oude plaat jaren later alsnog een enorme hit is geworden.
Voor liefhebbers van echte street-corner doowop zijn The Capris daarom absoluut een groep om te kennen.
Streetcorner doowop
🎙️ Wat is street-corner doowop?
Jonge jongens kwamen bij elkaar op straathoeken, schoolpleinen, trappenhuizen, metroperrons en in portieken om samen te zingen. Vaak hadden ze helemaal geen instrumenten. De baszanger, de achtergrondzangers en het ritme van vingers knippen of handen klappen vormden samen als het ware de begeleiding.
Daaruit ontstond die typische sound:
Leadzanger met een herkenbare hoge of emotionele stem
Tenoren voor de hoge harmonieën
Bariton als verbindende stem
Bas voor de lage "bom-bom"-achtige begeleiding
klanken als “doo-wop”, “shoo-bop”, “sha-na-na” en “ram-a-lam-a-ding-dong”
romantische teksten over liefde, meisjes, afscheid en tienerleven
vaak een sterke echo, vooral wanneer buiten of in gangen werd gezongen
De term street corner harmony wordt daarom ook gebruikt als alternatief voor doowop.
🏙️ New York was een belangrijk centrum
Vooral New York werd een enorme broedplaats. In Harlem, Brooklyn, The Bronx en andere wijken ontstonden tientallen en uiteindelijk honderden groepjes.
Een mooi voorbeeld zijn de Crows, die in 1951 begonnen als een typische street-cornergroep. Hun “Gee” uit 1953 wordt beschouwd als een van de belangrijke vroege rock-'n-roll/doowopplaten.
Ook groepen als:
The Cadillacs
The Five Satins
The Harptones
The Flamingos
The Cleftones
The Jive Five
The Earls
The Capris
The Willows
The Channels
The Chords
The Teenagers
zijn sterk verbonden met die street-cornertraditie.
🎵 Van straathoek naar grammofoonplaat
Het bijzondere is dat veel van deze jongens aanvankelijk helemaal niet dachten aan een professionele muziekcarrière. Ze zongen gewoon met vrienden.
Sommige groepen werden vervolgens ontdekt tijdens talentenjachten, in clubs of door platenproducenten. De Crows werden bijvoorbeeld ontdekt tijdens een talentenjacht in het Apollo Theater.
Eenmaal in de studio werden de eenvoudige straatoptredens uitgebreid met piano, gitaar, drums, saxofoon en bas, maar de stemmen bleven centraal staan.
💿 Een prachtige serie: Street Corner Symphonies
Er bestaat bovendien een zeer interessante cd-serie die precies dit verhaal documenteert: Street Corner Symphonies: The Complete Story of Doo Wop van Bear Family Records.
Deze serie bestaat uit 15 delen, chronologisch opgebouwd. De eerste delen beginnen al in de periode vóór de klassieke doowop en lopen vervolgens door de jaren vijftig heen.
Bijvoorbeeld:
Vol. 1 – 1939–1949
Vol. 2 – 1950
Vol. 3 – 1951
Vol. 4 – 1952
Vol. 5 – 1953
Vol. 6 – 1954
Vol. 7 – 1955
Vol. 8 – 1956
Vol. 9 – 1957
De serie laat daardoor heel mooi horen hoe de muziek zich ontwikkelde van vroege R&B-vocal harmony naar de klassieke doowop van 1955–1959.


The Cap-Tans
The Cap-Tans
The Cap-Tans waren een belangrijke, maar tegenwoordig wat ondergewaardeerde Amerikaanse zanggroep uit Washington D.C. Ze ontstonden in 1948 en worden gerekend tot de vroege R&B- en doowopgeschiedenis. Hun muziek bevindt zich precies in de overgang van de traditionele vocal-groupstijl naar de doowop van de jaren vijftig.
🎙️ De bezetting
Een belangrijke bezetting rond 1949-1950 bestond uit:
Alfred "Buddy" Slaughter – tenor
Floyd Bennett – tenor
Harmon Bethea – tenor/bariton/bas
Sherman Buckner – tenor
Lester Fountain – bariton en gitaar
Een foto uit 1950 bevestigt deze bezetting.
Vooral Harmon Bethea werd later een belangrijke figuur. Hij was een songwriter, zanger en bandleider die tientallen jaren actief bleef in de Washingtonse muziekscene.
🎵 "I'm So Crazy for Love"
Hun bekendste vroege plaat is zonder twijfel "I'm So Crazy for Love", uitgebracht in 1950.
Het nummer deed het regionaal bijzonder goed: volgens bronnen werden er in de eerste week ongeveer 15.000 exemplaren verkocht. Het nummer kreeg echter concurrentie van covers van onder andere The Ravens, waardoor de Cap-Tans zelf geen nationale hit scoorden.
Juist daarom zijn de originele Cap-Tans-opnamen interessant voor doowopverzamelaars: je hoort hier een vroege vorm van de harmonische zang die enkele jaren later volledig zou doorbreken.
💿 Andere belangrijke nummers
Interessante Cap-Tans-opnamen zijn onder meer:
I'm So Crazy for Love
Crazy About My Honey Dip
Chief, Turn the Horse on Me
Goodnight Mother
Let's Put Our Cards on the Table
Coo-Coo Jug-Jug (That's the Sound of the Birds)
You'll Always Be My Sweetheart
"Goodnight Mother"/"Let's Put Our Cards On The Table" verscheen bijvoorbeeld op DC Records 8064 in 1949.
"Crazy About My Honey Dip" werd opgenomen voor Dot Records in 1950.
⭐ Bijzonder: nummers werden door andere groepen overgenomen
Dit maakt The Cap-Tans extra interessant.
Hun nummer "I'm So Crazy for Love" werd later opgenomen door onder andere The Ravens. Ook "Chief, Turn the Horse on Me" kreeg een tweede leven toen The Crows het in 1953 opnamen onder de titel "Call the Doctor".
De Cap-Tans waren dus niet noodzakelijk een hitgroep, maar hun materiaal had wel invloed op andere vocal groups.
📻 Washington D.C. als doowopstad
The Cap-Tans waren onderdeel van een bijzonder rijke muziekscene in Washington D.C. In de jaren veertig en vijftig ontstonden daar enorm veel vocal groups. De stad had honderden groepen die zich bezighielden met harmony singing, gospel, R&B en uiteindelijk doowop.
De Cap-Tans traden onder andere op in het beroemde Howard Theatre en in verschillende clubs in Washington. Ze waren dus vooral als livegroep zeer bekend in de regio.
🎭 Harmon Bethea en de Mask Man
Het verhaal wordt daarna nog interessanter.
Na het uiteenvallen van de oorspronkelijke Cap-Tans in 1953 kwam Harmon Bethea later terug met een nieuwe versie van de groep, onder de naam L' Cap-Tans. In de jaren zestig veranderde het concept opnieuw.
Bethea werd toen "The Mask Man" en zijn begeleidingsgroep werd The Agents. Hij gebruikte een masker en een humoristische podiumpresentatie, geïnspireerd door de populaire spionage- en James Bond-rage van die tijd.
Als The Mask Man and the Agents kreeg Bethea uiteindelijk wél nationale bekendheid. Hun nummer "One Eye Open" werd zijn eerste echte hit.
🕰️ Een lange geschiedenis
De geschiedenis van de groep loopt daardoor veel verder dan alleen de klassieke doowopperiode:
1948 – ontstaan als The Buddies
↓
1948/49 – The Cap-Tans
↓
1949-1951 – belangrijkste vroege opnamen
↓
1953 – oorspronkelijke groep valt uiteen
↓
1958 – Bethea brengt de groep opnieuw samen als L' Cap-Tans
↓
jaren 60 – overgang naar The Mask Man and the Agents
↓
1968 – nationale hits met het Mask Man/Agents-concept
↓
1978 – einde van de lange groepsgeschiedenis.
💿 Voor de doowopverzamelaar
The Cap-Tans zijn vooral interessant als je houdt van vroege, rauwe vocal-group R&B. Ze klinken niet altijd zoals de latere, gepolijste doowopgroepen uit New York of Philadelphia. Hun platen laten juist mooi horen hoe de stijl zich rond 1949-1951 ontwikkelde.
Hun muziek is bovendien terug te vinden op verschillende verzamelalbums, waaronder Street Corner Symphonies: The Complete Story of Doo Wop en diverse doowop- en R&B-compilaties.
The Cardinals
The Cardinals – een prachtige Baltimore-doowopgroep
The Cardinals waren een Amerikaanse R&B- en doowopgroep uit Baltimore, Maryland, die vooral actief was in de jaren vijftig. Ze werden in 1946 opgericht en behoren daarmee tot de vroege generatie vocal groups die de basis legden voor de latere doowop.
Wat The Cardinals bijzonder maakt, is hun romantische, vaak langzaam gezongen balladstijl. Hun harmonieën zijn heel strak, met een diepe bas, een prominente leadzanger en soms een subtiele saxofoon of gitaar op de achtergrond.
🎤 De belangrijkste bezetting
Een klassieke bezetting bestond onder andere uit:
Ernie Warren – leadzanger
Meredith Brothers – tenor
Jack Sam Aydelotte – tenor
Donald Johnson – bariton
Leon "Tree Top" Hardy – bas
Er waren in de loop van de jaren verschillende wijzigingen in de bezetting. Warren was de belangrijkste leadzanger en een bepalende stem van de groep.
🎵 Atlantic Records
The Cardinals werden in 1951 door Atlantic Records vastgelegd. Tussen 1951 en 1957 namen ze 36 nummers op; daarvan verschenen 24 nummers op twaalf singles.
Enkele belangrijke opnamen zijn:
"Shouldn't I Know" (1951)
"Pretty Baby Blues" (1951)
"Wheel of Fortune" (1952)
"Lovie Darling" (1953)
"You Are My Only Love" (1953)
"Under a Blanket of Blue" (1954)
"The Door Is Still Open" (1955)
"Come Back My Love" (1955)
"Lovely Girl" (1955)
"Off Shore" (1956)
"The End of the Story" (1956)
"One Love" (1957)
⭐ "The Door Is Still Open"
Hun bekendste nummer is waarschijnlijk "The Door Is Still Open", geschreven door Chuck Willis. De opname uit 1955 groeide uit tot hun grootste succes en bereikte de top van de R&B-hitlijsten.
Het is een schoolvoorbeeld van de vroege romantische doowop-ballad: een emotionele leadzang, donkere bas-harmonieën en een zeer verzorgde achtergrondzang.
Ook "Come Back My Love" is een geweldige plaat als je van klassieke doowop houdt. Het nummer is wat vlotter en laat goed horen dat The Cardinals niet uitsluitend ballads maakten.
🎶 Hun plaats binnen de doowop
The Cardinals worden soms overschaduwd door bekendere groepen zoals The Orioles, The Clovers, The Drifters en The Five Keys, maar voor liefhebbers van vroege vocal-group R&B zijn ze zeer belangrijk.
Hun geluid ligt dicht bij dat van de Baltimore-school van de doowop: veel aandacht voor zangharmonie, romantische teksten en een sterk gevoel voor melodie. Ze waren bovendien al actief vóór de grote doowop-explosie van 1954–1956.
💿 Voor verzamelaars
Er zijn verschillende verzamelalbums verschenen. Een interessante uitgave is The Door Is Still Open, met tien belangrijke nummers. Daarnaast verscheen Their Complete Recordings, en er zijn compilaties met de volledige A- en B-kanten van hun Atlantic-periode.
The Cardinals zijn daarmee een mooie groep om te ontdekken als je houdt van langzame, romantische street-corner harmony naast de meer uptempo doowop.


The Casinos
The Casinos – een bijzondere doowopgroep uit Cincinnati
The Casinos waren een Amerikaanse doo-wop- en vocal-group uit Cincinnati, Ohio, opgericht rond 1958. De groep werd geleid door zanger Gene Hughes en bestond in verschillende periodes uit meerdere zangers en muzikanten.
Hoewel The Casinos uit de doowoptraditie kwamen, werden ze vooral beroemd met een plaat die pas in 1967 een grote hit werd. Daarmee waren ze eigenlijk een beetje een late doowop-sensatie.
🎵 Hun grote klassieker: Then You Can Tell Me Goodbye
Het nummer dat iedereen met The Casinos associeert is "Then You Can Tell Me Goodbye". Het werd geschreven door John D. Loudermilk en was oorspronkelijk geen doowopnummer: Don Cherry had het al in 1962 opgenomen als country-song. The Casinos maakten er hun eigen romantische vocal-groupversie van.
De single verscheen eind 1966 op Fraternity Records en werd in 1967 een enorme hit:
🇺🇸 #6 Billboard Hot 100
🇬🇧 #28 in Groot-Brittannië
🇨🇦 #4 in Canada
Het was hun enige Amerikaanse Top 40-hit.
De plaat heeft een prachtige, langzame 12/8-shuffle, met romantische samenzang en een opvallende orgelpartij. Daardoor klinkt hij als een combinatie van klassieke doowop, popballad en vroege blue-eyed soul.
🎙️ De stem van Gene Hughes
Gene Hughes was de belangrijkste zanger en het gezicht van de groep. Tijdens de geschiedenis van The Casinos wisselde de bezetting regelmatig. Ken Brady nam bijvoorbeeld tussen 1962 en 1965 de leadzang over van Hughes. Daarna keerde Hughes terug.
Tot de bekende leden behoorden onder anderen Bob Armstrong, Ray White, Pete Bolton en Mickey Denton. De groep groeide uiteindelijk uit tot een grotere showband met ook instrumentale begeleiding.
⭐ Waarom zijn The Casinos interessant voor doowopliefhebbers?
The Casinos zijn interessant omdat ze laten zien dat de klassieke streetcorner-doowop nog niet helemaal verdwenen was toen de muziekindustrie al sterk veranderde.
Hun stijl bevat:
close-harmony zang
romantische teksten
leadzang met ondersteunende achtergrondstemmen
orgel en gitaar
R&B-invloeden
een duidelijke overgang naar pop en soul
Volgens AllMusic waren ze eigenlijk een soort muzikale anachronisme: hun grote hit uit 1967 had een geluid dat sterk terugging naar de vroege jaren zestig.
💿 Andere nummers
Naast hun grote hit namen The Casinos verschillende andere singles op. Een opvolger was "It's All Over", geschreven door Don Everly. Die plaat kwam in 1967 tot nummer 65 in de Amerikaanse hitlijst.
Ook interessant zijn bijvoorbeeld:
Do You Recall
The Swim
I Still Love You
The Angels Are All Asleep
It's All Over
Hun vroege Do You Recall verscheen al in 1962 en werd later opnieuw uitgebracht op regionale labels.
🎶 Een leuke bijzonderheid
Het verhaal achter Then You Can Tell Me Goodbye is behoorlijk toevallig. The Casinos speelden het nummer al in hun clubprogramma. Tijdens een studiosessie in Cincinnati kregen ze de gelegenheid om het nummer op te nemen. Het werd uiteindelijk precies de plaat waarmee ze nationaal doorbraken.
En het nummer kreeg daarna nog een lang leven: Eddy Arnold maakte er in 1968 een nummer-1 countryhit van, en later namen onder anderen andere artiesten het opnieuw op.
Kort gezegd: The Casinos zijn een uitstekende groep om te beluisteren als je houdt van de overgang van klassieke doowop → vocal-group pop → blue-eyed soul. Hun Then You Can Tell Me Goodbye is zonder twijfel een van de mooiste late doowopachtige ballads uit de jaren zestig.
The Cavaliers
The Cavaliers waren de oorspronkelijke naam van de bekende Philadelphia-doowopgroep die later verderging als The Sensations.
🎙️ The Cavaliers → The Sensations
De groep werd in 1954 in Philadelphia, Pennsylvania opgericht onder de naam The Cavaliers. Het was een bijzondere bezetting voor die tijd: een vrouwelijke leadzangeres, Yvonne Mills, samen met mannelijke achtergrondzangers. De oorspronkelijke groep bestond onder meer uit Yvonne Mills, Tommy Wicks en bassist Alphonso Howell.
Toen de groep in 1955 bij Atco Records tekende, werd de naam veranderd in The Sensations. Volgens Bear Family was het bassist Alphonso Howell die de naam The Sensations bedacht, omdat The Cavaliers minder goed paste bij een groep waarin een vrouw de hoofdrol zong.
⭐ Yvonne Mills – de opvallende lead
Yvonne Mills, later bekend als Yvonne Baker, was het gezicht en de belangrijkste stem van de groep. Een vrouwelijke leadzangeres met een verder grotendeels mannelijke doowopgroep was in het midden van de jaren vijftig tamelijk ongewoon.
Dat gaf The Sensations een herkenbaar geluid: romantische doowop-harmonieën, maar met een vrouwelijke lead die een heel andere sfeer bracht dan bijvoorbeeld The Cadillacs of The Spaniels.
💿 De eerste successen
Bij Atco verschenen in 1955 en 1956 enkele belangrijke singles:
Yes Sir, That's My Baby – 1955
Please Mr. Disc Jockey – 1956
Ain't He Sweet – 1956
My Heart Cries for You
Cry Baby Cry
Yes Sir, That's My Baby werd een Top 15 R&B-hit en bereikte nummer 15. Please Mr. Disc Jockey kwam tot nummer 13 op de R&B-hitlijst.
Voor doowopliefhebbers zijn vooral Yes Sir, That's My Baby en Please Mr. Disc Jockey interessant omdat ze goed laten horen hoe de groep in de jaren vijftig klonk.
🎵 Het bijzondere aan hun repertoire
The Sensations waren niet uitsluitend een groep die nieuwe doowopcomposities zong. Ze namen ook oudere populaire liedjes en gaven die een R&B/doowop-behandeling.
Een mooi voorbeeld is Yes Sir, That's My Baby, oorspronkelijk een nummer uit 1925, dat de groep omvormde tot een moderne rhythm-and-bluesplaat.
Dat was typisch voor veel vroege doowopgroepen: oude standards werden gecombineerd met close harmony, basstemmen, ritmische begeleiding en een nieuwe jeugdige uitstraling.
⏳ Eerste periode: 1955–1958
De eerste periode duurde ongeveer tot 1958. Na verschillende singles viel de groep uiteen. Yvonne Mills trouwde met Frank Baker en trok zich tijdelijk terug uit de muziek om een gezin te stichten.
Daarmee leek het verhaal van The Sensations voorbij.
Maar dat was niet zo.
🔥 Comeback in 1961
In 1961 overtuigde bassist Alphonso Howell Yvonne Baker om de groep opnieuw te formeren. Er kwamen nieuwe leden bij, waaronder Richard Curtain en Sam Armstrong.
De nieuwe Sensations gingen opnemen voor Argo, een dochterlabel van Chess Records.
Ze maakten daar eerst Music, Music, Music, dat nummer 12 op de R&B-lijst en nummer 54 op de Billboard Hot 100 bereikte.
🚪 Hun grote klapper: Let Me In
En toen kwam hun bekendste plaat:
The Sensations – “Let Me In” (1961/1962)
Dit nummer is voor veel doowopverzamelaars de absolute klassieker van de groep. Yvonne Baker schreef het nummer zelf. Het heeft een veel energieker geluid dan hun vroege Atco-opnamen, met de karakteristieke vocale “whee-oos” en een stevige beat.
Het resultaat was enorm:
#2 R&B
#4 Billboard Hot 100
Daarmee was Let Me In zelfs een grotere hit dan hun platen uit de jaren vijftig.
📀 Waarom zijn The Cavaliers interessant voor een doowopverzamelaar?
Omdat je eigenlijk naar twee verschillende fases van dezelfde groep luistert:
Periode Naam/stijl Belangrijk
1954–1955 The Cavaliers Begin in Philadelphia
1955–1958 The Sensations – Atco Klassieke jaren-50 doowop/R&B
1961–1963 The Sensations – Argo/Junior Moderner R&B/soulachtig geluid
1961–62 Yvonne Baker & The Sensations Grote hit Let Me In
Hun discografie is daardoor ook interessant als overgang van klassieke streetcorner-doowop naar vroege soul. AllMusic classificeert de groep dan ook niet alleen als doowop, maar eveneens als early R&B en soul.


Jimmy Castor
Jimmy Castor – van doo-wop naar funk
Jimmy Castor (1940–2012) was een bijzonder veelzijdige Amerikaanse zanger, saxofonist, songwriter en bandleider. Hij werd later beroemd als leider van The Jimmy Castor Bunch, maar zijn muzikale carrière begon al midden jaren vijftig met doo-wop.
🎙️ Zijn doo-wopperiode
Castor groeide op in New York en raakte als tiener sterk beïnvloed door Frankie Lymon & the Teenagers. Hij richtte Jimmy Castor and the Juniors op. In 1956 namen zij zijn compositie “I Promise to Remember” op. Het nummer werd vervolgens ook door Frankie Lymon & the Teenagers opgenomen en een hit.
In 1957 kwam Castor bovendien bij The Teenagers terecht, als opvolger van Frankie Lymon. Rond 1960 verschoof zijn aandacht steeds meer naar de saxofoon en instrumentale R&B, soul-jazz en Afro-Cubaanse muziek.
🎷 “Hey Leroy”
In 1966 scoorde Castor als soloartiest een opvallende hit met:
“Hey Leroy, Your Mama's Callin' You”
Het nummer combineerde R&B, soul en Latijnse invloeden en liet al horen dat Castor niet gemakkelijk in één muzikaal hokje was te plaatsen.
🔥 The Jimmy Castor Bunch
Rond 1970 richtte hij The Jimmy Castor Bunch op. Daarmee begon zijn beroemdste periode: een explosieve combinatie van funk, soul, humor, gesproken teksten, saxofoon en stevige grooves.
Het album It's Just Begun uit 1972 werd zijn belangrijkste plaat. Het bereikte nummer 27 op de Billboard 200 en nummer 11 op de R&B-albumlijst.
De grote klassieker was:
“Troglodyte (Cave Man)”
Deze single bereikte in 1972 nummer 6 in de Billboard Hot 100 en nummer 4 op de R&B-lijst. Het werd bovendien een gouden/miljoenverkopende plaat.
🕺 Andere bekende nummers
Een mooie kennismaking met Jimmy Castor is:
I Promise to Remember – zijn vroege doo-wopperiode
Hey Leroy, Your Mama's Callin' You – 1966
It's Just Begun – 1972
Troglodyte (Cave Man) – 1972
Luther the Anthropoid – humoristische funk
The Bertha Butt Boogie – grote funkhit uit 1975
Potential
King Kong
E-Man Boogie
The Everything Man
Zijn officiële biografie noemt hem niet voor niets “The Everything Man”: Castor zong, speelde saxofoon en percussie, schreef, arrangeerde en produceerde muziek.
🎧 Enorm belangrijk voor hiphop
Voor liefhebbers van oude soul, funk én hiphop is Jimmy Castor extra interessant. Vooral “It's Just Begun” en “Troglodyte” werden belangrijke bronnen voor sampling. Zijn muziek werd later gebruikt door talloze hiphopartiesten en producers.
Daarmee vormt Jimmy Castor eigenlijk een mooie muzikale brug van de New Yorkse doo-wop van de jaren 50 → soul en boogaloo van de jaren 60 → funk van de jaren 70 → hiphop en sampling van de jaren 80 en daarna.
Gene Chandler
Gene Chandler – de Duke of Earl
Gene Chandler is een belangrijke figuur uit de Amerikaanse doo-wop, rhythm-and-blues en soul. Hij werd vooral beroemd als “The Duke of Earl”, dankzij zijn enorme hit “Duke of Earl” uit 1962. Zijn echte naam was Eugene Drake Dixon.
🎤 De beginjaren
Gene Chandler werd geboren in Chicago en begon in de jaren vijftig met zingen. In 1957 werd hij leadzanger van de doo-wopgroep The Dukays, samen met onder anderen James Lowe, Shirley Jones, Earl Edwards en Ben Broyles.
The Dukays waren typisch voor de Chicago doo-wop-scene: meerdere stemmen, een sterke baspartij en ritmische vocale begeleiding. Chandler had een herkenbare tenor en groeide uit tot de belangrijkste zanger van de groep.
👑 Het verhaal achter “Duke of Earl”
Het bijzondere is dat “Duke of Earl” oorspronkelijk helemaal geen solonummer was. Het ontstond tijdens een repetitie van The Dukays. De groep deed vocale warming-ups met klanken als “doo-doo-doo”. Dat ontwikkelde zich uiteindelijk tot de beroemde zanglijn rond “Duke of Earl”.
Het nummer werd in 1961 opgenomen met The Dukays. Hun platenmaatschappij koos echter voor “Nite Owl” als single. De opname van “Duke of Earl” werd vervolgens bij Vee-Jay Records ondergebracht en uitgebracht met Eugene Dixon als soloartiest. Daarvoor werd zijn naam veranderd in Gene Chandler.
Het resultaat was enorm:
#1 Billboard Hot 100
#1 R&B
drie weken op nummer 1
15 weken in de Hot 100
een gouden plaat
later opgenomen in de Grammy Hall of Fame.
“Duke of Earl” werd bovendien door de Rock & Roll Hall of Fame opgenomen in de lijst “500 Songs That Shaped Rock and Roll.”
🎩 Het uiterlijk van de Duke
Chandler maakte van zijn hit ook een compleet personage. Hij trad op met cape, hoge hoed, wandelstok en soms een monocle en presenteerde zichzelf als een soort R&B-aristocraat: The Duke.
Dat maakte hem bijzonder herkenbaar in de vroege jaren zestig.
🎶 Meer dan alleen “Duke of Earl”
Hoewel veel mensen Gene Chandler uitsluitend kennen van “Duke of Earl”, had hij daarna nog een lange carrière. Hij werd een belangrijke vertegenwoordiger van de Chicago soul.
Belangrijke nummers zijn onder andere:
“Duke of Earl” – 1962
“Rainbow”
“Man's Temptation”
“Just Be True”
“Nothing Can Stop Me”
“I Fooled You This Time”
“To Be a Lover”
“Groovy Situation” – 1970
“Get Down” – 1978
“Does She Have a Friend?” – 1980
Vooral zijn samenwerking met Curtis Mayfield was belangrijk. Mayfield schreef verschillende nummers voor Chandler, terwijl producer Carl Davis een belangrijke rol speelde in zijn Chicago-soulperiode.
🕺 “Groovy Situation”
Een tweede nummer dat absoluut de moeite waard is voor liefhebbers van oude soul is “Groovy Situation” uit 1970. Daarmee bewees Chandler dat hij niet afhankelijk was van zijn oude doo-wop-hit.
Het nummer werd een grote pop- en soulhit en leverde Chandler bovendien de Producer of the Year Award van de National Association of Television and Radio Announcers op.
📻 Waarom Gene Chandler interessant is voor doo-wop-liefhebbers
Gene Chandler vormt eigenlijk een mooie brug tussen drie muziekwerelden:
doo-wop → Chicago R&B → soul
Zijn carrière begon met vocale harmonie in The Dukays, maar hij ontwikkelde zich vervolgens tot een volwassen soulzanger, producer en muziekondernemer. Later wist hij zelfs mee te gaan met de disco- en dancegerichte R&B van de jaren zeventig.
Daarom is Gene Chandler veel meer dan alleen de zanger van “Duke of Earl”. Hij behoort tot de artiesten die de overgang van de klassieke streetcorner doo-wop van de jaren vijftig naar de Chicago soul van de jaren zestig heel duidelijk laten horen.
Een interessant detail: “Duke of Earl” is dus eigenlijk een Dukays-plaat die als Gene Chandler-soloplaat een wereldhit werd. Dat maakt de geschiedenis van het nummer extra bijzonder.


The Channels
The Channels – een bijzondere doowopgroep uit New York
The Channels behoren tot de mooiste en invloedrijkste streetcorner-doowopgroepen uit New York. De groep werd in 1955 in Harlem, New York, opgericht en werd vooral bekend door de karakteristieke hoge leadstem van Earl Lewis en hun opvallende vijfstemmige harmonieën.
🎤 De klassieke bezetting
De bekendste bezetting bestond uit:
Earl Michael Lewis – leadzanger
Larry Hampden – eerste tenor
Billy Morris – tweede tenor
Edward Doulphin – bariton
Clifton Wright – bas
Lewis en Wright kwamen oorspronkelijk uit de groep The Lotharios en sloten zich aan bij Hampden, Morris en Doulphin. Daarmee ontstond de klassieke versie van The Channels.
⭐ Earl Lewis
Earl Lewis was bijzonder jong toen The Channels doorbraken. Hij was niet alleen de leadzanger, maar schreef ook een groot deel van het materiaal. Zijn hoge, bijna falsetto-achtige stem werd een belangrijk onderdeel van het geluid van de groep.
Een mooi voorbeeld is "The Closer You Are", dat Lewis schreef toen hij ongeveer 15 jaar oud was.
🎶 "The Closer You Are"
Hun bekendste nummer is zonder twijfel:
"The Closer You Are" – 1956
Het nummer verscheen op Whirlin' Disc, een label van platenondernemer Bobby Robinson. De plaat werd vooral aan de Amerikaanse oostkust enorm populair, maar door beperkte distributie bereikte hij geen grote nationale hitlijstpositie.
Juist daardoor zijn The Channels een typisch voorbeeld van een groep die veel belangrijker was voor de doowopscene dan de officiële hitlijsten doen vermoeden.
🎵 Het bijzondere geluid
The Channels hadden een eigen manier van arrangeren. Waar bij veel doowopgroepen de leadzanger direct de coupletten inzette en de rest van de groep vooral "oohs" en "aahs" zong, begonnen The Channels vaak met volledige vijfstemmige harmonie. Daarna kwam Earl Lewis als lead naar voren.
Dat geeft hun platen een heel herkenbaar Harlem/streetcorner-geluid: romantisch, melancholiek en tegelijkertijd heel krachtig.
Bear Family omschrijft hun vroege opnamen als bijzonder typerend voor de gepolijste streetcorner-ballads van Harlem.
💿 Belangrijke nummers
Als je The Channels beter wilt leren kennen, zou ik beginnen met:
The Closer You Are (1956)
Now You Know (1956)
The Gleam in Your Eye (1956)
Stars in the Sky (1956)
I Really Love You (1957)
What Do You Do (1957)
Flames in My Heart (1957)
My Lovin' Baby (1957)
That's My Desire (1957)
Altar of Love (1958)
Bye Bye Baby (1958)
My Love Will Never Die (1958)
Deze nummers verschenen onder meer op Whirlin' Disc, Gone en Fury.
📻 Waarom The Channels belangrijk zijn
The Channels waren vooral een scene-groep. Ze hadden geen lange reeks nationale Top 10-hits, maar in New York en aan de oostkust waren ze zeer populair. Ze worden in historische overzichten zelfs naast groepen als The Harptones genoemd als een van de grote East Coast-groepen die enorm populair konden zijn zonder grote landelijke verkoopsuccessen.
Hun muziek is daardoor vooral interessant voor liefhebbers van de echte streetcorner doowop: vijf jongens, harmonieën, romantische teksten en die typische rauwe maar toch zachte New Yorkse sfeer.
🎸 Invloed
"The Closer You Are" bleef lang na de jaren vijftig bekend onder doowopliefhebbers. Het nummer werd later zelfs opgenomen door Frank Zappa op zijn album Them or Us uit 1984.
The Channels bleven bovendien, met verschillende bezettingen, nog tientallen jaren actief. Volgens AllMusic liep hun geschiedenis uiteindelijk door tot 2011.
Kort gezegd: The Channels zijn een uitstekende groep om te leren kennen als je houdt van Harlem doowop, streetcorner harmony en romantische ballads. Vooral The Closer You Are, The Gleam in Your Eye en I Really Love You laten horen waarom Earl Lewis & The Channels zo geliefd zijn bij verzamelaars van 50s doowop.
The Chantels
The Chantels – pioniers van de vrouwelijke doowop
The Chantels waren een Amerikaanse vrouwelijke zanggroep uit The Bronx, New York, en behoren tot de belangrijkste pioniers van de vrouwelijke doowop. Ze ontstonden begin jaren 1950 en kregen in 1957 hun eerste platencontract. Hun grote doorbraak kwam met “Maybe”, een van de bekendste vrouwelijke doowopballads uit de jaren vijftig.
🎤 De oorspronkelijke bezetting
De originele Chantels bestonden uit:
Arlene Smith – leadzangeres
Lois Harris – hoge harmonie
Sonia Goring – tweede sopraan
Jackie Landry – alt
Rene Minus – lage alt/bas
De meisjes kenden elkaar al vanaf hun schooltijd en zongen samen in het koor van St. Anthony of Padua in de Bronx. Daar kregen ze ook een bijzondere muzikale basis: naast populaire muziek zongen ze gregoriaanse gezangen. Dat is waarschijnlijk mede verantwoordelijk voor de uitzonderlijk zuivere, bijna kerkelijke harmonieën van The Chantels.
⭐ “Maybe” – hun grote klassieker
Hun tweede single was “Maybe”, opgenomen in oktober 1957 en uitgebracht op End Records. Het nummer werd vooral beroemd door de dramatische leadzang van Arlene Smith en de zachte, bijna zwevende achtergrondharmonieën.
“Maybe” bereikte:
#2 op de R&B-hitlijst
#15 op de Amerikaanse poplijst
Het nummer groeide uit tot een absolute doowopklassieker en wordt vaak genoemd als een van de platen die de basis legden voor de latere girl-group sound.
De combinatie van een jonge vrouwelijke leadzangeres, diepe harmonieën en een emotionele ballad was in 1957 behoorlijk vernieuwend.
🎶 Andere belangrijke nummers
Naast “Maybe” zijn vooral deze nummers interessant voor liefhebbers van doowop:
“He's Gone” (1957)
“Every Night (I Pray)” (1958)
“I Love You So” (1958)
“Sure of Love”
“Look in My Eyes” (1961)
“Well, I Told You”
“Eternally” (1963)
“Every Night (I Pray)” en “I Love You So” werden eveneens gewaardeerd als klassieke voorbeelden van de vroege vrouwelijke doowopstijl.
💿 Richard Barrett
Een belangrijke persoon achter het succes was Richard Barrett, die zelf actief was in de doowopgroep The Valentines. Hij ontdekte The Chantels, hielp hen aan een contract bij End Records en produceerde hun vroege platen.
Bijzonder is dat Barrett de groep aanvankelijk zeer intensief liet repeteren. Daardoor waren de vocale harmonieën op de platen buitengewoon strak.
👧 Waarom The Chantels zo belangrijk waren
The Chantels waren belangrijk omdat vrouwelijke zanggroepen vóór hen nauwelijks dezelfde nationale aandacht kregen als mannelijke doowopgroepen. Samen met onder andere The Bobbettes hielpen zij vanaf 1957 de weg vrijmaken voor de grote girl-group-explosie van begin jaren zestig.
Je kunt hun stijl zien als een belangrijke schakel:
Gospel & kerkkoor → doowop → The Chantels → girl groups → soul/pop van de jaren 60
Hun harmonieën waren bovendien anders dan die van veel mannelijke streetcorner-groepen: verfijnder, hoger en vaak bijna klassiek van klank.
The Chantels werden later opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame; hun historische betekenis als vroege vrouwelijke R&B/doowopgroep is inmiddels breed erkend.


The Charms
The Charms – een belangrijke doo-wopgroep uit Cincinnati
Otis Williams and the Charms waren een Amerikaanse doo-wop- en rhythm-and-bluesgroep uit Cincinnati, Ohio. Ze ontstonden begin jaren 50 en werden vooral bekend door hun enorme hit “Hearts of Stone” uit 1954.
De groep bestond rond de succesvolle periode uit Otis Williams (lead), Donald Peak, Rolland Bradley, Joe Penn en Richard Parker. Let op: deze Otis Williams is niet dezelfde Otis Williams die later bekend werd als lid van The Temptations.
🎙️ “Hearts of Stone” – hun grote klassieker
Hun belangrijkste plaat is zonder twijfel “Hearts of Stone” uit 1954.
De Charms namen het nummer op voor DeLuxe Records. Het was oorspronkelijk geschreven en opgenomen door de R&B-groep The Jewels, maar juist de uitvoering van The Charms werd een enorme hit.
Het nummer bereikte:
🥇 nummer 1 op de R&B-hitlijst
ongeveer negen tot tien weken op nummer 1
nummer 15 op de Amerikaanse poplijst
het werd een van de herkenbare klassiekers uit de vroege doo-wopperiode.
Het bijzondere aan “Hearts of Stone” is de combinatie van krachtige leadzang, meerstemmige achtergrondzang en een stevige R&B-begeleiding. Daardoor klinkt het wat ruiger dan sommige van de meer romantische streetcorner-doowopgroepen.
🎵 Andere belangrijke nummers
Na “Hearts of Stone” hadden The Charms nog verschillende grote R&B-hits. Vooral deze zijn interessant:
“Ling, Ting, Tong” – 1955
“Two Hearts”
“Ivory Tower” – 1956
“United”
“That's Your Mistake”
“I'll Be True”
“Boom-Diddy-Boom-Boom”
“Heart of a Rose”
“Ling, Ting, Tong”, “Two Hearts”, “Ivory Tower” en “United” bereikten allemaal de Top 10 van de R&B-hitlijst in de periode 1955–1957.
💿 De stijl van The Charms
The Charms zitten muzikaal precies op het interessante kruispunt tussen doo-wop, vocal-group R&B en vroege rock-'n-roll.
Je hoort bij hen:
lead vocal → harmonieën → baspartij → ritmische R&B-begeleiding
Daardoor zijn ze voor liefhebbers van jaren-50 R&B, doo-wop en vroege rock-'n-roll een belangrijke groep.
Hun platen verschenen aanvankelijk op Rockin' Records en later vooral op DeLuxe, een label dat onderdeel was van de King Records-familie.
⭐ Waarom zijn The Charms belangrijk?
The Charms waren niet alleen een succesvolle doo-wopgroep; ze hielpen ook mee om zwarte vocal-group R&B naar een groter publiek te brengen. “Hearts of Stone” was daar het grote voorbeeld van. Het succes van de plaat leidde bovendien tot verschillende coverversies, onder andere van The Fontane Sisters en The Chordettes.
Er bestaat ook een uitgebreide verzameling “1953–1962 King/Deluxe Recordings”, waardoor je een goed beeld krijgt van de ontwikkeling van The Charms.
The Charts
The Charts waren een Amerikaanse doowopgroep uit Harlem, New York, die vooral bekend is geworden door het prachtige nummer “Deserie” uit 1957. Het is zo’n plaat die onder doowopverzamelaars een echte klassieker is.
🎙️ Het begin van The Charts
De groep ontstond in 1956 in Harlem onder de naam The Thrilltones. De leden waren toen nog tieners:
Joe Grier – leadzanger
Stephen Brown – eerste tenor
Glenmore Jackson – tweede tenor
Leroy Binns – bariton
Ross Buford – bas
Manager Les Cooper, zelf actief geweest in verschillende R&B-groepen, nam de groep onder zijn hoede en veranderde hun naam in The Charts.
⭐ “Deserie”
Hun belangrijkste opname was “Deserie”, uitgebracht in 1957 op Everlast Records. Het nummer is een mooi voorbeeld van de klassieke New Yorkse streetcorner-doowop: een romantische leadzang, omringd door zachte tenor- en bas-harmonieën.
Opvallend is dat “Deserie” tegenwoordig als een grote doowopklassieker wordt beschouwd, hoewel de plaat volgens verschillende bronnen geen nationale hitnotering haalde. Het was vooral een sterke lokale/East Coast-favoriet en groeide later uit tot een cultklassieker onder doowopfans.
De plaat verscheen als “Deserie / Zoop” op Everlast 5001.
💿 Andere platen
The Charts namen in hun korte oorspronkelijke periode meerdere singles op, waaronder:
Deserie / Zoop – 1957
Dance Girl / Why Do You Cry – 1957
You're the Reason / I've Been Wondering – 1958
All Because of Love / I Told You So – 1958
My Diane / Baby Be Mine – 1958
Hun discografie was dus niet groot, maar “Deserie” stak er duidelijk bovenuit.
🎷 Joe Grier en “Wiggle Wobble”
In 1958 ging Joe Grier in militaire dienst en viel de oorspronkelijke groep uiteen. Na zijn terugkeer speelde Grier saxofoon bij Les Cooper and the Soul Rockers. Daar speelde hij mee op “Wiggle Wobble”, een instrumentale hit uit 1962 die tot nummer 22 in de Amerikaanse poplijst en nummer 12 in de R&B-lijst kwam.
Dat is een mooi stukje geschiedenis: de voormalige leadzanger van een kleine Harlem-doowopgroep werd later saxofonist op een bekende R&B-hit.
🔄 Een tweede leven
Stephen Brown en Leroy Binns hielden de naam The Charts na het vertrek van Grier nog enige tijd in stand met nieuwe leden. In de jaren zestig werd “Deserie” opnieuw opgenomen als “Desiree”. Ook werd de groep later onderdeel van de doowop-revival en traden verschillende bezettingen nog jarenlang op.
“Deserie” kreeg bovendien een tweede leven doordat Laura Nyro het nummer in 1971 opnam als “Désiree” voor haar album Gonna Take a Miracle.
🎵 Waarom zijn The Charts interessant voor doowopliefhebbers?
The Charts zijn vooral interessant omdat ze precies die Harlem streetcorner-sound vertegenwoordigen die zo kenmerkend is voor de vroege doowop. Vijf jonge jongens die meerstemmig zingen, eenvoudige begeleiding en een sterke romantische melodie: dat is de essentie van de muziek.


The Checkers
The Checkers – een interessante vroege doowopgroep
The Checkers waren een Amerikaanse vocal group uit Harlem, New York, actief van ongeveer 1952 tot 1955. Hun muziek ligt precies op het kruispunt van vroege doo-wop, rhythm-and-blues en de eerste rock-'n-roll.
Ontstaan
De groep werd in 1952 gevormd rond Bill Brown, die daarvoor baszanger was bij Billy Ward and the Dominoes. Ook Charlie White kwam uit de Dominoes. De naam The Checkers werd mede gekozen om een soort tegenhanger van de Dominoes te vormen.
De oorspronkelijke bezetting bestond uit onder anderen:
Bill Brown – diepe bas en vaak leadzang
Charlie White – tenor/lead
John Carnegie – tenor/lead
Irwin "Teddy" Williams – tenor
James "Buddy" Brewer – bariton
De bezetting veranderde echter voortdurend. Daardoor klinkt het ene Checkers-plaatje soms behoorlijk anders dan het andere.
Hun platen
The Checkers namen vooral op voor King Records en het sublabel Federal. Hun eerste single verscheen in 1952:
"Flame in My Heart" / "Oh, Oh, Oh Baby"
Daarna volgden onder meer:
"Night's Curtains"
"My Prayer Tonight"
"Ghost of My Baby"
"I Promise You"
"White Cliffs of Dover"
"Without a Song"
"House With No Windows"
"Don't Stop Dan"
"Over the Rainbow"
"Mama's Daughter"
"Can't Find My Sadie"
In totaal werden ongeveer twee dozijn opnamen gemaakt tijdens hun oorspronkelijke periode.
"White Cliffs of Dover"
Een van de interessantste nummers is "White Cliffs of Dover" uit 1953. De Checkers maakten van het bekende oorlogslied een opvallende R&B/doowop-uitvoering. Little David Baughan is vooral bekend vanwege zijn falsetto in deze opname.
"House With No Windows"
Ook "House With No Windows" uit 1954 is belangrijk. Dit is een prachtige donkere doowopballad, met Baughan als leadzanger. Zijn stem deed sterk denken aan Clyde McPhatter, de beroemde leadzanger van de Dominoes en later The Drifters.
Waarom zijn The Checkers interessant?
The Checkers hadden nooit de grote landelijke doorbraak van bijvoorbeeld de Dominoes, maar voor liefhebbers van 50s doowop en vroege R&B zijn ze zeer interessant. Hun stijl combineerde:
diepe bas + krachtige tenor + gospelachtige harmonieën + R&B-ritmes + romantische ballads.
Sommige nummers zijn behoorlijk rauw en ritmisch, terwijl andere juist heel mooi en langzaam zijn. Dat maakt de groep typisch voor de overgangsperiode van gospel en R&B naar doowop en rock-'n-roll.
Een bijzonder detail
Na het uiteenvallen van de oorspronkelijke groep bleef King Records de naam The Checkers gebruiken. Daardoor verschenen later platen onder die naam die niet noodzakelijk door de oorspronkelijke Checkers waren opgenomen. Dit zorgt bij verzamelaars regelmatig voor verwarring.
Een mooie verzameling is Checkmate: The Complete King Recordings 1952–55 van Ace Records, met het complete oorspronkelijke King-materiaal.
The Chevrons
The Chevrons – New Yorkse doowop
The Chevrons waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Washington Heights, Manhattan, die vooral actief was rond 1958–1961. Ze zijn vooral bekend geworden met “Lullabye”, een sfeervolle doowopballad uit 1960.
De bezetting
De groep bestond uit vijf zangers:
Dennis Minogue – leadzanger, later bekend als Terry Cashman
John “Marty” Trautman – tenor/bariton en medeoprichter
Frank Williams – tenor
Gary Giordan – bariton
Al Conde – bas
Conde had eerder gezongen bij The Spirals, een andere groep uit Washington Heights.
“Lullabye” – hun bekendste plaat
Hun belangrijkste opname is “Lullabye”, uitgebracht in 1960 op het Brent-label van producer Bob Shad. De plaat werd een regionale hit en kreeg zoveel aandacht dat The Chevrons mochten optreden in Dick Clark's American Bandstand op 24 juni 1960.
“Lullabye” is typisch voor de meer romantische kant van de New Yorkse doowop: een leadzanger op de voorgrond, omringd door zachte harmonieën van de andere groepsleden.
Ook interessant is dat Mickey Baker, bekend van Mickey & Sylvia, betrokken was bij de arrangementen van materiaal van The Chevrons.
Andere opnamen
Tot hun bekende repertoire behoren onder andere:
Lullabye
That Comes With Love
Don't Be Heartless
Day After Forever
Little Darlin'
Little Star
Come Go With Me
I'm In Love Again
Hun vroege singles verschenen vooral op Brent, terwijl later materiaal via Time Records werd uitgebracht.
In 1961 verscheen het album Sing-A-Long Rock N' Roll, waarop ze 26 bekende rock-'n-rollnummers in een meezingformule uitvoerden, waaronder “Sh-Boom”, “Heartbreak Hotel”, “Little Star”, “Little Darlin'”, “Yakety Yak” en “Rock Around the Clock”.
Terry Cashman
Een bijzonder aspect van The Chevrons is hun leadzanger Dennis Minogue. Hij veranderde later zijn naam in Terry Cashman en bouwde vervolgens een lange carrière op als songwriter, producer en artiest.
Cashman werd later onder meer bekend door “Talkin' Baseball (Willie, Mickey and the Duke)”. Hij werkte bovendien samen met Gene Pistilli en Tommy West en was betrokken bij producties van onder andere Jim Croce.
Een korte comeback
De Chevrons kwamen in 1988/1989 nog eenmaal bij elkaar voor een optreden in het radioprogramma Doo-Wop Shop van Don K. Reed op WCBS-FM in New York. Hun muziek bleef daarna onder verzamelaars populair. “Lullabye” en “Don't Be Heartless” verschenen bijvoorbeeld op de compilatie Wop Ding A Ling: Classic New York Doo Wop From Time, Brent & Shad uit 1999.
Waarom zijn The Chevrons interessant voor doowopliefhebbers?
The Chevrons zijn vooral interessant omdat ze precies uit de late gouden periode van de New Yorkse doowop komen. Ze waren geen groep met tientallen grote nationale hits, maar hun platen laten goed horen hoe belangrijk de kleine labels Brent en Time waren voor de enorme hoeveelheid vocale groepen die eind jaren vijftig in New York actief waren.


The Chiffons
The Chiffons – een belangrijke meidengroep uit de doowop
The Chiffons waren een Amerikaanse meidengroep uit The Bronx, New York, die vooral bekend werd in de overgang van de klassieke doowop naar de vroege girl-group pop van de jaren zestig. Hun muziek combineerde vierstemmige zang, R&B, doowop-harmonieën en de nieuwe Brill Building-pop.
🎤 Het begin
De groep ontstond rond 1960 op de James Monroe High School in The Bronx. De oorspronkelijke drie waren:
Judy Craig – leadzang
Patricia Bennett
Barbara Lee
In 1962 kwam Sylvia Peterson erbij. Peterson had al ervaring opgedaan bij Little Jimmy & the Tops, waardoor de groep een sterkere vierstemmige sound kreeg.
De songwriter en manager Ronnie Mack speelde een cruciale rol. Hij hoorde de meisjes zingen en zag mogelijkheden voor hen als professionele groep.
⭐ "He's So Fine"
Hun grote doorbraak kwam met "He's So Fine", geschreven door Ronnie Mack en geproduceerd door leden van The Tokens. De single verscheen eind 1962/begin 1963 op Laurie Records en werd in 1963 een enorme Amerikaanse nummer 1-hit. Er werden meer dan een miljoen exemplaren verkocht.
Het meest herkenbare onderdeel is natuurlijk:
"Doo-lang, doo-lang, doo-lang..."
Dat is een prachtig voorbeeld van hoe de vocale onzinlettergrepen uit de klassieke doowop werden aangepast aan de nieuwe vrouwelijke girl-group sound.
🎶 Belangrijke nummers
Voor liefhebbers van doowop en oude Amerikaanse vocal groups zijn vooral deze Chiffons-opnamen interessant:
Jaar Nummer Opmerking
1963 He's So Fine 🇺🇸 #1-hit
1963 One Fine Day Goffin & King-klassieker
1963 A Love So Fine Sterke uptempo girl-group plaat
1963 I Have a Boyfriend Mooie mix van R&B en doowop
1964 My Block Uitgebracht als The Four Pennies
1966 Sweet Talkin' Guy Grote comeback-hit
1966 Nobody Knows What's Goin' On in My Mind But Me Meer psychedelische sfeer
Vooral "I Have a Boyfriend" wordt door kenners vaak gezien als een van hun mooiste opnamen: een combinatie van vroege jaren-60-R&B, doowop en de invloed van groepen als The Ronettes.
💿 The Four Pennies
Een leuk detail voor verzamelaars: de Chiffons namen in 1963 ook enkele singles op onder de naam The Four Pennies. Dat was in feite een alternatieve naam voor dezelfde groep.
Voor iemand die veel in oude doowop-platen zoekt, is dit dus een naam om goed in de gaten te houden: een plaat van The Four Pennies kan eigenlijk een Chiffons-opname zijn.
🎸 De beroemde zaak rond "My Sweet Lord"
"He's So Fine" kreeg jaren later opnieuw grote bekendheid door George Harrison. Zijn nummer "My Sweet Lord" uit 1970 vertoonde sterke overeenkomsten met "He's So Fine".
De uitgever van "He's So Fine" stelde Harrison aansprakelijk. In 1976 werd geoordeeld dat er sprake was van onbewust plagiaat (subconscious plagiarism).
🇬🇧 Ook in Engeland populair
Interessant is dat de Chiffons in de jaren zestig vooral als Amerikaanse girl-group bekend waren, maar dat "Sweet Talkin' Guy" in 1972 opnieuw een grote hit in Groot-Brittannië werd. De plaat bereikte daar zelfs de Top 10.
🎧 Hoe klinkt hun muziek?
Als je de Chiffons naast echte jaren-50-doowopgroepen zoals The Flamingos, The Five Satins of The Channels zet, hoor je duidelijk dat ze een nieuwe generatie vocale muziek vertegenwoordigen.
Hun sound bestaat uit:
klassieke doowop-harmonieën → vrouwelijke girl-group zang → R&B → Brill Building pop → vroege soul/pop
Daarom zou ik The Chiffons niet uitsluitend als een traditionele doowopgroep omschrijven. Ze zijn vooral een belangrijke schakel tussen de vrouwelijke doowopgroepen van eind jaren 50 en de grote Amerikaanse girl groups van de jaren 60.
The Chimes
.Er is bij The Chimes wel een kleine valkuil: in de jaren 50 waren er meerdere Amerikaanse groepen die deze naam gebruikten. Voor de klassieke doowop is vooral de Brooklyn-groep rond Lenny Cocco bekend, maar er was óók een oudere groep uit Los Angeles die voor Specialty Records opnam.
The Chimes – Brooklyn
De bekendste The Chimes ontstonden rond 1957 in Brooklyn, New York onder leiding van zanger Lenny Cocco. De groep heette aanvankelijk zelfs The Capris, maar veranderde de naam omdat een andere groep uit de omgeving die naam al gebruikte.
De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Lenny Cocco – leadzang
Pat DePrisco – eerste tenor
Richard Mercado – tweede tenor
Joseph Croce – bariton
Pat McGuire – bas
Cocco was sterk beïnvloed door zijn vader, die professioneel accordeonist was. Daardoor had hij veel belangstelling voor oudere Amerikaanse standards. Dat werd uiteindelijk een belangrijk kenmerk van The Chimes: ze namen bekende nummers uit de jaren 30 en maakten daar typische doowop-arrangementen van.
⭐ "Once in a While"
Hun grote doorbraak kwam met "Once in a While". Het nummer was oorspronkelijk een bekende compositie uit 1937, onder meer verbonden met het orkest van Tommy Dorsey.
Cocco maakte er samen met de groep een langzaam, romantisch doowopnummer van. Ze oefenden het arrangement onder meer in een poolhal in Brooklyn. In 1960 namen ze een demo op, waarna de groep werd ontdekt door Andy Leonetti van TAG Records.
De single werd een grote hit:
The Chimes – "Once in a While" (1960)
→ #11 Billboard Hot 100 in januari 1961.
Dat is een behoorlijk indrukwekkende prestatie voor een lokale streetcorner-groep.
🎵 "I'm in the Mood for Love"
Ze herhaalden dat succes met een andere oude standard:
"I'm in the Mood for Love"
Ook dit nummer werd omgebouwd tot een romantische doowopballad. Het bereikte in 1961 nummer 38 van de Billboard Hot 100.
Andere opnamen uit deze periode waren onder meer "Let's Fall in Love", "Dream Girl", "Paradise" en "Only Love".
De stijl van The Chimes
The Chimes zijn interessant omdat ze niet uitsluitend het klassieke streetcorner-doowoprepertoire brachten. Hun specialiteit was juist het combineren van:
oude popstandards + close harmony + doowop + vroege R&B.
Daardoor kregen oude songs uit de jaren 30 een compleet nieuwe sfeer. Hun muziek is meestal romantisch, verzorgd en melodieus, met veel aandacht voor de leadzanger en de harmonieën erachter.
AllMusic omschrijft de groep als een Brooklynse doowop-quintet, met invloeden uit doowop, early R&B en rock-'n-roll.
Na "Once in a While"
Na hun successen bij TAG Records veranderde de groep verschillende keren van naam en platenmaatschappij. Vanaf 1962 verschenen opnamen onder de naam Lenny & the Chimes. Later kwamen ze bij onder andere Metro, Laurie en Vee-Jay terecht.
In 1964 brachten ze "Two Times" uit op Vee-Jay. Kort daarna viel de groep uiteen, mede door de veranderende muziekscene en de opkomst van de British Invasion.
Lenny Cocco bracht The Chimes later opnieuw bijeen. Vanaf de jaren 70 waren verschillende bezettingen actief in de doowop-revival, vaak onder de naam Lenny Cocco & the Chimes. Cocco bleef daarmee verbonden aan de groep tot zijn overlijden in 2015.
⚠️ Een andere The Chimes
Voor een doowopverzamelaar is dit belangrijk: er waren meerdere groepen met de naam The Chimes.
Een andere groep kwam uit Los Angeles en nam in 1955-1956 op voor Specialty Records. Deze groep had onder anderen Horace "Pookie" Wooten in de gelederen en maakte onder meer "Zindy Lou", "Tears on My Pillow", "Pretty Little Girl" en "Chop Chop".
Die L.A. Chimes zijn dus niet dezelfde groep als de bekende Brooklynse Chimes van Lenny Cocco.
"Once in a While" is absoluut de plaat die je moet kennen. Het is een mooi voorbeeld van hoe een oude Amerikaanse popstandard door een streetcorner-doowopgroep volledig opnieuw werd uitgevonden.


The Chips
The Chips – bijzondere doo-wop uit Brooklyn
The Chips waren een kortstondige Amerikaanse doo-wopgroep uit Brooklyn, New York, actief vanaf 1956. Ze zijn vooral bekend geworden door één zeer opvallende plaat: “Rubber Biscuit”.
🎙️ De bezetting
De groep bestond uit vijf jonge zangers:
Charles “Kinrod” Johnson – leadzang
Nathaniel “Butch/Lil John” Epps – bariton/falset
Paul Fulton – bas
Sammy Strain – eerste tenor
Shedrick “Bubbie” Lincoln – tweede tenor
De groep kwam uit de wijk Bedford-Stuyvesant in Brooklyn, een belangrijk centrum van de New Yorkse zwarte doo-wopscene.
⭐ “Rubber Biscuit”
Hun bekendste nummer is:
The Chips – “Rubber Biscuit” / “Oh My Darling” – Josie 803 (1956)
Het nummer werd op 3 augustus 1956 opgenomen in Belltone Studios in New York en verscheen in september van dat jaar op Josie Records.
“Rubber Biscuit” is geen typische romantische doo-wopballad. Het is juist een absurd, komisch en ritmisch novelty-nummer, met veel nonsensachtige zang, vocalisaties en een bijna gesproken/scattende stijl. Daardoor klinkt het behoorlijk anders dan bijvoorbeeld The Flamingos, The Moonglows of The Platters.
Interessant is dat Charles Johnson het nummer oorspronkelijk bedacht als reactie op de marsritmes die hij hoorde tijdens zijn verblijf op de Warwick School for Delinquent Teenagers.
🎸 Muzikanten op de opname
Hoewel The Chips vooral als vocale groep bekendstonden, waren er op de opname ook studiomuzikanten aanwezig, waaronder:
Mickey Baker – gitaar
King Curtis – saxofoon
Panama Francis – drums
Ernie Hayes – piano
Dat geeft “Rubber Biscuit” zijn stevige R&B-achtige ondersteuning.
📻 Geen grote hit, toch beroemd
“Rubber Biscuit” haalde geen landelijke hitlijst, maar werd wel een populaire plaat aan de Amerikaanse oostkust. De Chips konden daardoor optreden met groepen als The Dells, The Cadillacs en Bo Diddley.
De groep hield echter niet lang stand en viel eind 1957 uiteen.
⭐ Sammy Strain
Vooral Sammy Strain zou later een belangrijke carrière krijgen. Hij werd lid van Little Anthony & the Imperials en later van The O'Jays. Daarna keerde hij terug naar Little Anthony & the Imperials.
🎬 Een tweede leven dankzij films
Het bijzondere aan The Chips is dat “Rubber Biscuit” jaren later opnieuw bekend werd.
Martin Scorsese gebruikte het nummer in zijn film Mean Streets uit 1973.
Daarna namen The Blues Brothers het nummer in 1978 opnieuw op. Hun versie, met Dan Aykroyd als zanger, werd zelfs een Amerikaanse Top 40-hit en bereikte nummer 37 in de Billboard Hot 100.
Het originele nummer verscheen later ook in onder meer Cry-Baby uit 1990.
💿 Discografie
De kern van de oorspronkelijke Chips-discografie is opvallend klein:
Jaar Nummer Label
1956 Rubber Biscuit / Oh My Darling Josie 803
1961 Darling (I Need Your Love) / You're on My Mind wordt aan The Chips toegeschreven, maar de discografische toeschrijving is niet overal eenduidig
1980 Everyone's Laughing nieuwe/reünie-opname
AllMusic vermeldt dat Josie na de eerste plaat geen nieuwe opname van de oorspronkelijke groep uitbracht en dat de groep in 1980 kort opnieuw bij elkaar kwam.
Let op: er bestaat ook een andere groep die The Chips heette, uit Memphis. Die groep werd later bekend als The Astors en is dus niet dezelfde groep als de Brooklynse Chips van “Rubber Biscuit”.
🎶 Waarom zijn The Chips interessant voor doo-wopliefhebbers?
The Chips zijn vooral interessant omdat ze laten zien hoe breed doo-wop in de jaren vijftig was. Naast de bekende liefdesballads bestond er ook rauwe R&B, comedy, novelty en straatgerichte vocal harmony.
“Rubber Biscuit” is daarom een echte cultklassieker: geen grote hit in 1956, maar uiteindelijk veel bekender geworden dan men destijds waarschijnlijk had kunnen vermoeden. Dat het nummer later door The Blues Brothers werd opgenomen, heeft de oorspronkelijke Chips opnieuw onder de aandacht gebracht.
The Chordettes
The Chordettes
The Chordettes waren een Amerikaanse vrouwelijke zanggroep uit Sheboygan, Wisconsin, die vanaf 1946 actief was. Ze begonnen vooral met barbershop-harmonie en a-capellazang, maar ontwikkelden zich in de jaren vijftig tot een succesvolle groep op het snijvlak van traditional pop, doo-wop en vroege rock-'n-roll.
🎤 Het bijzondere geluid
De kracht van The Chordettes lag vooral in de zeer strakke vierstemmige harmonieën. In tegenstelling tot veel mannelijke doo-wopgroepen uit die tijd waren zij oorspronkelijk sterk beïnvloed door de barbershop-traditie. Hun zang was daardoor vaak heel helder, netjes gearrangeerd en bijna instrumentaal van karakter.
Toen rock-'n-roll en rhythm-and-blues populair werden, pasten ze hun stijl aan. Daardoor kregen sommige platen een duidelijker doo-wop- en rock-'n-rollgevoel, zonder hun kenmerkende harmonieën kwijt te raken.
⭐ De grote doorbraak: "Mr. Sandman"
Hun beroemdste plaat is natuurlijk "Mr. Sandman", opgenomen in 1954 en uitgebracht op Cadence Records.
De plaat werd in 1955 een enorme hit en stond zeven weken op nummer 1 in de Amerikaanse hitlijst. Er werden meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. Opvallend is de beroemde vocale opening met de herhaalde "bom, bom, bom, bom"-achtige harmonieën.
De opname werd geproduceerd en begeleid door Archie Bleyer, de oprichter van Cadence Records. Hij was bovendien de echtgenoot van Chordette Janet Ertel. Bleyer hield de instrumentale begeleiding relatief eenvoudig, zodat de stemmen van de vier vrouwen centraal bleven staan.
🍭 "Lollipop"
Een tweede klassieker is "Lollipop" uit 1958.
Het nummer was oorspronkelijk geschreven door Beverly Ross en Julius Dixson en eerst opgenomen door Ronald & Ruby. De versie van The Chordettes werd echter veel bekender en bereikte nummer 2 in de Amerikaanse hitlijst.
Bijzonder zijn de handklappen en vooral het beroemde "pop"-geluid, dat door een van de Chordettes met haar mond werd gemaakt. Daardoor kreeg het nummer een speels en onmiddellijk herkenbaar geluid.
📻 Andere belangrijke hits
The Chordettes hadden behoorlijk wat succes in de tweede helft van de jaren vijftig. Belangrijke nummers zijn onder andere:
Mr. Sandman – 1954/55 – #1
Eddie My Love – 1956 – #14
Born to Be with You – 1956 – #5
Lay Down Your Arms – 1956
Just Between You and Me – 1957 – #8
Lollipop – 1958 – #2
Zorro – 1958 – #17
Never on Sunday – 1961 – #13
Vooral "Eddie My Love" is interessant voor doo-wopverzamelaars, omdat het oorspronkelijk een nummer was van de vrouwelijke doo-wopgroep The Teen Queens. The Chordettes namen het nummer over en gaven er hun eigen, veel strakkere harmonische behandeling aan.
👩🎤 De bezetting
De oorspronkelijke bekende bezetting bestond uit:
Janet Ertel – bas
Carol Buschmann
Dorothy "Dottie" Schwartz
Jinny Osborn
In de loop der jaren veranderde de bezetting verschillende keren. Onder anderen Lynn Evans, Margie Needham en Nancy Overton maakten deel uit van de groep.
Lynn Evans was bijvoorbeeld een belangrijke leadzangeres op nummers als Mr. Sandman en Lollipop. Zij overleed in 2020 op 95-jarige leeftijd.
📺 Televisie en populariteit
De groep kreeg al vroeg landelijke bekendheid via Arthur Godfrey. Ze traden vervolgens op televisie op en waren vanaf 1954 ook te horen in het Robert Q. Lewis Show. Later verschenen ze meerdere keren in American Bandstand, waarmee ze een groot jong publiek bereikten.
Een bijzonder detail: in 1959 kwamen The Chordettes naar Nederland. Er bestaat een bekende foto waarop ze bij aankomst op het Amsterdamse Centraal Station worden begroet door een vrouw in Volendammer klederdracht met tulpen.
🎶 Waren The Chordettes echte doo-wop?
Ja, maar met een belangrijke kanttekening.
Ik zou The Chordettes omschrijven als een vrouwelijke vocal group die vanuit barbershop en traditional pop richting doo-wop en vroege rock-'n-roll schoof. Ze waren dus niet hetzelfde type groep als bijvoorbeeld The Spaniels, The Flamingos of The Chantels.
Hun muziek heeft vooral bij nummers als "Lollipop" en "Eddie My Love" duidelijke raakvlakken met doo-wop. Hun kenmerkende vierstemmige harmonieën en vocale arrangementen maken ze echter ook onderdeel van de bredere geschiedenis van de Amerikaanse vocal groups.
🏆 Hun betekenis voor de muziekgeschiedenis
The Chordettes zijn belangrijk omdat ze een brug vormden tussen:
barbershop → close harmony → traditional pop → doo-wop → rock-'n-roll/pop
Ze bewezen bovendien dat een vrouwelijke vocale groep in de jaren vijftig grote commerciële successen kon behalen. Hun combinatie van perfecte harmonie, korte pakkende nummers en een toegankelijk popgeluid werd later een belangrijke inspiratiebron voor de vele girl groups van de vroege jaren zestig.
De groep werd in 2001 opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame.


The Chords
The Chords – pioniers van de doowop
The Chords waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit de Bronx, New York, die vooral bekend werd door de klassieker “Sh-Boom (Life Could Be a Dream)” uit 1954. Het nummer behoort tot de belangrijkste vroege doowopplaten en was een van de eerste grote crossoverhits van een zwarte vocal group.
🎤 Ontstaan
The Chords ontstonden begin jaren vijftig in de Bronx. De groep bestond oorspronkelijk uit:
Carl Feaster – leadzang
Claude Feaster – zang
Jinny/Johnny Louis – zang
Billy Dawes – zang
Ricky Edwards – zang
Zoals bij veel doowopgroepen uit die periode zongen ze aanvankelijk op straat, in gangen en op straathoeken. Hun muziek draaide om meerstemmige harmonieën, baspartijen en de typische nonsenslettergrepen die later zo kenmerkend werden voor doowop.
⭐ “Sh-Boom (Life Could Be a Dream)”
Hun grote doorbraak kwam in 1954 met “Sh-Boom”, geschreven door James Keyes, Claude Feaster, Carl Feaster en William Edwards.
De plaat werd uitgebracht op het Cat Records-label en werd een enorme hit. De combinatie van:
Sh-boom, sh-boom…
met de romantische tekst, het vrolijke tempo en de vocale harmonieën maakte de plaat bijzonder toegankelijk.
Er verschenen datzelfde jaar ook andere versies van het nummer. Vooral de opname van The Crew-Cuts werd een enorme pophit bij het blanke publiek.
📻 Belangrijk voor de doorbraak van doowop
The Chords waren belangrijk omdat “Sh-Boom” liet zien dat een zwarte vocal group niet alleen succesvol kon zijn binnen de R&B-markt, maar ook een groot mainstreampubliek kon bereiken.
Daarmee vormden The Chords een belangrijke schakel tussen:
gospel → rhythm-and-blues → doowop → vroege rock-'n-roll
Hun stijl bevatte nog duidelijk de klassieke street-corner-sound, maar had tegelijkertijd een licht en commercieel karakter.
🎶 Andere nummers
Hoewel “Sh-Boom” veruit hun bekendste plaat is, namen The Chords meerdere singles op, waaronder:
“Little Maiden”
“Zippity-Zip”
“Could This Be Magic”
“Well, I’m Not Alone”
“Blue Moon”
Geen daarvan bereikte echter de historische impact van “Sh-Boom”.
🔄 Na “Sh-Boom”
Het enorme succes van “Sh-Boom” bleek moeilijk te herhalen. De groep bracht nog verschillende platen uit, maar wist geen tweede hit van vergelijkbare omvang te scoren.
Bovendien ontstond er verwarring rond de groepsnaam. Omdat er al andere groepen met vergelijkbare namen bestonden, veranderde de bezetting in de loop der jaren en traden verschillende voormalige leden later op onder andere namen.
💿 Waarom zijn The Chords zo belangrijk?
Voor verzamelaars van 50s doowop zijn The Chords absoluut een essentiële groep. “Sh-Boom” is tegenwoordig een van de platen die vrijwel iedere kennismaking met de vroege doowopgeschiedenis bevat.
De plaat is bovendien interessant omdat hij precies op het kruispunt zit van verschillende stijlen: R&B, vocal harmony, doowop en vroege rock-'n-roll.
The Classics
.🎙️ Ontstaan
The Classics begonnen in 1958 onder de naam The Perennials. De leden waren toen nog middelbare scholieren in Brooklyn. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Emil Stucchio – leadzang
Tony Victor – eerste tenor
Johnny Gambale – tweede tenor
Jamie Troy – bas/bariton
Twee leden hadden eerder gezongen bij een andere lokale groep, The Del-Rays. Ze traden op bij schoolfeesten, dansavonden en clubs in Brooklyn.
De naam The Classics ontstond min of meer toevallig. Tijdens een optreden vond de presentator de naam Perennials lastig uit te spreken en vroeg de jongens om een eenvoudiger naam. Zo werd de groep uiteindelijk aangekondigd als The Classics.
💿 Eerste platen
Manager Jim Gribble zag potentieel in de jonge groep en hielp hen aan een platencontract. In 1959 namen ze “Cinderella” op voor Dart Records. Het nummer werd begin 1960 net geen grote Top-100-hit, maar kreeg wel regionale aandacht.
Daarna volgden onder andere:
Cinderella
Angel Angela
Life Is But a Dream
Blue Moon
Till Then
P.S. I Love You
Wrap Your Troubles in Dreams
Hun repertoire bestond voor een belangrijk deel uit romantische ballads en oudere Amerikaanse standards. Dat onderscheidde hen enigszins van de ruigere streetcorner-groepen.
⭐ “Blue Moon”
Een bijzonder moment kwam met “Blue Moon”, waarbij Herb Lance de leadzang verzorgde en The Classics de achtergrondharmonieën zongen. De plaat bereikte in 1963 ongeveer nummer 50 in de Billboard Hot 100.
🌟 Hun grootste succes: “Till Then”
Hun absolute klassieker is “Till Then” uit 1963. De plaat verscheen op het Musicnote-label en werd hun grootste hit.
#20 Billboard Hot 100
#7 Adult Contemporary
Daarmee hadden The Classics een veel groter nationaal succes dan met hun eerdere singles.
“Till Then” is ook een mooi voorbeeld van de overgang van de klassieke jaren-50-doowop naar de meer gepolijste pop-vocal harmony van het begin van de jaren 60.
🎵 Hun typische geluid
The Classics waren geen typische rauwe streetcorner-doowopgroep zoals bijvoorbeeld The Channels of The Cadillacs.
Hun stijl was eerder:
doo-wop + close harmony + romantische popballad + oudere standards.
Vooral de combinatie van Stucchio's leadstem met de hoge tenoren en de diepe bas gaf de groep dat typische eind-jaren-50-geluid. AllMusic vergelijkt hun stijl onder andere met The Mystics en The Earls.
Een muziekhistorische bron noemt The Classics bovendien expliciet als een voorbeeld van de “white doo-wop”-golf die rond 1958 sterk opkwam, samen met groepen als The Capris, The Elegants en The Mystics.
📻 Waarom zijn ze belangrijk voor doowop?
The Classics zijn vooral interessant omdat ze precies op het scharnierpunt van twee tijdperken zaten:
1958–1960:
klassieke streetcorner- en high-school-doowop
⬇️
1961–1963:
meer gepolijste vocale pop
⬇️
1964:
Beatles, British Invasion en een sterk veranderend poplandschap.
Daardoor werd het steeds moeilijker voor traditionele vocale groepen om grote hits te blijven maken. The Classics gingen uiteindelijk in 1968 uit elkaar, hoewel de naam later opnieuw werd gebruikt voor optredens.
Let op: er zijn meerdere Amerikaanse groepen die The Classics heetten, waaronder groepen uit Californië en Oregon. Ook de latere Classics IV uit Jacksonville, Florida zijn een andere groep; die namen uiteindelijk “Classics IV” aan nadat de Brooklyn-groep bezwaar maakte tegen hun naam.


The Cleftones
The Cleftones – een belangrijke New Yorkse doowopgroep
The Cleftones waren een Amerikaanse doo-wop- en R&B-groep uit Jamaica, Queens, New York. Ze ontstonden in 1955 rond vijf vrienden van de Jamaica High School. De oorspronkelijke bezetting bestond uit Herb Cox, Charlie James, Berman Patterson, Warren Corbin en William “Buzzy” McClain.
Van The Silvertones naar The Cleftones
De groep heette aanvankelijk The Silvertones en zong vooral op lokale evenementen. Ze traden onder andere op bij een Joods vakantiekamp in Queens. Na verschillende afwijzingen door platenmaatschappijen kwamen ze terecht bij de invloedrijke producer en platenbaas George Goldner.
Goldner tekende de groep in 1955 voor zijn nieuwe label Gee Records en gaf ze de naam The Cleftones. Hun eerste single, “You Baby You”, werd bovendien de eerste release van de nieuwe Gee-serie en haalde de Amerikaanse poplijst.
🎵 “Little Girl of Mine”
De grote doorbraak kwam in 1956 met:
“Little Girl of Mine”
Dit is waarschijnlijk het nummer waarvoor doowopverzamelaars The Cleftones het meest waarderen. Het nummer bereikte nummer 8 op de R&B-hitlijst en nummer 57 op de poplijst. De combinatie van de hoge harmonieën, de krachtige leadzang van Herb Cox en de ritmische begeleiding maakte het een typisch voorbeeld van de energieke New Yorkse doowop uit die periode.
Andere belangrijke nummers uit deze periode waren:
You Baby You (1955)
Little Girl of Mine (1956)
Can't We Be Sweethearts (1956)
String Around My Heart (1956)
Why You Do Me Like You Do (1957)
See You Next Year (1957)
🎷 Een opvallend geluid
The Cleftones hadden een wat steviger geluid dan sommige meer romantische doowopgroepen. Hun vroege platen combineerden vocale harmonieën met een duidelijke rock-'n-roll/R&B-beat. Vooral de saxpartijen van Jimmy Wright droegen bij aan hun herkenbare sound. Bear Family omschrijft hun vroege singles als bijzonder vanwege Herb Cox' jonge leadstem, de enthousiaste harmonieën en de opvallende saxsolo's.
Dat maakt The Cleftones interessant voor liefhebbers van zowel klassieke doowop als vroege rock-'n-roll.
⭐ “Heart and Soul”
Na een aantal jaren waarin het succes minder werd, kwam er in 1961 een spectaculaire comeback.
De groep nam een doowopversie op van “Heart and Soul”, het bekende nummer van Hoagy Carmichael en Frank Loesser. Deze versie werd hun grootste pophit en bereikte nummer 18 in de Billboard Hot 100. Ook op de R&B-lijst kwam het nummer hoog terecht.
De bezetting was inmiddels veranderd. Gene Pearson kwam erbij en Patricia “Pat” Spann werd het eerste en enige vrouwelijke lid van The Cleftones.
“Heart and Soul” werd later opnieuw bekend doordat het nummer in films en andere producties werd gebruikt, waaronder American Graffiti.
Het einde van de oorspronkelijke groep
In de jaren zestig werd het steeds moeilijker voor traditionele doowopgroepen. De komst van de British Invasion – met onder meer The Beatles, The Rolling Stones en andere Britse groepen – veranderde de Amerikaanse popmuziek ingrijpend.
The Cleftones konden het succes van “Heart and Soul” niet meer evenaren. Ze brachten nog materiaal uit, waaronder “For Sentimental Reasons”, maar de groep viel uiteindelijk in 1964 uiteen.
Toch verdwenen The Cleftones niet helemaal. Er waren later verschillende reünies en revivaloptredens. Herb Cox bleef bovendien jarenlang verbonden aan de naam Cleftones.
Belangrijk voor doowopverzamelaars
Voor iemand die zich verdiept in de echte jaren-50 doowop zijn The Cleftones absoluut een groep om te kennen. Hun muziek vormt een mooie brug tussen:
street-corner harmony → R&B → rock-'n-roll → vroege pop
Hun belangrijkste nummers om te beluisteren zijn wat mij betreft:
Little Girl of Mine
You Baby You
Can't We Be Sweethearts
String Around My Heart
Why You Do Me Like You Do
See You Next Year
Heart and Soul
For Sentimental Reasons
Er bestaat ook een uitgebreide verzameling The Complete Releases 1955–1962, met 45 tracks en vrijwel de complete opnamegeschiedenis uit die periode.
Kort gezegd: The Cleftones horen bij de belangrijke New Yorkse doowopgroepen van de jaren 50. Vooral Little Girl of Mine is een echte klassieker uit de gouden periode van de doowop, terwijl Heart and Soul laat zien dat ze begin jaren 60 nog één keer een grote comeback konden maken.
The Clovers
.The Clovers zijn een heel belangrijke groep in de geschiedenis van de doo-wop en vroege rhythm-and-blues. Voor liefhebbers van 50s R&B en popcorn oldies zijn ze eigenlijk een onmisbare naam.
🎙️ The Clovers
The Clovers werden in 1946 in Washington D.C. opgericht, aanvankelijk door scholieren van Armstrong High School. Hun voorbeelden waren onder andere The Orioles en The Ravens. De groep ontwikkelde zich van een typische straat-/schoolgroep tot een van de succesvolste R&B-vocalgroepen van de vroege jaren vijftig.
Tot de belangrijke leden behoorden:
John "Buddy" Bailey – leadzanger
Harold Lucas – bariton
Matthew McQuater – tenor
Harold Winley – bas
Bill Harris – gitaar
Vooral de gitaar van Bill Harris was bijzonder: zijn blues- en jazzachtige spel gaf The Clovers een steviger R&B-karakter dan veel andere doo-wopgroepen.
⭐ Doorbraak bij Atlantic Records
In 1951 tekenden The Clovers bij Atlantic Records. Daarmee werden ze een van de eerste belangrijke artiesten van het nog jonge platenlabel. Hun eerste grote Atlantic-hit was "Don't You Know I Love You", geschreven door Atlantic-baas Ahmet Ertegun. Het nummer werd een Top 10 R&B-hit en bleef maanden op de R&B-hitlijst staan.
Daarna volgde een indrukwekkende reeks hits:
Jaar Nummer
1951 Don't You Know I Love You
1951 Fool, Fool, Fool
1952 One Mint Julep
1952 Ting-A-Ling
1952 Middle of the Night
1952 Lovey Dovey
1953 Good Lovin'
1954 Your Cash Ain't Nothin' But Trash
1955 Blue Velvet
1955 Devil or Angel
1956 Love, Love, Love
1959 Love Potion No. 9
De Vocal Group Hall of Fame noemt onder andere "Devil or Angel", "Don't You Know I Love You", "Fool, Fool, Fool", "One Mint Julep" en "Ting-A-Ling" als belangrijke nummers van de groep.
🎵 Hun stijl
The Clovers zijn interessant omdat ze niet alleen maar zachte doo-wop maakten.
Hun muziek zat precies op het kruispunt van:
Doo-wop → Rhythm & Blues → Rock-'n-roll
Ze combineerden:
meerstemmige zang
sterke baspartijen
bluesy gitaar
saxofoon
swingende ritmes
humoristische teksten
call-and-response
soms behoorlijk rauwe R&B
Daarom klinken sommige platen van The Clovers veel steviger dan bijvoorbeeld The Flamingos of The Penguins.
Hun vroege platen horen bij de roots van de rock-'n-roll. Rhino omschrijft hun combinatie van soepele harmonieën, energieke ritmes en de bluesy gitaar van Bill Harris als kenmerkend voor hun geluid.
💿 "One Mint Julep"
Een van hun grote vroege klassiekers is "One Mint Julep" uit 1952.
Het is een prachtig voorbeeld van hoe The Clovers doo-wop en R&B met elkaar vermengden. Het nummer heeft een veel steviger ritme dan de romantische ballads van veel andere vocal groups.
Het werd later ook door andere artiesten opgenomen en bleef daardoor een belangrijke R&B-standard.
😈 "Devil or Angel"
"Devil or Angel" uit 1956 is een andere grote klassieker.
Hier hoor je juist de meer romantische kant van The Clovers. De plaat werd later ook gecoverd door Bobby Vee. Hetzelfde gebeurde met "Blue Velvet", dat onder andere door Bobby Vinton werd opgenomen.
Dat soort covers had overigens ook een nadeel: blanke popartiesten konden met een aangepaste versie soms een groter publiek bereiken dan de oorspronkelijke zwarte R&B-artiesten.
🧪 "Love Potion No. 9"
En dan natuurlijk hun bekendste plaat:
"Love Potion No. 9" – 1959
Dit nummer werd geschreven door Jerry Leiber en Mike Stoller, het beroemde schrijversduo achter talloze R&B- en rock-'n-rollklassiekers.
The Clovers namen het nummer in 1959 op voor United Artists. Het bereikte nummer 23 op zowel de Amerikaanse pop- als R&B-hitlijst.
Het is een geweldig voorbeeld van de overgang van klassieke doo-wop/R&B naar de meer commerciële rock-'n-roll van het einde van de jaren vijftig.
Later werd het nummer vooral bekend door The Searchers, die er in 1964 een grote hit mee hadden.
📻 The Clovers en Alan Freed
The Clovers waren bovendien belangrijk voor de vroege rock-'n-rollcultuur. In 1954 traden ze op tijdens een van de vroege rock-'n-rollshows van radio-dj Alan Freed. Daarmee behoorden ze tot de eerste zwarte vocale groepen die nadrukkelijk als rock-'n-rollartiesten werden gepresenteerd.
🔄 Veel bezettingswisselingen
Net als bij veel doo-wopgroepen veranderde de bezetting regelmatig.
Buddy Bailey werd bijvoorbeeld tijdelijk vervangen toen hij in militaire dienst moest. Charlie White nam in 1952 de leadzang over en was te horen op onder andere "Good Lovin'", "Comin' On" en "Lovey Dovey". Later kwam Bailey weer terug.
In de jaren zestig ontstonden zelfs verschillende formaties die onder de naam The Clovers bleven optreden. Dat maakt de discografie soms behoorlijk ingewikkeld.
🏆 Hun betekenis
The Clovers horen absoluut bij de eerste generatie grote Amerikaanse doo-wop/R&B-groepen. Ze waren bovendien een van de belangrijkste vroege artiesten van Atlantic Records. Volgens AllMusic hadden ze tijdens hun eerste zes jaar bij Atlantic meer hits dan iedere andere R&B-act van het label in die periode.
Ze kregen later ook erkenning van de Vocal Group Hall of Fame en ontvingen in 1989 de Rhythm & Blues Foundation Pioneer Award.


The Collegians
The Collegians
The Collegians waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit New York, afkomstig uit de wijk Harlem. Ze zijn vooral bekend geworden door één bijzonder herkenbare plaat: “Zoom Zoom Zoom” uit 1958.
🎤 De groep
The Collegians ontstonden in het begin van de jaren vijftig in Sugar Hill, Harlem. Tot de bezetting worden onder andere genoemd:
Roger Hayes
Harlan Jackson
Vernon Riley
Henry Brown
William Tarkenton
Roger Hayes was eerder betrokken bij The Schoolboys en werd later lid van The Collegians.
De groep zong in de typische New Yorkse street-cornertraditie: meerdere stemmen die samen een ritmisch geheel vormen, met een duidelijke baspartij, leadzang en vocale antwoorden.
⭐ “Zoom Zoom Zoom”
Hun bekendste opname is “Zoom Zoom Zoom”, opgenomen voor Winley Records, het onafhankelijke label van producer Paul Winley. De plaat verscheen in 1958 en groeide uit tot een klassieker binnen de doo-wopwereld.
Wat het nummer zo bijzonder maakt, is de ritmische baszang en de bijna percussieve “zoom”-vocalen. Het nummer wordt vaak gerekend tot de zogenaamde “gang doo-wop”: een wat ruwer, stoerder type doo-wop waarbij de harmonieën minder glad klinken en de leadzanger meer swagger heeft.
🚀 Invloed op The Marcels
Een heel belangrijk stukje doo-wopgeschiedenis: The Marcels gebruikten later het opvallende vocale intro van “Zoom Zoom Zoom” als onderdeel van hun beroemde versie van “Blue Moon” uit 1961.
Daardoor heeft The Collegians-opname indirect een rol gespeeld in één van de bekendste doo-wophits aller tijden.
💿 Andere nummers
Naast “Zoom Zoom Zoom” namen The Collegians onder andere op:
Let's Go for a Ride
Heavenly Night
On Your Merry Way
Right Around the Corner
Oh I Need Your Love
Tonight Oh Tonight
Teenie Weenie Little Bit
Rockin' Time
Hun eerste single “Let's Go for a Ride / Heavenly Night” verscheen in 1957; “Zoom Zoom Zoom / On Your Merry Way” volgde in 1958.
In 1962 verscheen ook het album Sing Along With The Collegians.
📻 Waarom interessant voor liefhebbers van popcorn en doo-wop?
Voor iemand die zich verdiept in doo-wop, street-corner harmony en popcorn oldies zijn The Collegians zeker interessant. “Zoom Zoom Zoom” heeft namelijk precies die combinatie van:
vocale harmonie + ritme + baszang + een licht exotisch aandoend vocaal motief + 50s R&B.
Het is bovendien een mooi voorbeeld van de overgang van klassieke street-corner doo-wop naar de meer energieke rock-'n-rollachtige vocal-group sound van het einde van de jaren vijftig.
The Contours
The Contours
The Contours waren een Amerikaanse zanggroep uit Detroit, Michigan, die vooral bekend werd als één van de wildste en meest energieke groepen uit de beginperiode van Motown. Hun grote klassieker is natuurlijk “Do You Love Me (Now That I Can Dance)” uit 1962.
Het begin
De geschiedenis begint rond 1959, toen Joe Billingslea en Billy Gordon, afkomstig uit de groep The Majestics, een nieuwe zanggroep begonnen. Na verschillende bezettingswisselingen ontstond een kwintet met:
Joe Billingslea
Billy Gordon
Billy Hoggs
Hubert Johnson
Sylvester Potts
Aanvankelijk heetten ze The Blenders. Later veranderden ze hun naam in The Contours, mede geïnspireerd door de naam van een lokaal platen-/studiobedrijf.
Een bijzonder detail: Hubert Johnson was een neef van Jackie Wilson. Nadat een eerste auditie bij Berry Gordy niet direct succesvol was, hielp Jackie Wilson de groep aan een tweede kans bij Motown. Die tweede auditie leverde uiteindelijk een zevenjarig contract op.
De eerste platen
Hun eerste single voor Motown was “Whole Lotta Woman” / “Come On And Be Mine” in 1961. De plaat deed vrijwel niets in de hitlijsten. Ook de volgende single “The Stretch” / “Funny” werd geen succes.
De groep onderscheidde zich echter sterk op het podium. Waar veel Motown-groepen steeds netter en eleganter werden, waren The Contours juist ruig, wild en atletisch. Ze sprongen, dansten en maakten zelfs acrobatische bewegingen op het podium.
“Do You Love Me” – de grote doorbraak
In 1962 kwam het nummer dat hun naam voor altijd zou verbinden met de geschiedenis van Motown:
“Do You Love Me (Now That I Can Dance)”
Berry Gordy had het nummer oorspronkelijk bedoeld voor The Temptations, maar die waren op dat moment niet beschikbaar. The Contours kregen de kans om het nummer op te nemen. Het bleek een perfecte match voor de rauwe stem van Billy Gordon en de explosieve podiumstijl van de groep.
Het resultaat was enorm:
#1 R&B
#2 Billboard Hot 100
meer dan 1 miljoen verkochte exemplaren
eerste grote hit van het nieuwe Gordy-label
één van de vroegste grote Motown-successen.
Het nummer is daardoor een fantastische combinatie van R&B, vroege soul, rock-'n-roll en doowop-achtige vocale elementen.
Belangrijke nummers
Na “Do You Love Me” volgden onder andere:
Jaar Nummer Opmerking
1962 Do You Love Me De grote klassieker
1962 Shake Sherry R&B-hit
1964 Can You Do It Energieke dansplaat
1964 Can You Jerk Like Me Sterke dance/R&B-plaat
1965 First I Look at the Purse Geschreven door Smokey Robinson e.a.
1966 Just a Little Misunderstanding Een van hun bekendste latere singles
1967 It's So Hard Being a Loser Laatste hitperiode bij Motown
Veel bezettingswisselingen
The Contours hadden een nogal turbulente geschiedenis. De oorspronkelijke bezetting bleef niet lang intact. In 1964 ontstonden grote meningsverschillen met Motown over de carrière en optredens. Verschillende originele leden vertrokken, waardoor de groep vrijwel volledig werd vernieuwd.
Een interessante naam die later bij The Contours terechtkwam was Dennis Edwards. Hij zou later zeer bekend worden als lid van The Temptations.
De laatste Motown-single verscheen in 1967: “It's So Hard Being a Loser”. Rond 1968 eindigde de oorspronkelijke Motown-periode van de groep.
De enorme comeback dankzij Dirty Dancing
Het verhaal had echter nog een spectaculair vervolg.
In 1987/1988 werd “Do You Love Me” gebruikt in de film Dirty Dancing met Patrick Swayze en Jennifer Grey.
Een nieuwe generatie ontdekte daardoor The Contours. De single werd opnieuw uitgebracht en bereikte in 1988 opnieuw de Amerikaanse hitlijst, deze keer tot #11.
Dat is bijzonder: een plaat die in 1962 al een enorme hit was, kreeg 26 jaar later opnieuw een grote hitnotering.
De officiële geschiedenis van de groep vermeldt dat de hernieuwde belangstelling uiteindelijk tot miljoenen extra verkochte exemplaren van het nummer leidde.
Waarom zijn The Contours zo interessant voor doowop-liefhebbers?
Hoewel The Contours meestal worden ingedeeld bij Motown, R&B en soul, zijn hun vroegste opnamen duidelijk interessant voor liefhebbers van doowop en vocal groups.
Hun vroege werk heeft:
mannelijke meerstemmige zang;
call-and-response;
sterke bas- en achtergrondpartijen;
een rauwe leadzang;
invloeden uit rhythm & blues;
vroege rock-'n-roll;
dansbare arrangementen.
Daarna ontwikkelde hun geluid zich steeds meer richting soul en Motown-R&B.
Kort gezegd: The Contours waren niet de meest gepolijste Motown-groep, maar juist hun ruwe zang, enorme energie en wilde podiumact maakten hen uniek. “Do You Love Me” behoort tot de absolute klassiekers uit de vroege Motown-periode en is bovendien een prachtig voorbeeld van hoe doowop/R&B zich ontwikkelde richting soul en dansmuziek


The Corsairs
The Corsairs – een bijzondere doo-wopgroep
The Corsairs waren een Amerikaanse doo-wop- en R&B-vocalgroep uit La Grange, North Carolina. Ze waren vooral actief in de vroege jaren zestig en zijn tegenwoordig vooral bekend onder liefhebbers van obscure doo-wop, popcorn en early soul.
👥 De bezetting
De groep was opmerkelijk omdat het grotendeels een familiegroep was:
Jay “Bird” Uzzell – leadzang
James Uzzell
Moses “King Moe” Uzzell
George Wooten – hun neef
De drie Uzzell-zangers waren broers. Voordat ze The Corsairs werden, traden ze op als The Gleems.
Ze begonnen al tijdens hun schooltijd met zingen en traden lokaal op. Uiteindelijk trokken ze naar het gebied van New York en New Jersey, waar producer Abner Spector hen ontdekte tijdens een optreden in Newark.
🎙️ Van The Gleems naar The Corsairs
In 1961 veranderden ze hun naam in The Corsairs. Hun eerste single was:
“Time Waits” / “It Won't Be a Sin”
Deze verscheen op Smash Records, maar werd geen succes. Daarna kwamen ze bij Tuff Records, waar hun carrière echt begon.
⭐ “Smoky Places” – hun grote klassieker
Hun belangrijkste plaat is zonder twijfel “Smoky Places” uit 1961.
Smoky Places
Het nummer werd geschreven door Abner Spector en geproduceerd door hem; de arrangementen waren van Sammy Lowe. De plaat werd via Chess Records nationaal gedistribueerd.
Het resultaat was indrukwekkend:
#12 Billboard Hot 100
#10 Billboard R&B
een van de opvallendste doo-wop/R&B-hits van 1962.
Wat “Smoky Places” zo interessant maakt, is dat het eigenlijk tussen verschillende muziekstijlen in zit. Je hoort traditionele doo-wop-harmonieën, maar ook een steviger R&B-ritme en elementen die vooruitwijzen naar de soulmuziek van de jaren zestig.
De leadzang van Jay Uzzell is daarbij heel herkenbaar: soepel, krachtig en behoorlijk soulvol.
Andere belangrijke nummers
Naast “Smoky Places” zijn vooral deze opnamen interessant:
“Time Waits”
“It Won't Be a Sin”
“I'll Take You Home”
“Sittin' on Your Doorstep”
“Dancing Shadows”
“At the Stroke of Midnight”
“Stormy”
“Save a Little Monkey”
“The Change in You”
“I'll Take You Home” bereikte in 1962 nog #62 in de Billboard Hot 100, maar daarna werden de hits steeds schaarser.
🎵 Waarom zijn The Corsairs interessant voor doo-wopliefhebbers?
The Corsairs bevinden zich precies op een interessant kruispunt:
doo-wop → R&B → early soul
Hun vroege platen hebben nog duidelijk de vocale groepsharmonieën van de jaren vijftig, maar de productie en ritmes klinken al moderner. Daardoor zijn ze ook interessant voor verzamelaars van early soul, popcorn en rhythm & blues.
Vooral “Smoky Places” heeft die wat donkere, melancholische sfeer die je bij veel popcorn-oldies aantreft. Het is daarom een nummer dat heel goed past binnen een programma waarin je doo-wop en popcorn combineert.
💿 Het einde van de groep
The Corsairs bleven tot ongeveer 1964 platen uitbrengen. Hun laatste single verscheen onder de naam Landy McNeil & the Corsairs. Daarna viel de groep uiteen.
Hoewel ze slechts enkele jaren actief waren, heeft “Smoky Places” de groep een blijvende plaats gegeven in de geschiedenis van de Amerikaanse vocal-group muziek.
Interessant is ook dat “Smoky Places” later opnieuw onder de aandacht kwam doordat het werd gebruikt in de film There Goes My Baby (1994) en in The Sopranos (2006).
The Counts
🎙️ The Counts
The Counts ontstonden rond 1953 in Indianapolis, Indiana. De vijf jongens zaten allemaal op Crispus Attucks High School en begonnen aanvankelijk als The Five Diamonds. In 1954 veranderden ze hun naam in The Counts toen ze bij Dot Records tekenden.
De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Chester Brown – lead tenor
Robert "Chico" Penick – eerste tenor
Robert Wesley – tweede tenor
Robert Young – bariton
James Lee – bas
Het bijzondere aan de groep was dat deze oorspronkelijke vijf bezetting tientallen jaren bij elkaar bleef. Robert Young overleed in 2001, waarna de overige vier nog als groep doorgingen.
⭐ "Darling Dear"
Hun bekendste plaat is zonder twijfel:
"Darling Dear" / "I Need You Always"
Dot 1188 – 1954
"Darling Dear" werd een behoorlijke R&B-hit en bereikte nummer 6 op de nationale R&B-hitlijst. Het nummer is een mooi voorbeeld van de overgang van de traditionele vocal harmony/R&B naar de typische doowop-sound van het midden van de jaren vijftig.
De plaat heeft precies dat geluid dat voor liefhebbers van street-corner doowop zo aantrekkelijk is: een duidelijke leadzanger, daarachter de harmonieën van de overige leden en een ritmische R&B-begeleiding.
💿 Hun singles
The Counts namen voor Dot Records een reeks singles op. De belangrijkste discografie is:
Jaar A-kant B-kant
1954 Darling Dear I Need You Always
1954 Hot Tamales Baby Don't You Know
1954 My Dear My Darling She Won't Say Yes
1954 Waitin' Around for You Baby I Want You
1955 Let Me Go Lover Wailin' Little Mama
1955 Love and Understanding From This Day On
1955 I Need You Tonight Sally Walker
1956 To Our Love Heartbreaker
✍️ Robert Young
Een belangrijk figuur binnen The Counts was Robert Young, die veel van hun materiaal schreef. Hij was onder andere verantwoordelijk voor nummers als "Darling Dear" en "Hot Tamale". Later schreef hij ook voor andere artiesten en groepen.
🎤 Live-optredens
The Counts waren niet alleen een studiogroep. Na hun eerste succes traden ze uitgebreid op. Ze stonden onder andere in het beroemde Apollo Theater in New York en maakten deel uit van de 2nd Annual Rhythm & Blues Show, met artiesten als Roy Hamilton, The Drifters, Faye Adams, LaVern Baker en The Spaniels.
Dat maakt ze interessant binnen de ontwikkeling van de vroege R&B en doowop: ze waren onderdeel van dezelfde touring-circuitcultuur waaruit veel van de grote Amerikaanse vocal groups voortkwamen.
📻 Waarom zijn The Counts interessant voor doowop?
Voor een liefhebber van jaren-50 doowop en popcorn oldies zijn The Counts vooral interessant vanwege hun combinatie van:
R&B → vocal harmony → vroege doowop → ritmische ballads
"Darling Dear" is daarbij het absolute startpunt. De groep had niet de enorme commerciële carrière van bijvoorbeeld The Platters, The Flamingos of The Cadillacs, maar hun platen behoren wel tot het interessante tweede echelon van de Amerikaanse doowopgeschiedenis.
Een ander bijzonder aspect is hun lange groepsgeschiedenis. Terwijl veel doowopgroepen na een paar singles uit elkaar gingen of voortdurend van bezetting wisselden, bleven de oorspronkelijke Counts uitzonderlijk lang samen.
⚠️ Niet verwarren met andere "Counts"
Er bestaan namelijk meerdere groepen met de naam The Counts. Zo waren er later ook The Fabulous Counts, een Detroitse soul/funkgroep uit de jaren 60 en 70. Die groep is niet dezelfde groep als de Indianapolis-doowoppers.


Don Covay
Don Covay – een vergeten grootheid van de soul
Don Covay was een Amerikaanse R&B-, soul- en blueszanger, songwriter en producer. Hij was vooral actief vanaf de jaren 1950 tot in de jaren 1970 en schreef opvallend veel nummers die door andere artiesten veel bekender werden. Hij overleed op 31 januari 2015.
Zijn muzikale achtergrond
Don Covay werd geboren als Donald James Randolph in Orangeburg, South Carolina. Zijn muzikale basis lag in de gospel: hij zong als jonge jongen in het gospelkwartet van zijn familie. Later verhuisde het gezin naar Washington D.C., waar hij terechtkwam in de R&B-groep The Rainbows.
In de jaren vijftig kwam hij in contact met Little Richard. Covay ging mee met diens revue en werkte zelfs als chauffeur voor Little Richard. Hij mocht daarnaast optreden als voorprogramma. Zijn eerste plaat verscheen onder de naam Pretty Boy.
Songwriter vóór alles
Covay was misschien nog belangrijker als componist dan als zanger. Hij schreef onder andere:
“Pony Time” – later een Amerikaanse nummer-1-hit voor Chubby Checker.
“Letter Full of Tears” – een hit voor Gladys Knight & the Pips.
“I'm Gonna Cry (Cry Baby)” – opgenomen door Wilson Pickett.
“See-Saw” – door Covay en Steve Cropper geschreven.
“Sookie Sookie” – later ook bekend geworden in rockkringen.
“Chain of Fools” – een enorme hit voor Aretha Franklin.
Vooral “Chain of Fools” is belangrijk. Aretha Franklin maakte er in 1967/68 een van haar bekendste soulhits van; het nummer bereikte de top van de R&B-hitlijst en werd een klassieker.
“Mercy, Mercy” – zijn grote doorbraak
Zijn eigen grote moment kwam in 1964 met:
Don Covay & the Goodtimers – “Mercy, Mercy”
Dit is een geweldige combinatie van blues, R&B en vroege soul, met Covay's rauwe, bijna schreeuwende zang. De plaat bereikte nummer 35 in de Billboard Hot 100 en werd een grote R&B-hit.
Bijzonder is dat op de opname een jonge, toen nog nauwelijks bekende Jimi Hendrix gitaar speelt.
Nog interessanter: The Rolling Stones namen “Mercy, Mercy” in 1965 op voor Out of Our Heads. Mick Jagger nam daarbij duidelijk elementen van Covay's manier van zingen over.
Samenwerking met Stax
Nadat Atlantic Records Covay contracteerde, kwam hij in contact met de beroemde muzikanten van Stax Records in Memphis, waaronder Steve Cropper en Booker T. Jones.
Daaruit kwamen onder andere:
“See-Saw”
“Sookie Sookie”
“See-Saw” werd in 1965 een van zijn grootste eigen hits en bereikte de R&B Top 5.
Zijn stijl
Covay had een heel herkenbare stijl. Zijn stem was niet zo glad als die van veel traditionele soulzangers. Hij zong vaak:
rauw en schor;
ritmisch en energiek;
met duidelijke bluesinvloeden;
half zingend, half schreeuwend;
met veel gospelgevoel.
Daardoor vormt zijn muziek eigenlijk een brug tussen doowop/R&B uit de jaren 50 en de rauwe soul en funk van de jaren 60 en 70. Zijn carrière wordt dan ook vaak beschreven als een reis door vrijwel het hele R&B-spectrum.
Kort gezegd: Don Covay was zo'n artiest die misschien minder bekend is bij het grote publiek, maar wiens liedjes, zangstijl en invloed overal in de soul- en R&B-geschiedenis terugkomen. Zijn connecties met Little Richard, Jimi Hendrix, Steve Cropper, Booker T. Jones, Aretha Franklin, Wilson Pickett en The Rolling Stones maken hem bijzonder interessant.
The Crests
The Crests
The Crests waren een belangrijke Amerikaanse doo-wopgroep uit New York, vooral bekend geworden aan het einde van de jaren vijftig. Hun grootste klassieker is natuurlijk “16 Candles”, een van de bekendste romantische doo-wopsongs uit de jaren vijftig.
Ontstaan
The Crests ontstonden halverwege de jaren vijftig in New York. De groep werd opgebouwd rond baszanger J.T. Carter. Tot de oorspronkelijke bezetting behoorden onder andere Talmadge “Tommy” Gough, Harold “Chico” Torres en Patricia Van Dross.
Een bijzonder aspect was dat The Crests een van de vroege raciaal gemengde doo-wopgroepen waren. De bezetting bestond uit Afro-Amerikaanse, Puerto Ricaanse en Italiaans-Amerikaanse leden. Patricia Van Dross was bovendien de oudere zus van de latere soulzanger Luther Vandross.
De cruciale toevoeging was zanger John Peter Mastrangelo, die later bekend werd als Johnny Maestro. Zijn warme tenor werd het herkenbare geluid van The Crests.
Eerste platen
In 1957 kregen The Crests een contract bij Joyce Records. Hun eerste plaat was “My Juanita” / “Sweetest One”. “Sweetest One” werd een bescheiden hit en bereikte de Amerikaanse hitlijst.
Daarna stapten ze over naar Coed Records, waar hun grote doorbraak zou komen.
⭐ “16 Candles”
In 1958 namen The Crests “16 Candles” op, geschreven door Luther Dixon en Allyson R. Khent. Het nummer werd oorspronkelijk als B-kant uitgebracht, maar radio-dj's begonnen juist deze kant te draaien.
Het resultaat was enorm:
#2 Billboard Hot 100
#4 Billboard R&B
meer dan een miljoen verkochte exemplaren
een gouden plaat
een van de bekendste romantische doo-wopballads aller tijden.
De combinatie van Johnny Maestro's leadzang, de zachte achtergrondharmonieën en de romantische tekst maakte het nummer bijzonder geschikt voor de typische slow-dancecultuur van de late jaren vijftig.
Andere belangrijke nummers
The Crests hadden echter veel meer te bieden dan alleen “16 Candles”. Voor liefhebbers van doo-wop en Popcorn Oldies zijn vooral deze nummers interessant:
Nummer Jaar Billboard Hot 100
Sweetest One 1957 #86
16 Candles 1958 #2
Six Nights a Week 1959 #28
The Angels Listened In 1959 #22
A Year Ago Tonight 1959 #42
Step by Step 1960 #14
Trouble in Paradise 1960 —
Vooral “Six Nights a Week”, “The Angels Listened In” en “Step by Step” zijn uitstekende voorbeelden van hun combinatie van doo-wop, R&B en vroege pop.
Johnny Maestro
Johnny Maestro werd uiteindelijk het gezicht van The Crests. In 1960 wilde Coed Records hem als soloartiest promoten. Hij scoorde vervolgens onder meer met “Model Girl”.
Na zijn periode bij The Crests bleef Maestro actief in de muziek. In 1968 werd hij de leadzanger van The Brooklyn Bridge, waarmee hij opnieuw een grote hit had met “The Worst That Could Happen”, geschreven door Jimmy Webb.
Maestro overleed op 24 maart 2010, 70 jaar oud.
Waarom zijn The Crests belangrijk voor doo-wop?
The Crests vertegenwoordigen eigenlijk precies de periode waarin doo-wop vanuit de straten, schoolpleinen en kleine platenlabels doorbrak naar het grote publiek.
Hun muziek heeft:
fraaie vijfstemmige harmonieën
een prominente tenor-leadzanger
romantische tienerthema's
eenvoudige maar effectieve arrangementen
een sterke combinatie van R&B en pop
de typische warme sfeer van de late jaren 50.
Daarom passen The Crests uitstekend naast groepen als The Cleftones, The Channels, The Chimes, The Cadillacs, The Capris, The Dubs en The Elegants.
The Crests en Popcorn Oldies
Voor Popcorn Oldies zijn The Crests extra interessant. “16 Candles” is weliswaar een klassieke Amerikaanse doo-wopballad, maar de rustige, melancholieke sfeer en de fraaie vocale productie sluiten uitstekend aan bij de late-night/slow Popcorn-sfeer.
The Crests werden in 2004 opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame, een erkenning van hun betekenis voor de Amerikaanse vocale pop- en doo-woptraditie.
Kort gezegd: als The Platters de elegante kant van de vroege vocale pop vertegenwoordigen, dan zijn The Crests een prachtig voorbeeld van de New Yorkse doo-wop die rechtstreeks naar de tienerpop van 1958–1960 leidde. En “16 Candles” behoort zonder twijfel tot de absolute klassiekers van het genre.


The Crew Cuts
The Crew-Cuts
The Crew-Cuts waren een Canadese zanggroep uit Toronto die vooral in de jaren vijftig grote bekendheid kreeg. Ze worden vaak geplaatst tussen doo-wop, vocal pop, traditional pop en vroege rock-'n-roll. De groep was actief van 1952 tot 1964.
Hun grootste bekendheid danken ze aan "Sh-Boom (Life Could Be a Dream)", een enorme hit uit 1954.
🎤 De vier leden
De klassieke bezetting bestond uit:
Rudi Maugeri – bariton en leadzang
John Perkins – tenor en leadzang
Ray Perkins – bas; broer van John
Pat Barrett – tenor en leadzang
Alle vier hadden een achtergrond bij de St. Michael's Choir School in Toronto. Vanuit die school kwamen ook belangrijke leden van de latere Four Lads voort.
Aanvankelijk traden ze op onder andere namen, waaronder The Four Tones en The Canadaires. Uiteindelijk kozen ze voor de naam The Crew-Cuts, verwijzend naar het toen populaire korte kapsel, de crew cut.
⭐ "Sh-Boom" – hun grote doorbraak
Hun belangrijkste plaat was "Sh-Boom (Life Could Be a Dream)".
Het interessante is dat dit geen origineel Crew-Cuts-nummer was. Het werd oorspronkelijk opgenomen door de Afro-Amerikaanse R&B/doowopgroep The Chords in 1954. De originele versie bereikte nummer 2 op de R&B-lijst en nummer 9 op de Amerikaanse poplijst.
De Crew-Cuts maakten er vervolgens een veel commerciëlere popversie van, met begeleiding van het orkest van David Carroll. Hun versie werd in de Verenigde Staten een nummer 1-hit en stond maar liefst 20 weken in de hitlijsten, waarvan negen weken op nummer 1.
Dat maakt Sh-Boom historisch bijzonder: een rauwe zwarte R&B/doowopplaat werd door een witte Canadese popgroep opnieuw opgenomen en bereikte daardoor een enorm blank mainstream publiek.
🎶 Andere belangrijke hits
De Crew-Cuts hadden in 1954 een opvallend succesvolle periode. Belangrijke nummers zijn onder andere:
Crazy 'Bout You, Baby – hun eerste grote hit, nummer 8 in de VS
Sh-Boom (Life Could Be a Dream) – nummer 1
Earth Angel – grote hit, nummer 3
Ko Ko Mo (I Love You So)
Gum Drop
Don't Be Angry
A Story Untold
Chop Chop Boom
Young Love
De Canadian Music Hall of Fame noemt Crazy 'Bout You, Baby, Earth Angel, Sh-Boom, Ko Ko Mo en Gum Drop als belangrijke hoogtepunten uit hun carrière.
🕺 Hun stijl
De Crew-Cuts waren eigenlijk een overgangsgroep tussen de traditionele vocale pop van de vroege jaren vijftig en de nieuwe rock-'n-rollcultuur.
Hun muziek klinkt doorgaans:
strak – gepolijst – harmonisch – vrolijk – commercieel
Vergeleken met de oorspronkelijke zwarte doowopgroepen waren hun platen meestal minder rauw. De zang werd gecombineerd met een orkestrale popbegeleiding. AllMusic beschrijft hen dan ook als een groep die vooral bekend werd met zeer verzorgde covers van R&B-hits.
Juist daarom zijn ze voor liefhebbers van popcorn oldies en vroege doowop interessant: hun platen hebben vaak dat typische 1950s jukebox-geluid, maar met meer traditionele popinvloeden.
⚖️ De discussie rond de Crew-Cuts
Hun succes had ook een controversiële kant.
In de jaren vijftig was de Amerikaanse muziekmarkt sterk gesegregeerd. Afro-Amerikaanse R&B- en doowopartiesten hadden vaak veel minder toegang tot het grote blanke poppubliek. Witte artiesten konden dezelfde nummers opnieuw opnemen en daarmee soms een veel grotere pophit maken.
Dat gebeurde met Sh-Boom: de versie van The Chords was de oorspronkelijke hit, maar de Crew-Cuts brachten een versie uit die nummer 1 op de Amerikaanse poplijst werd. Dit patroon kwam in de jaren vijftig vaker voor.
Tegelijkertijd waren de Crew-Cuts zelf wel degelijk belangrijk voor de verspreiding van de vocale R&B- en doowopstijl naar een breder publiek.
💿 Platen
Ze namen onder meer albums op als:
The Glory of Love (1953)
Crew Cut Capers (1954)
The Crew Cuts on the Campus (1954)
Music Ala Carte (1955)
The Crewcuts Go Long Hair (1955)
Rock and Roll Bash (1956)
Surprise Package (1959)
The Crew-Cuts Sing (1959)
Ze namen aanvankelijk op voor Mercury, later ook voor RCA Victor en Camay.
🇨🇦 Betekenis voor de Canadese muziek
De Crew-Cuts waren bovendien belangrijk omdat zij behoorden tot de eerste Canadese groepen die in de Amerikaanse hitlijsten echt grote successen behaalden.
Samen met The Four Lads en The Diamonds vormden ze een belangrijke Canadese vocale popscene in Toronto. Deze drie groepen zouden samen tientallen Top 40-hits opleveren. De Crew-Cuts werden in 1984 opgenomen in de Canadian Music Hall of Fame.
De groep stopte uiteindelijk in 1964. De leden gingen daarna ieder hun eigen weg; Rudi Maugeri ging onder andere in de radio werken.
The Crows
The Crows – pioniers van de doowop en vroege rock-'n-roll
The Crows waren een Amerikaanse R&B- en doowopgroep uit Harlem, New York, actief van ongeveer 1951 tot 1955. Ze behoren tot de belangrijkste vroege vocal groups, vooral vanwege één legendarische plaat: “Gee”.
Hun verhaal is eigenlijk heel bijzonder: ze waren relatief kort actief en namen maar een klein aantal platen op, maar één daarvan werd een mijlpaal in de geschiedenis van de rock-'n-roll.
🎤 De bezetting
De oorspronkelijke groep bestond uit:
Daniel “Sonny” Norton – leadzang
Harold Major – tenor
William “Bill” Davis – bariton
Gerald Hamilton – bas
Jerry Wittick – tenor
Toen Wittick in militaire dienst ging, werd hij vervangen door Mark Jackson, die ook gitaar speelde.
Zoals bij veel vroege doowopgroepen begonnen The Crows met zingen op straat en op straathoeken. Hun grote doorbraak kwam toen ze werden ontdekt tijdens een talentenjacht in het Apollo Theater in Harlem.
⭐ “Gee” – hun historische hit
Hun beroemdste nummer is natuurlijk “Gee”, geschreven door groepslid William Davis samen met pianiste/arrangeur Viola Watkins.
De opname vond plaats in februari 1953 en verscheen op Rama Records, het label van producer George Goldner.
Wat “Gee” zo bijzonder maakt, is de combinatie van:
rauwe straatzang;
vrolijke doowopharmonieën;
nonsenslettergrepen;
een stevige jump-bluesbeat;
een opvallende gitaarsolo;
en de krachtige tenor van Sonny Norton.
Het klinkt daardoor veel dichter bij de latere rock-'n-roll dan veel andere doowopplaten uit die periode.
📈 Een hit die een jaar nodig had
Opmerkelijk genoeg werd “Gee” niet onmiddellijk een nationale hit. De plaat werd aanvankelijk vooral lokaal gedraaid. Pas bijna een jaar na de opname begon het nummer echt door te breken.
Uiteindelijk bereikte het:
#2 – Billboard R&B
#14 – Billboard Pop
Bovendien wordt “Gee” vaak genoemd als de eerste doowopplaat die meer dan één miljoen exemplaren verkocht.
Daarom beschouwen sommige muziekonderzoekers “Gee” als één van de eerste echte rock-'n-rollhits, en zelfs als een kandidaat voor de titel eerste rock-'n-rollplaat.
🕺 Waarom “Gee” zo belangrijk is
“Gee” is vooral belangrijk omdat het een voorbeeld is van de overgang:
street-corner doowop → R&B → rock-'n-roll
De plaat heeft nog duidelijk het karakter van jongens die samen op een straathoek zingen, maar de ritmische begeleiding en gitaar geven het nummer een veel modernere, energiekere sound.
Het succes was bovendien een vroege aanwijzing dat blanke tieners naar zwarte R&B-muziek gingen luisteren en deze platen ook daadwerkelijk kochten. Dat crossover-effect zou in de tweede helft van de jaren vijftig enorm belangrijk worden voor de ontwikkeling van rock-'n-roll.
💿 Andere platen
Na “Gee” verschenen verschillende singles, waaronder:
“I Love You So”
“Call a Doctor”
“Heartbreaker”
“Baby”
“Untrue”
“Miss You”
“I Really Really Love You”
“Baby Doll”
“Sweet Sue”
“Mambo Shevitz”
“I Love You So” was oorspronkelijk de A-kant, terwijl “Gee” als B-kant werd uitgebracht. Radio-dj's ontdekten echter dat “Gee” veel sterker was en draaiden de plaat om.
🐦 Een van de eerste “bird groups”
The Crows waren ook onderdeel van een merkwaardige trend in de vroege doowop: groepen met vogelachtige namen.
Je krijgt bijvoorbeeld:
The Crows
The Orioles
The Ravens
The Flamingos
The Penguins
The Wrens
The Crows behoren dus tot de eerste generatie van die typische Amerikaanse straat-hoek-vocal groups.
⏳ Het einde van The Crows
Het succes van “Gee” bleek helaas niet gemakkelijk te herhalen. Nieuwe singles zoals “Heartbreaker”, “Baby” en “Miss You” wisten geen vergelijkbaar succes te behalen.
Begin 1955 was het eigenlijk voorbij voor de groep. Hun korte carrière had echter een enorme invloed: in slechts enkele jaren waren ze van straatzangers uitgegroeid tot makers van een plaat die tegenwoordig als een fundamenteel vroege rock-'n-roll- en doowopnummer wordt beschouwd.


The Crystals
The Crystals
The Crystals waren een van de belangrijkste Amerikaanse girl groups van de vroege jaren zestig. Ze kwamen uit Brooklyn, New York, en werden vooral bekend door hun samenwerking met producer Phil Spector en diens platenlabel Philles Records. Hun muziek combineerde doo-wop, rhythm & blues, pop en vroege rock-'n-roll.
Het begin
De groep werd rond 1960 gevormd door jonge vrouwen die elkaar uit Brooklyn en via school en kerk kenden. De oorspronkelijke bezetting bestond onder anderen uit Barbara Alston, Dee Dee Kennibrew, Mary Thomas, Patricia Wright en Myrna Giraud. Ze werden begeleid door Benny Wells en zongen aanvankelijk vooral in een doo-wopachtige stijl.
Hun grote doorbraak kwam toen Phil Spector hen ontdekte. The Crystals werden zelfs de eerste groep die hij voor Philles Records contracteerde.
Eerste hits
De eerste grote successen waren:
“There’s No Other (Like My Baby)” – 1961
“Uptown” – 1962
“He Hit Me (And It Felt Like a Kiss)” – 1962
“He’s a Rebel” – 1962
“He’s Sure the Boy I Love” – 1962/63
“Da Doo Ron Ron (When He Walked Me Home)” – 1963
“Then He Kissed Me” – 1963
Vooral “There’s No Other (Like My Baby)” en “Uptown” vestigden hun naam in de Amerikaanse popwereld.
Het bijzondere verhaal van “He’s a Rebel”
Dit is misschien wel het meest opmerkelijke hoofdstuk uit de geschiedenis van The Crystals.
“He’s a Rebel” werd in 1962 uitgebracht als een plaat van The Crystals, maar The Crystals zongen er helemaal niet op. Phil Spector wilde de plaat snel uitbrengen voordat een concurrerende versie van Vikki Carr verscheen. Daarom nam hij het nummer in Los Angeles op met The Blossoms, met Darlene Love als leadzangeres.
De plaat werd vervolgens onder de naam The Crystals uitgebracht en bereikte in november 1962 de nummer 1-positie van de Billboard Hot 100.
De echte Crystals waren daar niet blij mee, maar moesten het nummer vervolgens wel op televisie en tijdens optredens zingen alsof het hun eigen opname was.
Ook “He's Sure the Boy I Love” werd feitelijk door Darlene Love en The Blossoms opgenomen.
Dit maakt The Crystals een nogal uniek voorbeeld uit de popgeschiedenis: een groep die beroemd werd met enkele grote hits waarop de leden zelf niet zongen.
Dolores “La La” Brooks
Vanaf 1963 kwam Dolores “La La” Brooks steeds meer op de voorgrond als leadzangeres. Daarmee begon een nieuwe fase voor de groep.
En juist toen kregen we de twee nummers waarvoor The Crystals vandaag misschien wel het meest worden herinnerd:
“Da Doo Ron Ron”
“Da Doo Ron Ron (When He Walked Me Home)” werd geschreven door Jeff Barry, Ellie Greenwich en Phil Spector en werd in 1963 een grote hit.
Het nummer heeft precies die typische vroege-sixties girl-group sound:
handclaps + krachtige drums + strijkers + eenvoudige melodie + vrouwelijke groepsharmonieën.
Het werd een Top 5-hit in Amerika en ook in Groot-Brittannië een succes.
Het nummer werd later talloze malen gecoverd, onder andere door Shaun Cassidy, wiens versie in 1977 zelfs nummer 1 werd in de VS.
“Then He Kissed Me”
Een andere absolute klassieker is “Then He Kissed Me” uit 1963.
Ook hier horen we de typische Phil Spector-productie: een enorme hoeveelheid instrumenten en achtergrondzang die samen één grote, bijna orkestrale muur van geluid vormen.
Het nummer werd een Top 10-hit in Amerika en bereikte zelfs nummer 2 in Groot-Brittannië.
Het is later door verschillende artiesten gecoverd. The Beach Boys maakten er bijvoorbeeld “Then I Kissed Her” van, terwijl KISS in 1977 “Then She Kissed Me” opnam.
De Phil Spector-sound
The Crystals zijn nauw verbonden met de ontwikkeling van Spectors beroemde Wall of Sound.
Zijn producties waren veel voller dan de meeste popplaten uit die tijd. Hij combineerde bijvoorbeeld:
meerdere gitaren
piano
drums
percussie
strijkers
blazers
achtergrondzangers
handclaps
Daardoor kregen eenvoudige popliedjes een enorme, bijna symfonische klank.
Voor liefhebbers van popcorn oldies en early-sixties muziek zijn The Crystals daarom bijzonder interessant. Hun platen hebben precies die dramatische, ritmische en melancholische sfeer die later ook zo belangrijk werd in de Europese popcornscene.
The Crystals en doo-wop
Hoewel The Crystals meestal worden aangeduid als een girl group, ligt hun oorsprong duidelijk in de doo-wop- en R&B-traditie.
Hun vroege platen bevatten:
lead vocal → antwoordende achtergrondzang → korte vocale frases → sterke ritmesectie.
Daarmee vormden ze een mooie overgang tussen de klassieke jaren-50 doo-wop en de meer georkestreerde pop van de jaren zestig.
Dat maakt The Crystals eigenlijk een brug tussen doo-wop, rhythm & blues en de klassieke girl-group sound.
Hun invloed
The Crystals behoren tot de belangrijkste groepen uit de zogenaamde Girl Group Era van ongeveer 1960–1964. Samen met groepen als:
The Ronettes
The Shirelles
The Chiffons
The Chantels
The Marvelettes
The Chordettes
The Shangri-Las
vormden ze een belangrijk onderdeel van de Amerikaanse popmuziek vóór de Britse invasie.
Muziekhistorici beschouwen nummers als “He's a Rebel”, “Da Doo Ron Ron” en “Then He Kissed Me” als essentiële voorbeelden van de Amerikaanse girl-group sound.
The Cues
The Cues – een zeer bijzondere doowopgroep
The Cues waren een Amerikaanse vocale groep uit New York, actief vanaf 1954. Ze worden gerekend tot doo-wop, rhythm-and-blues en vroege rock-'n-roll. Wat The Cues zo bijzonder maakt, is dat ze niet alleen als zelfstandige groep platen maakten, maar vooral bekend werden als een soort vaste studio-vocalgroep voor Atlantic Records.
Ontstaan
De groep werd in 1954 samengesteld door Jesse Stone, een belangrijke A&R-man, songwriter en arrangeur van Atlantic Records. Stone wilde een professionele zanggroep hebben die verschillende artiesten kon ondersteunen in de studio. The Cues waren daarmee een van de eerste groepen die in feite speciaal voor backing vocals werd samengesteld.
De belangrijkste vroege leden waren:
Ollie Jones – tweede tenor en een belangrijke leadzanger
Abel DeCosta – eerste tenor
Robie Kirk, later bekend als Winfield Scott – bariton
Eddie Barnes – bas
Jimmy Breedlove – later toegevoegd en eveneens leadzanger
Later veranderde de bezetting, onder andere met Luther Dixon en Joseph Smalls.
Hun grote geheim: ze waren overal!
Het bijzondere aan The Cues is dat je ze op veel platen uit de jaren vijftig kunt horen zonder dat hun naam op de hoes of het label staat.
Ze traden onder verschillende namen op als begeleidingsgroep:
Naam Artiest
The Rhythmakers Ruth Brown
The Gliders LaVern Baker
The Blues Kings Big Joe Turner
The Ivory Tones Ivory Joe Hunter
The Boleros Carmen Taylor
The Four Students eigen opnamen
De exacte bezettingen konden per sessie verschillen, waardoor onderzoekers tegenwoordig voorzichtig zijn met het toeschrijven van iedere opname aan exact dezelfde vier of vijf mannen.
Grote platen waarop je hun stemmen hoort
The Cues werkten onder andere mee aan opnamen van:
Ruth Brown
LaVern Baker
Big Joe Turner
Nat "King" Cole
Roy Hamilton
Ivory Joe Hunter
Clyde McPhatter
Bijvoorbeeld bij LaVern Bakers "Tweedle Dee" waren de achtergrondzangers de groep die als The Gliders werd aangeduid – in werkelijkheid grotendeels het Cues-netwerk.
Dat maakt The Cues voor liefhebbers van jaren-50 R&B en doowop enorm interessant: hun invloed op de muziek is veel groter dan hun eigen hitlijstnoteringen doen vermoeden.
Hun eigen platen
Onder de naam The Cues maakten ze vanaf 1954 verschillende singles. Hun repertoire liep behoorlijk uiteen: van romantische doowopballads tot stevige rock-'n-roll en R&B.
Enkele belangrijke nummers zijn:
"Scoochie Scoochie"
"Forty 'Leven Dozen Ways"
"Only You"
"I Fell for Your Lovin'"
"Burn That Candle"
"Oh My Darlin'"
"Charlie Brown"
"You're on My Mind"
"Don't Make Believe"
"Crackerjack"
"Why"
"Prince or Pauper"
"Crazy, Crazy Party"
"I Pretend"
⭐ "Burn That Candle"
"Burn That Candle" uit 1955 is een van hun bekendste eigen opnamen. Het nummer werd later vooral bekend door de versie van Bill Haley & His Comets. The Cues-versie laat goed horen hoe dicht hun muziek bij de overgang van R&B naar rock-'n-roll zat.
⭐ "Why"
"Why" uit 1956/1957 is waarschijnlijk hun bekendste doowopplaat. Het nummer werd een hit en is een mooi voorbeeld van hun combinatie van een krachtige leadzang en een rijke vocale achtergrond.
Het geluid van The Cues
Voor iemand die van doo-wop en popcorn oldies houdt, zijn The Cues bijzonder interessant.
Hun stijl bevat:
🎙️ diepe bas + bariton
🎵 hoge tenoren
❤️ romantische ballads
🎸 vroege rock-'n-roll
🎷 rhythm & blues
👏 sterke achtergrondharmonieën
Hun ballads kunnen heel warm en soulvol klinken, terwijl sommige uptempo nummers behoorlijk rauw en swingend zijn. Een Nederlandse bespreking van hun compilatie noemt bijvoorbeeld "Oh My Darlin'" als een bijzonder soulvolle ballad en "Scoochie Scoochie" als een bluesy, stevig rockende opname.
Waarom zijn The Cues zo belangrijk?
The Cues zijn eigenlijk een verborgen schakel tussen doowop, R&B en rock-'n-roll.
Ze waren niet de groep met tientallen grote eigen hits. Hun historische betekenis zit vooral in het feit dat hun stemmen achter tientallen platen van andere artiesten te horen zijn.
Daarom wordt The Cues soms beschouwd als een van de belangrijkste vroege professionele studio-vocalgroepen.
Discografie om mee te beginnen
Als je ze echt wilt leren kennen, zou ik beginnen met:
Burn That Candle
Why
Prince or Pauper
Oh My Darlin'
You're on My Mind
Crazy, Crazy Party
Scoochie Scoochie
Crackerjack
Don't Make Believe
Rock 'n' Roll Mr. Oriole
Er zijn verschillende compilaties verschenen. De uitgebreide Why-verzamelingen van Bear Family bevatten een groot deel van hun eigen werk en materiaal waarop ze als begeleidingszangers te horen zijn.
Kort gezegd: The Cues waren misschien geen superster-groep zoals The Platters of The Drifters, maar achter de schermen waren ze een van de belangrijkste vocale groepen van de New Yorkse R&B- en doowopscene van de jaren vijftig. Hun stemmen zitten verstopt in een enorm aantal klassieke opnamen.


The Cuff Links
The Cuff Links – de doowopgroep uit de jaren 50
De oorspronkelijke The Cuff Links ontstonden rond 1956 in Californië. De groep werd gevormd door Alfred Gaitwood, die op een Amerikaanse luchtmachtbasis met andere militairen zong. Ze werden ontdekt door Dootsie Williams, eigenaar van Dootone Records, een belangrijk label uit de vroege R&B- en doowopwereld.
Hun muziek is typische vroege West Coast doowop: meerstemmige zang, romantische ballads en een duidelijke R&B-basis. Een interessant aspect is dat de bezetting in korte tijd nogal veranderde.
🎵 Belangrijkste plaat
Hun bekendste en belangrijkste opname is:
The Cuff Links – "Guided Missiles" / "My Heart"
Deze single verscheen eind 1956 op Dootone, catalogusnummer 409. "Guided Missiles" werd geschreven door Alfred Gaitwood.
"Guided Missiles" is vooral interessant voor liefhebbers van obscure doowop omdat het nummer een wat ongebruikelijk onderwerp heeft. De titel verwijst natuurlijk naar de nieuwe militaire technologie van de jaren vijftig — een typisch voorbeeld van hoe de Koude Oorlog soms zelfs in de popcultuur terechtkwam.
De naamverwarring
Hier wordt het interessant voor verzamelaars.
Er was ook een groep die The Kuf-Linx heette. Deze groep nam onder andere "So Tough" op voor Challenge Records. Daarnaast werd later opnieuw een groep samengesteld die als The Cufflinx werd uitgebracht. Daardoor worden de verschillende groepen in platenverzamelingen en discografieën nogal eens door elkaar gehaald.
Voor jouw doowop-/oldiesonderzoek zou ik ze daarom niet als één groep beschouwen.
Niet verwarren met de andere Cuff Links
Er is namelijk nóg een heel bekende The Cuff Links, maar die komt uit een compleet andere periode.
Die groep ontstond in 1969 en was eigenlijk een studio-project rond Ron Dante, de zanger die ook nauw verbonden was met The Archies. Hun enorme hit was "Tracy", een Amerikaanse Top-10-hit.
Dus:
Groep Periode Genre Bekend nummer
The Cuff Links ca. 1956-57 Doowop / R&B Guided Missiles
The Kuf-Linx jaren 50 Doowop / rock-'n-roll So Tough
The Cufflinx jaren 50 Doowop / R&B diverse Dooto-opnamen
The Cuff Links 1969-71 Bubblegum/pop Tracy
The Danleers
The Danleers
The Danleers waren een Amerikaanse doo-wop- en rhythm-and-bluesgroep uit Brooklyn, New York, die vooral bekend werd door één van de grote zomerhits van 1958: “One Summer Night”.
🎤 Het ontstaan
De groep werd in 1958 opgericht door een groep tieners uit Brooklyn. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Jimmy Weston – leadzang
Johnny Lee – eerste tenor
Willie Ephraim – tweede tenor
Nat “Charles” McCune – bariton
Roosevelt Mays – bas
Ze zongen, zoals veel Brooklynse doo-wopgroepen uit die tijd, op straathoeken, speelplaatsen en in portieken. Jimmy Weston en Johnny Lee kenden elkaar al van de middelbare school en wilden samen een zanggroep beginnen.
Hun manager Danny Webb gaf de groep de naam The Danleers, afgeleid van zijn eigen voornaam. Webb schreef bovendien veel van hun materiaal.
🌙 “One Summer Night”
Hun grote moment kwam met “One Summer Night”, geschreven door Danny Webb en gezongen met de opvallende tenor van Jimmy Weston.
Het nummer verscheen aanvankelijk op het kleine AMP 3-label. Toen de plaat lokaal succesvol werd, nam Mercury Records de distributie over en bracht het nummer in juni 1958 landelijk uit.
Het werd een enorme hit:
Hitlijst Positie
Billboard R&B #4
Billboard Pop #7
Verkoop meer dan 1 miljoen exemplaren
Daarmee behoort “One Summer Night” tot de klassieke street-corner doo-wopplaten van de jaren vijftig.
De plaat heeft precies dat typische geluid dat je bij late jaren-50 doo-wop verwacht: een romantische leadzanger, zachte achtergrondharmonieën, een eenvoudige begeleiding en een sterk gevoel van jeugdige zomerliefde.
⭐ Een indrukwekkende tour
Door het succes kwamen de Danleers terecht in de grote rock-'n-rollshows van 1958. Ze traden onder andere op met namen als Buddy Holly & the Crickets, Bobby Darin, Frankie Avalon, Eddie Cochran, Connie Francis, Dion & the Belmonts, Clyde McPhatter en The Coasters.
Dat geeft goed aan hoe belangrijk “One Summer Night” op dat moment was.
💿 Andere singles
Na hun megahit probeerde Mercury het succes te herhalen met onder andere:
“I Really Love You” / “My Flaming Heart” – 1958
“A Picture of You” / “Prelude to Love” – 1958
“I Can't Sleep” / “Your Love” – 1959
“If You Don't Care” / “(I Live) Half a Block From an Angel” – 1960
“Foolish” / “I'm Looking Around” – 1961
“If” / “Were You There” – 1964
“Where Is Love” / “The Angels Sent You” – 1964
“The Truth Hurts” / “Baby You've Got It” – 1964
“This Thing Called Love” / “I'm Sorry It Happened This Way” – 1965.
Geen van deze platen wist echter het enorme succes van “One Summer Night” te evenaren. De oorspronkelijke groep viel uiteindelijk rond 1959 uiteen.
🔄 The Danleers blijven bestaan
Het verhaal eindigde daar niet. Jimmy Weston bleef optreden en stelde later nieuwe versies van de Danleers samen. Daarbij kwamen onder meer muzikanten uit de door Danny Webb gemanagede Webtones terecht.
In 1972 werd opnieuw een Danleers-bezetting samengesteld. Weston bleef daarbij de belangrijkste oorspronkelijke stem. De groep bleef vervolgens nog jarenlang optreden, waarbij “One Summer Night” natuurlijk het grote publiekstrekkende nummer bleef.
🎶 Waarom zijn The Danleers belangrijk voor doo-wop?
The Danleers zijn een mooi voorbeeld van de overgang van de lokale street-cornercultuur naar de commerciële popmarkt van eind jaren vijftig. Hun verhaal laat ook een typisch patroon zien: een jonge zanggroep uit Brooklyn maakt één fantastische plaat, scoort daarmee een nationale hit en wordt daarna geconfronteerd met de enorme druk om dat succes te herhalen.
“One Summer Night” is uiteindelijk hun blijvende erfenis. Het nummer wordt nog altijd beschouwd als een klassieker uit de gouden periode van de doo-wop. Interessant is ook dat The Diamonds het nummer in 1961 opnieuw opnamen; hun versie haalde #22 in de Amerikaanse Billboard Hot 100.
Voor liefhebbers van street-corner doo-wop en popcorn oldies zijn The Danleers daarom absoluut interessant: vooral “One Summer Night”, maar ook “A Picture of You”, “Prelude to Love” en “I Can't Sleep” zijn de moeite waard om op te zoeken.


Danny & the Juniors
Danny & the Juniors
Danny & the Juniors waren een Amerikaanse doo-wop- en rock-'n-rollgroep uit Philadelphia, opgericht in 1955. Ze behoren tot de belangrijkste witte vocale groepen die de doo-wopstijl naar het grote rock-'n-rollpubliek brachten. Hun enorme doorbraak kwam met "At the Hop", een van de bekendste tienerhits uit 1957-1958.
🎤 De oorspronkelijke groep
De vier jongens kenden elkaar van John Bartram High School in Philadelphia:
Danny Rapp – leadzang
Dave White – eerste tenor
Frank Maffei – tweede tenor
Joe "Terry" Terranova – bariton/bas
Aanvankelijk noemden ze zich The Juvenairs. Ze zongen op schoolfeesten, plaatselijke dansavonden en op straat. Hun stijl werd sterk beïnvloed door groepen als Frankie Lymon & the Teenagers, The Four Freshmen en andere vocale harmoniegroepen.
Philadelphia was in die periode een belangrijk centrum voor doo-wop. Groepen als The Turbans, The Silhouettes, The Castelles, Lee Andrews & the Hearts en later Danny & the Juniors maakten deel uit van een bijzonder levendige lokale muziekscene.
⭐ "At the Hop"
Het verhaal achter hun grootste hit is bijzonder.
In 1957 hadden Dave White en John Madara een nummer geschreven met de titel "Do the Bop". De groep nam het op voor het kleine Philadelphia-label Singular Records.
Toen Dick Clark, presentator van American Bandstand, het nummer hoorde, vond hij de titel problematisch. De "bop" was volgens hem een dansrage die snel voorbij kon zijn. Hij stelde voor om de titel te veranderen in "At the Hop", omdat record hops en sock hops waarschijnlijk populair zouden blijven. Ook werd de groepsnaam veranderd van The Juvenairs in Danny & the Juniors.
Dat bleek een gouden beslissing.
Op 2 december 1957 kreeg Dick Clark onverwacht een afzegging van een artiest voor American Bandstand. Danny & the Juniors werden haastig ingevlogen als vervangers. Ze brachten "At the Hop" en het publiek reageerde onmiddellijk enthousiast.
Daarna ging het razendsnel. ABC-Paramount kocht de opname en bracht hem opnieuw uit. In januari 1958 stond:
"At the Hop" – Danny & the Juniors – #1 in Amerika.
De plaat bereikte zowel de pop- als de R&B-hitlijst en werd ook internationaal een succes. In Groot-Brittannië kwam hij tot nummer 3.
Waarom klinkt "At the Hop" zo typisch jaren 50?
Het nummer combineert verschillende elementen van de vroege rock-'n-roll:
stevige boogie-woogie-piano
een 12-maten-bluesstructuur
handclaps en ritmische accenten
energieke leadzang
typische doo-wop-harmonieën
een tekst over dansen en tienerfeesten
Het is daardoor eigenlijk een perfecte overgangsplaat tussen doo-wop, rhythm & blues en rock-'n-roll.
🎸 "Rock and Roll Is Here to Stay"
Hun tweede grote klassieker kwam kort daarna:
"Rock and Roll Is Here to Stay" (1958)
Ook dit nummer werd geschreven door Dave White. Het bereikte de Amerikaanse Top 20 en is tegenwoordig misschien wel net zo interessant als "At the Hop", omdat de titel eigenlijk een soort manifest is voor de nieuwe muziek.
De boodschap was duidelijk: rock-'n-roll was geen tijdelijke rage.
Dat bleek achteraf behoorlijk profetisch.
Andere belangrijke nummers
Naast hun twee grootste hits namen Danny & the Juniors verschillende andere singles op. Vooral deze zijn interessant voor liefhebbers van oude rock-'n-roll en popcorn/doowop:
At the Hop – 1957
Rock and Roll Is Here to Stay – 1958
Dottie – 1958
Twistin' U.S.A. – 1960/1961
Sometimes (When I'm All Alone)
A Thief
Crazy Cave
Back to the Hop
Ze kwamen tot meerdere kleinere hitnoteringen, maar konden het enorme succes van "At the Hop" niet meer evenaren. De Philadelphia Music Alliance vermeldt dat ze tot 1963 nog acht keer de hitlijsten haalden, met onder meer "Rock and Roll Is Here to Stay", "Dottie" en "Twistin' U.S.A.".
📻 Danny & the Juniors en American Bandstand
De groep is ook belangrijk vanwege de relatie met American Bandstand.
Dick Clark was in feite een van de personen die hun carrière een enorme impuls gaf. De toevallige televisieoptreden op 2 december 1957 veranderde een lokaal succesje in een nationale hit.
Dat is een mooi voorbeeld van hoe belangrijk televisie en lokale radio-dj's in de tweede helft van de jaren 50 waren voor de verspreiding van rock-'n-roll.
🎬 Film
Danny & the Juniors verschenen ook in de jukeboxfilm Let's Rock uit 1958, waarin ze onder andere "At the Hop" uitvoerden.
🕺 Hun plaats binnen de doo-wop
Wat Danny & the Juniors interessant maakt, is dat ze een beetje tussen verschillende werelden inzitten.
Doo-wop:
vierstemmige zang
vocale harmonieën
tienerromantiek
invloeden uit R&B en gospel
Rock-'n-roll:
stevige piano
dansritme
elektrische instrumenten
energieke uitvoering
Teenage pop:
eenvoudige, toegankelijke teksten
dansavonden en record hops als onderwerp
sterke nadruk op televisie en radio
Daarom zou ik ze omschrijven als een zeer belangrijke schakel tussen klassieke streetcorner-doowop en de commerciële rock-'n-roll van de late jaren 50. Philadelphia was bovendien een van de belangrijkste steden waar deze ontwikkeling plaatsvond.
🔄 De latere jaren
Het oorspronkelijke succes was vooral geconcentreerd rond 1957-1961. De groep bleef echter in verschillende samenstellingen optreden. In 1964 viel de oorspronkelijke periode grotendeels stil, waarna er vanaf 1968 opnieuw activiteiten waren.
De oorspronkelijke leden kregen uiteindelijk allemaal een verschillende levensloop. Leadzanger Danny Rapp overleed in 1983. Dave White en Joe Terry overleden in 2019; Frank Maffei, een van de oorspronkelijke leden, overleed in 2025.
De groep werd in 2003 opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame en kreeg eerder, in 1992, een plaats in de Philadelphia Music Alliance Walk of Fame.
🍿 Interessant voor Popcorn Oldies
Voor Popcorn Oldies zijn Danny & the Juniors zeker interessant. "At the Hop" is weliswaar vooral een klassieke rock-'n-rollplaat en geen typische trage popcornplaat, maar hun repertoire past uitstekend binnen de bredere late-50s vocal group / doo-wop / early rock-'n-roll hoek waaruit veel Europese popcorn-selecties werden samengesteld.
The Darts
🎙️ Darts
Darts ontstond in 1976 in Engeland en bestond uit een grote groep zangers en muzikanten. De groep kwam voort uit onder andere Rocky Sharpe and the Razors en John Dummer's Blues Band. Belangrijke leden waren Den Hegarty, Griff Fender, Rita Ray, Horatio Hornblower, Thump Thomson, George Currie, Hammy Howell, Bob Fish en drummer John Dummer.
Hun specialiteit was het opnieuw tot leven brengen van de Amerikaanse doo-wop, rhythm-and-blues en rock-'n-roll uit de jaren 50. Dat was opvallend, want in 1976-1979 was juist punk enorm populair in Groot-Brittannië. Darts wist echter met ouderwetse harmonieën, humor en een zeer energieke podiumact een groot publiek te bereiken.
⭐ De grote doorbraak: Daddy Cool
Hun eerste grote hit was de medley:
“Daddy Cool / The Girl Can't Help It”
Het eerste gedeelte, “Daddy Cool”, was oorspronkelijk een hit van The Rays uit 1957. Darts combineerde het met “The Girl Can't Help It”, het nummer dat in de jaren 50 met rock-'n-roll werd geassocieerd. De plaat werd eind 1977 een grote Britse hit.
Daarna volgde hun misschien wel bekendste plaat:
“Come Back My Love”
Dat nummer was oorspronkelijk geschreven voor en opgenomen door The Wrens in de jaren 50. De versie van Darts werd in 1978 een grote hit en bereikte in Nederland zelfs de 5e plaats van de Nationale Hitparade.
🎵 Andere bekende nummers
Een mooie Darts-playlist zou bijvoorbeeld zijn:
Daddy Cool / The Girl Can't Help It
Come Back My Love
Boy From New York City
Let's Hang On
Duke of Earl
It's Raining
Don't Let It Rain
Get It
The Boy From New York City
Reelin' and Rockin'
De groep had in Groot-Brittannië meerdere Top 20-hits en werd vooral bekend vanwege het opnieuw uitvoeren van Amerikaanse R&B- en doo-wopklassiekers.
🇳🇱 Darts en Nederland
Voor liefhebbers van Popcorn Oldies en doowop zijn Darts ook interessant. Hun muziek sluit heel goed aan bij de latere Europese belangstelling voor Amerikaanse 50s R&B en doo-wop. “Come Back My Love” werd in Nederland bijzonder succesvol en kreeg in 1978 zelfs de status van Troetelschijf bij Hilversum 3.
Dat maakt Darts eigenlijk een mooie brug tussen de oorspronkelijke Amerikaanse doo-wop uit de jaren 50 en de Europese revival van de jaren 70.
👤 Den Hegarty
Een van de opvallendste gezichten was Den Hegarty, bekend om zijn diepe stem en zeer expressieve podiumpresentatie. Hij werd later ook bekend als televisiepersoonlijkheid en bleef actief in de muziek. Hegarty hielp bovendien mee aan een latere heropleving van Darts.
Kort gezegd:
🇬🇧 Darts = Britse 70s doo-wop revival
🎵 Veel covers van Amerikaanse 50s R&B/doowop
🎙️ Sterke vocale harmonieën
💃 Zeer energieke live-act
⭐ Grote hits met Daddy Cool en Come Back My Love
🇳🇱 Vooral Come Back My Love was in Nederland een grote favoriet.


The Del Satins
The Del-Satins
De Del-Satins waren een Amerikaanse doo-wop- en rhythm-and-blues-vocalgroep uit New York, opgericht aan het einde van de jaren 50. Ze zijn vooral belangrijk omdat ze op een aantal grote hits van Dion de achtergrondzang verzorgden. Hun eigen platen waren veel minder succesvol, waardoor hun naam vaak ten onrechte wordt vergeten.
🎙️ Ontstaan in Manhattan
De groep ontstond rond 1958 uit twee straatgroepjes: de Yorkville Melodys en de Jokers. De jonge zangers oefenden op straat, in kelders en zelfs in ruimtes met een sterke galm, precies de omgeving waarin de typische New Yorkse doo-wopklank ontstond.
Tot de vroege bezetting behoorden onder anderen:
Stan Zizka – leadzanger
Fred Ferrara – bariton
Tom Ferrara – bas
Les Cauchi – tenor
Keith Koestner – tenor
De naam Del-Satins was een combinatie van twee bekende groepen: The Dells en The Five Satins. Aanvankelijk werd de naam zelfs als Dell-Satins geschreven.
🏆 Een belangrijke overwinning
De jongens waren bijzonder jong – de leden waren ongeveer 15 tot 17 jaar – maar ze waren al zeer fanatiek met zingen bezig.
Ze deden mee aan een grote New Yorkse Battle of the Groups en wonnen die wedstrijd. Dat leverde hen de mogelijkheid op om platen te maken. Hun eerste single was “I’ll Pray for You”, uitgebracht op het End-label.
⭐ De grote doorbraak: Dion
Het belangrijkste hoofdstuk uit de geschiedenis van de Del-Satins begon toen ze in contact kwamen met Dion.
Dion wilde na zijn periode met de Belmonts een wat krachtiger en moderner achtergrondkoor. De Del-Satins bleken daarvoor uitstekend geschikt.
En toen kwam “Runaround Sue”.
De Del-Satins zongen de karakteristieke achtergrondpartijen op de opname. De plaat werd in 1961 een enorme hit en bereikte nummer 1 in de Amerikaanse Billboard Hot 100. Opmerkelijk genoeg werden de Del-Satins op de oorspronkelijke hitplaat niet als achtergrondgroep vermeld.
Dat is een belangrijk stukje doo-wopgeschiedenis: veel mensen denken bij Runaround Sue automatisch aan Dion & the Belmonts, terwijl de vocale groep op die beroemde opname in werkelijkheid de Del-Satins was.
🎵 Andere Dion-hits
De samenwerking met Dion ging verder. De Del-Satins waren onder meer te horen op:
“Runaround Sue”
“The Wanderer”
“Lovers Who Wander”
“Little Diane”
“Love Came to Me”
“Ruby Baby”
“Donna the Prima Donna”
“Drip Drop”
Daarmee waren ze een van de belangrijke architecten achter het typische vocale geluid van Dion in het begin van de jaren 60.
💿 Hun eigen platen
Ondanks hun belangrijke werk als begeleidingsgroep hadden de Del-Satins zelf moeite om een grote landelijke hit te scoren.
Een van hun bekendste eigen nummers werd “Teardrops Follow Me”, dat in 1962 een regionale hit werd. De groep bracht daarnaast verschillende singles uit en werkte ook mee aan opnamen van andere artiesten.
Hun eigen stijl was typisch voor de overgang van klassieke streetcorner doo-wop naar vroege jaren-60 pop/rock-'n-roll: mooie harmonieën, een stevige baspartij en een wat rauwere New Yorkse sound.
🎤 Stan Zizka
Een belangrijke figuur binnen de groep was Stan Zizka, de leadzanger. Hij was afkomstig uit Brooklyn/Manhattan en begon al als tiener met zingen.
Zizka bleef later nauw verbonden met de naam Del-Satins. De groep werd in verschillende bezettingen opnieuw gevormd en trad ook vele jaren later nog op tijdens oldies- en doo-wopshows.
🌉 Uiteindelijk: The Brooklyn Bridge
Een bijzonder vervolg is dat verschillende leden uiteindelijk betrokken raakten bij The Brooklyn Bridge.
De Del-Satins gingen eind jaren 60 op in een nieuwe formatie waarin ook leden van andere groepen terechtkwamen. Fred Ferrara bleef bijvoorbeeld jarenlang actief. De nieuwe groep werd The Brooklyn Bridge, bekend van de grote hit “The Worst That Could Happen”.
🕺 Waarom zijn ze belangrijk voor doo-wop?
De Del-Satins zijn vooral interessant omdat ze een beetje een “onzichtbare” doo-wopgroep waren. Ze hadden niet de grote eigen hitlijstcarrière van bijvoorbeeld:
The Five Satins
The Flamingos
The Drifters
The Cleftones
The Crests
The Channels
Maar hun stemmen staan wél achter enkele zeer bekende platen uit de vroege jaren 60.
“Runaround Sue” is daarvan het perfecte voorbeeld.
Daarom zou ik de Del-Satins zeker opnemen in een overzicht van belangrijke New Yorkse streetcorner-doowopgroepen, ook al waren ze als zelfstandige hitgroep minder succesvol.
The Del-Vikings
The Del-Vikings
The Del-Vikings waren een Amerikaanse doo-wop- en vroege rock-'n-rollgroep uit Pittsburgh, Pennsylvania. Ze behoren tot de belangrijke vocal groups van de jaren vijftig en zijn vooral beroemd geworden door “Come Go with Me” en “Whispering Bells”.
✈️ Ontstaan bij de Amerikaanse luchtmacht
De groep ontstond rond 1955–1956 onder Amerikaanse luchtmachtmilitairen die in Pittsburgh waren gestationeerd. Clarence E. “C.E.” Quick speelde een belangrijke rol bij de oprichting. De oorspronkelijke bezetting bestond onder andere uit Clarence Quick, Kripp Johnson, Don Jackson, Samuel Patterson en Bernard Robertson.
Een bijzonder aspect van The Del-Vikings was dat het een raciaal gemengde groep was. Dave Lerchey, afkomstig uit Indiana, werd het eerste blanke lid. In een periode waarin de Amerikaanse samenleving nog sterk gesegregeerd was, was dat opmerkelijk. De groep wordt daarom vaak genoemd als een van de eerste succesvolle geïntegreerde vocal groups in de rock-'n-rollgeschiedenis.
🎵 “Come Go with Me”
Hun grote doorbraak kwam met “Come Go with Me”, geschreven door bassist Clarence Quick. Het nummer werd oorspronkelijk in 1956 opgenomen en kreeg vervolgens een nieuwe opname met instrumentale begeleiding. De single verscheen via het kleine Pittsburgh-label Fee Bee en werd daarna nationaal gedistribueerd door Dot Records.
Het resultaat was enorm:
🇺🇸 #4 Billboard Pop
#2 R&B
ongeveer 31 weken in de hitlijst
een miljoenensucces en een klassieker van de doo-wop.
Het nummer heeft precies dat herkenbare jaren-50-geluid: een sterke leadzang, een ritmische baspartij en de typische “doo-wop”-achtergrondzang.
🔔 “Whispering Bells”
Na “Come Go with Me” volgde nog een grote hit:
“Whispering Bells” (1957)
Deze plaat bereikte ongeveer #9 in de Amerikaanse pophitlijst en #5 op de R&B-lijst.
Voor liefhebbers van Popcorn Oldies is dit een interessante plaat, omdat de Del-Vikings die typische combinatie hebben van romantische vocal harmony, een licht swingend ritme en een melancholische sfeer.
💿 Andere interessante nummers
Naast hun twee bekendste hits namen ze onder meer op:
Come Go with Me
Whispering Bells
I'm Spinning
You Say You Love Me
Cool Shake
Jitterbug Mary
What Made Maggie Run
When I Come Home
Don't Be a Fool
I Hear Bells (Wedding Bells)
Face the Music
The Big Silence
“Cool Shake” werd in 1957 bovendien een hit en bereikte #12 op de poplijst en #9 R&B.
⚠️ Een nogal ingewikkelde geschiedenis
Na hun enorme succes ontstonden er problemen rond contracten, platenlabels en de militaire verplichtingen van verschillende leden. Daardoor veranderde de bezetting voortdurend.
Er ontstonden zelfs verschillende groepen die de naam Del-Vikings, Dell-Vikings of Del Vikings gebruikten. Dat maakt de discografie voor verzamelaars behoorlijk ingewikkeld.
Kripp Johnson bleef bijvoorbeeld bij Fee Bee, terwijl andere leden naar Mercury Records gingen. Uiteindelijk waren er verschillende versies van de groep actief.
🎬 Hun muziek in films
De bekendheid van The Del-Vikings bleef lang na de jaren vijftig bestaan. “Come Go with Me” kreeg een nieuwe generatie luisteraars door de film American Graffiti uit 1973. Ook dook hun muziek later op in Stand by Me uit 1986.
Dat is een belangrijke reden waarom “Come Go with Me” voor veel mensen niet alleen een doo-wopklassieker is, maar ook onderdeel van de nostalgische 50's/60's soundtrack.
⭐ Waarom zijn The Del-Vikings zo belangrijk?
The Del-Vikings zijn interessant omdat ze op meerdere gebieden belangrijk waren:
1. Ze hadden een van de meest herkenbare doo-wop-hits van de jaren vijftig.
2. Ze waren een succesvolle raciaal geïntegreerde groep in een tijd waarin dat bijzonder was.
3. Hun muziek vormde een mooie brug tussen R&B, doo-wop, pop en vroege rock-'n-roll.
4. “Come Go with Me” is een van de absolute klassiekers uit de vocal-groupperiode.
5. Hun platen zijn nog steeds geliefd bij verzamelaars van Doo-Wop, Rock & Roll en Popcorn Oldies.


The Dells
The Dells
The Dells waren een van de belangrijkste en langst actieve Amerikaanse vocal groups uit de geschiedenis van doowop, rhythm-and-blues en soul. De groep kwam uit Harvey, Illinois, vlak bij Chicago, en werd vooral bekend door hun krachtige harmonieën en de indrukwekkende leadzang van Marvin Junior.
🎙️ Beginjaren
The Dells ontstonden in 1952 onder de naam The El-Rays. De oorspronkelijke bezetting bestond onder anderen uit:
Marvin Junior – leadzanger
Johnny Funches – tenor
Verne Allison – bariton
Chuck Barksdale – bas
Mickey McGill – gitaar/tenor
Ze begonnen met het zingen van doowop in de typische Chicago-stijl: sterke baspartijen, fraaie close harmonies en veel nadruk op de leadzanger.
In 1954 veranderden ze hun naam in The Dells.
⭐ Doorbraak met "Oh, What a Night"
Hun eerste grote succes kwam in 1956 met:
"Oh, What a Night"
Het nummer werd een klassieker van de doowop. Vooral de combinatie van de dramatische leadzang en de achtergrondharmonieën maakte de plaat bijzonder.
Het nummer werd later verschillende keren opnieuw opgenomen en uitgebracht en groeide uit tot een van hun bekendste nummers.
💿 Een enorme carrière
The Dells waren bijzonder omdat ze niet alleen succesvol waren tijdens de oorspronkelijke doowop-periode. Ze wisten zich ook aan te passen toen de muziek veranderde.
In de jaren 60 gingen ze steeds meer richting soul en R&B.
Een van hun grootste successen was:
"Stay in My Corner" (1965)
Deze ballad werd een enorme hit en liet horen hoe goed The Dells hun klassieke harmonieën konden combineren met de soulstijl van de jaren zestig.
Andere bekende nummers zijn onder meer:
Oh, What a Night
Stay in My Corner
The Love We Had (Stays on My Mind)
Give Your Baby a Standing Ovation
Wear This Ring (With Love)
I Can Sing a Rainbow / Love Is Blue
🎵 Hun geluid
The Dells hadden een wat zwaarder en krachtiger geluid dan veel andere doowopgroepen.
Vooral Marvin Junior was bepalend. Zijn stem was diep, rauw en emotioneel en kon bijna als een soulzanger klinken. Daarachter stonden de zeer strakke harmonieën van de andere leden.
Daardoor vormen The Dells eigenlijk een brug tussen klassieke doowop en Chicago soul.
🏆 Een uitzonderlijk lange carrière
Wat The Dells echt bijzonder maakt, is hun levensduur. Veel doowopgroepen verdwenen na een paar jaar of verloren hun oorspronkelijke bezetting.
The Dells bleven echter meer dan vijf decennia actief.
Ze werden uiteindelijk opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame in 2004, als erkenning voor hun grote invloed op de Amerikaanse vocale R&B.
📻 Interessant voor liefhebbers van popcorn en doowop
Voor de popcorn oldies-liefhebber zijn The Dells zeker interessant. Hun vroege werk heeft precies die donkere, romantische en soms licht melancholische sfeer die je veel tegenkomt in Europese popcornverzamelingen.
Vooral "Oh, What a Night" is een plaat die absoluut thuishoort in een goede verzameling klassieke doowop.
The Dells horen zonder twijfel bij de grote namen van de Chicago doowop en behoren tot de vocal groups die de overgang van jaren-50 doowop → jaren-60 soul → jaren-70 R&B succesvol hebben meegemaakt.
The Delta Rhythm Boys
The Delta Rhythm Boys
The Delta Rhythm Boys waren een zeer invloedrijke Amerikaanse vocale groep die al in 1934 werd opgericht. Ze vormen een belangrijke schakel tussen de jubilee- en gospelgroepen van de jaren 30/40, de vroege rhythm & blues en de latere doo-wop van de jaren 50. De groep bleef uiteindelijk actief tot 1987.
🎤 Het ontstaan
De groep ontstond aan de Langston University in Oklahoma. De oorspronkelijke zangers waren onder anderen Lee Gaines, Traverse Crawford, Carl Jones en Kelsey Pharr. In 1936 verhuisden ze naar Dillard University in New Orleans, waar ze verder studeerden en optraden onder namen als het Frederick Hall Quintet.
Daar kregen ze een sterke muzikale opleiding. Dat is belangrijk, want de Delta Rhythm Boys waren niet zomaar een groepje dat alleen maar harmonieën zong: verschillende leden konden arrangeren en muziek lezen.
⭐ Doorbraak in New York
Eind jaren 30 trokken ze naar New York. Daar kregen ze werk bij Broadway-producties en radio. Ze traden onder andere op in:
Sing Out the News
The Hot Mikado
Hellzapoppin'
Ook kregen ze een eigen radioshow en verschenen ze regelmatig in populaire Amerikaanse radioprogramma's.
Daarna volgden filmoptredens. Uiteindelijk verschenen ze in ongeveer 15 films en korte films, waarmee ze veel bekender werden bij het grote publiek.
🎶 Hun kenmerkende stijl
De Delta Rhythm Boys waren bijzonder omdat ze verschillende muzikale werelden combineerden:
gospel → jubilee → jazz → swing → rhythm & blues → vroege doo-wop
Hun zang was strak gearrangeerd, met een zeer diepe bas, hoge tenorstemmen, call-and-response en soms bijna instrumentale vocale passages.
Daarmee liepen ze vooruit op groepen als de Ink Spots, The Ravens, The Orioles en later de talloze doo-wopgroepen uit New York, Philadelphia en Baltimore.
Volgens AllMusic worden ze dan ook gezien als een belangrijke brug tussen de vocale R&B-groepen van de jaren 30/40 en de doo-wopgroepen van de jaren 50.
💀 "Dry Bones"
Een van hun beroemdste nummers is "Dry Bones".
Dit is misschien wel het nummer waarmee je de Delta Rhythm Boys het beste kunt herkennen.
Hun arrangement maakt gebruik van steeds halve toon hoger gaan wanneer de botten worden genoemd. Daarna gaat de zang weer chromatisch naar beneden. Dat geeft het nummer een bijna komisch, maar tegelijkertijd enorm indrukwekkend effect.
Het bijzondere is dat de groep dit arrangement al tijdens audities gebruikte. Volgens Carl Jones werd het arrangement gemaakt door een muziekprofessor van Dillard University.
"Dry Bones" werd zo populair dat het publiek het nummer voortdurend van hen wilde horen. Jones vertelde later dat ze het soms beu waren om het steeds opnieuw te zingen, maar dat het simpelweg hun grote publieksfavoriet was geworden.
🚇 "Take the 'A' Train"
Ook hun versie van "Take the 'A' Train" is zeer belangrijk.
Het nummer was geschreven door Billy Strayhorn en werd beroemd als herkenningsmelodie van het orkest van Duke Ellington. De Delta Rhythm Boys maakten er een vocale versie van waarin de instrumentale melodie werd voorzien van zang en harmonieën.
Hun uitvoering is historisch interessant omdat ze een voorbeeld vormt van wat later vocalese zou worden genoemd: instrumentale jazzpartijen worden omgezet in vocale arrangementen. De Delta Rhythm Boys behoorden tot de vroege groepen die hiermee experimenteerden.
🎙️ Samenwerking met Ella Fitzgerald
Een andere belangrijke samenwerking was met Ella Fitzgerald.
In 1945 namen de Delta Rhythm Boys samen met Ella Fitzgerald onder andere "It's Only a Paper Moon" op. Hun stemmen wisselen elkaar af en zorgen voor een heel karakteristiek swingend vocaal arrangement.
Ze werkten daarnaast als achtergrondzangers voor verschillende bekende artiesten, waaronder:
Mildred Bailey
Charlie Barnet
Fred Astaire
Ella Fitzgerald
Ruth Brown
Dat laat zien hoe gerespecteerd hun vocale vakmanschap was.
📻 Radio, film en televisie
De groep was bijzonder actief in de Amerikaanse entertainmentwereld.
Ze waren te horen in programma's zoals:
Amos 'n' Andy
The Joan Davis Show
Daarnaast waren ze regelmatig te zien in Hollywood-films en korte muziekfilms. In de jaren 40 waren ze dus niet alleen een platenact, maar een echte showbusinessgroep.
📈 Hun grootste hit
Hun opname van "Just A-Sittin' and A-Rockin'" uit 1945 werd hun grootste Amerikaanse hit.
De plaat bereikte nummer 17 op de Amerikaanse poplijst en was daarmee hun enige Top 20-hit.
Interessant is dat ze meerdere nummers van Duke Ellington van teksten voorzagen. Lee Gaines was bovendien actief als tekstschrijver.
🇪🇺 De Delta Rhythm Boys en Europa
Voor iemand die geïnteresseerd is in oude Europese radio- en oldiescultuur is hun Europese periode extra interessant.
De groep kwam al in 1949 naar Europa en trad op in onder andere Stockholm en Londen. Later namen ze zelfs Zweedse volksliedjes op in het Zweeds en Finse liedjes in het Fins.
In de jaren 50 kregen ze een enorme populariteit in Scandinavië en andere delen van Europa.
In 1956 verhuisden ze permanent naar Europa.
Daarmee waren ze een vrij uitzonderlijk voorbeeld van een Amerikaanse zwarte vocale groep die een langdurige carrière opbouwde op het Europese continent.
💿 Waarom zijn ze belangrijk voor doo-wop?
Hoewel je de Delta Rhythm Boys strikt genomen niet als een typische doo-wopgroep moet beschouwen, zijn ze voor de ontwikkeling van doo-wop enorm belangrijk.
Hun muziek bevatte al veel elementen die later kenmerkend zouden worden voor doo-wop:
diepe baspartijen
hoge tenorharmonieën
vocale akkoorden
call-and-response
herhaalde achtergrondlettergrepen
sterke leadzanger tegenover de groep
jazz- en gospelharmonieën
Je kunt ze daarom zien als een voorloper van de klassieke doo-wop.
Voor liefhebbers van Doo-wop, Popcorn Oldies en vroege R&B zijn vooral "Dry Bones" en "Take the 'A' Train" essentieel. Hun harmonieën laten heel goed horen waar veel van de latere vocale groepen uit de jaren 50 hun muzikale erfenis vandaan haalden.
Kort gezegd: de Delta Rhythm Boys waren geen gewone doo-wopgroep, maar één van de belangrijke voorlopers van de hele Amerikaanse vocale-groepentraditie. Hun carrière van 1934 tot 1987 is bovendien uitzonderlijk lang.


The Demensions
The Demensions
The Demensions waren een Amerikaanse doo-wop/vocal-group uit The Bronx, New York, die vooral bekend werd door de prachtige, bijna klassieke uitvoering van “Over the Rainbow”. De groep ontstond rond 1960 en behoort tot de wat meer verfijnde kant van de New Yorkse doo-wop.
🎙️ De oorspronkelijke bezetting
De belangrijkste bezetting op hun vroege platen bestond uit:
Lenny Dell – leadzang
Phil “Uncle Phil” Del Giudice – zang
Howie Margolin – zang
Marisa Martelli – zang
De groep kwam voort uit leerlingen van Christopher Columbus High School in The Bronx. Aanvankelijk traden ze op onder de naam The Melody Singers en later werd dat The Demensions. De aparte spelling met een e was bewust gekozen.
Een belangrijke rol speelde Lou Dell, de vader van Lenny. Hij was professioneel trompettist en hielp de groep bij het arrangeren en perfectioneren van hun harmonieën.
🌈 “Over the Rainbow”
Hun grote doorbraak kwam in 1960 met “Over the Rainbow”, oorspronkelijk geschreven door Harold Arlen en E.Y. Harburg voor The Wizard of Oz.
De Demensions maakten er een compleet andere versie van: geen bombastische popproductie, maar een zachte, romantische doo-wopinterpretatie met zeer rijke vierstemmige harmonieën.
De New Yorkse dj Cousin Brucie van WINS begon de plaat te draaien, waarna hij snel populair werd. Het nummer bereikte uiteindelijk nummer 16 in de Billboard Hot 100 en nummer 17 in Canada.
Volgens de eigen groepsbiografie verkocht de plaat wereldwijd ongeveer 2,5 miljoen exemplaren.
💿 Andere belangrijke nummers
Naast “Over the Rainbow” namen The Demensions een reeks bekende standards en ballads op. Onder andere:
“My Foolish Heart”
“As Time Goes By”
“Count Your Blessings”
“Young at Heart”
“Your Cheatin' Heart”
“Seven Days a Week”
“Zing! Went the Strings of My Heart”
“Don't Take Your Love from Me”
“A Tear Fell”
“Fly Me to the Moon”
Hun repertoire was opvallend sterk gericht op romantische standards en ballads, waardoor ze een iets elegantere uitstraling hadden dan bijvoorbeeld The Cadillacs of The Cleftones.
❤️ “My Foolish Heart”
In 1962 namen ze “My Foolish Heart” op. Dit werd hun tweede en tevens laatste Billboard-hit. De single haalde in 1963 slechts nummer 95, maar is onder doo-wopverzamelaars wel interessant omdat hij precies die kenmerkende, warme Demensions-harmonie laat horen.
📺 Optredens
Op het hoogtepunt van hun populariteit waren The Demensions regelmatig te zien en horen in de omgeving van New York en New Jersey.
Ze traden onder andere op bij:
American Bandstand
The Clay Cole Show
Palisades Park
Freedomland U.S.A. in The Bronx
WINS Radio met Cousin Brucie
Palisades Park was in die periode een belangrijke ontmoetingsplaats voor rock-'n-roll- en doo-wopfans.
🎵 Hun plaats binnen de doo-wop
The Demensions zijn interessant omdat ze niet helemaal het typische street-corner-doowopgeluid hadden.
Waar groepen als The Cleftones, The Channels en The Jive Five vaak sterk vanuit rhythm-and-blues en straatzang kwamen, richtten The Demensions zich veel meer op:
mooie melodieën + close harmony + romantische teksten + popstandards.
Daarom passen ze uitstekend in een programma met romantische doo-wop, vocal groups en popcorn oldies. Hun muziek heeft vaak een dromerige en soms bijna klassieke sfeer.
🔄 Comeback
Na de jaren zestig bleef de naam The Demensions in verschillende bezettingen bestaan. In 1992 kwamen ze opnieuw de studio in en namen ze Beyond the Rainbow op, bijna dertig jaar na hun laatste oorspronkelijke opnamen. Opnieuw stonden “Over the Rainbow” en “My Foolish Heart” centraal.
Ook later bleef de groep optreden met nieuwe leden. Volgens de officiële groepssite trad onder andere Lenny Dell opnieuw met de groep op; hij overleed in 2021.
“Over the Rainbow” is absoluut de plaat die je moet kennen. Het is een prachtig voorbeeld van hoe doo-wop niet alleen rauwe street-corner R&B kon zijn, maar ook romantisch, verfijnd en bijna orkestrale vocal pop.
The Devotions
The Devotions
The Devotions waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Astoria, Queens (New York). Ze werden in 1960 opgericht en zijn vooral bekend geworden door de grappige novelty-doowopsong “Rip Van Winkle”, die uiteindelijk in 1964 een Top 40-hit werd.
🎙️ Het begin
De groep ontstond rond 1960 in Astoria. Tot de oorspronkelijke bezetting behoorden onder anderen Ray Sanchez, Bob Weisbrod, Bob Hovorka en de broers Frank en Joe Pardo. Ze oefenden intensief en zongen aanvankelijk vooral klassieke doo-wopballads, zoals:
“A Sunday Kind of Love”
“Life Is but a Dream”
“(I Love You) For Sentimental Reasons”
Bij een auditie voor platenbaas Bernie Zimming van Delta Records vond hij hun zang goed, maar hij wilde iets dat meer opviel bij tieners.
💤 “Rip Van Winkle”
Daarop schreef Ray Sanchez het nummer “Rip Van Winkle”, gebaseerd op het beroemde verhaal over de man die twintig jaar slaapt.
Het werd een nogal ongebruikelijke combinatie van doo-wopharmonie, humor en een verhalende tekst. Zimming was enthousiast genoeg om de groep vrijwel onmiddellijk de studio in te sturen.
De geschiedenis van de plaat is bijzonder:
Jaar Gebeurtenis
1961 Eerste uitgave op Delta Records
1962 Heruitgave nadat Roulette Delta had overgenomen
1963 Opnieuw uitgebracht door Roulette
1964 Werd uiteindelijk een hit
1964 Nr. 36 in de Billboard Hot 100
Het is dus typisch zo'n doo-wop one-hit-wonderverhaal: de plaat had meerdere pogingen nodig voordat hij daadwerkelijk doorbrak.
🎵 Wat maakt “Rip Van Winkle” bijzonder?
In tegenstelling tot veel romantische doo-wop uit die periode is het nummer vooral een novelty song. Het verhaal en de humor staan centraal, maar de typische achtergrondzang en harmonieën geven het toch dat herkenbare vroege-sixties-doowopgeluid.
Dat maakt The Devotions interessant voor liefhebbers van Doo Wop, Popcorn Oldies en obscure Amerikaanse 45's. De plaat past uitstekend tussen de wat vreemdere en minder voor de hand liggende oldies die later door verzamelaars werden herontdekt.
💿 Na “Rip Van Winkle”
Na het succes probeerde Roulette de groep verder uit te bouwen. Er kwamen nieuwe opnamen, waaronder “Snow White”, maar een tweede grote hit bleef uit. De bezetting veranderde bovendien regelmatig.
De groep verdween uiteindelijk uit de hitlijsten toen de muzieksmaak veranderde. De opkomst van de British Invasion maakte het voor veel traditionele Amerikaanse vocal harmony-groepen moeilijker om nog platencontracten en optredens te krijgen.
🔄 Een opmerkelijk tweede leven
Het verhaal van The Devotions hield echter niet helemaal op. In de jaren zeventig kwamen ze opnieuw bij elkaar onder de naam The Oasis, toen de belangstelling voor oude doo-wop en oldies weer toenam. Later werd de groep opnieuw geformeerd en bleef ze optreden met verschillende bezettingen.
Een latere groepsgeschiedenis vermeldt dat The Devotions vanaf het einde van de jaren tachtig opnieuw actief werden. Neil Keeffe kwam in 1990 bij de groep en bleef er vervolgens jarenlang bij.
⭐ Belangrijkste nummers
Naast “Rip Van Winkle” worden verschillende nummers met The Devotions geassocieerd, waaronder:
Rip Van Winkle
Snow White
Zindy Lou
Tears from a Broken Heart
Sunday Kind of Love
(I Love You) For Sentimental Reasons
De oude groepswebsite noemt ook “The Dawning of Love” en andere opnamen.
📻 Voor de oldies- en popcornliefhebber
Als je The Devotions naast groepen als The Cleftones, The Crows, The Chimes, The Channels en The Classics zet, hoor je mooi hoe breed de Amerikaanse doo-wopwereld was. The Devotions zitten vooral aan de kant van de lichte, melodieuze en soms humoristische vocal-group sound.
“Rip Van Winkle” is daarbij absoluut de plaat om mee te beginnen. Het is een mooi voorbeeld van hoe een relatief onbekende lokale groep uiteindelijk, na meerdere releases, toch een nationale hit kon krijgen.
En juist dat soort platen zijn interessant binnen de Popcorn Oldies-wereld: niet altijd de grootste hits, maar nummers met een bijzondere sfeer, melodie of geschiedenis.


The Diamonds
The Diamonds – een belangrijke naam in de doowop
The Diamonds waren een Canadese vocale groep uit Toronto die in de jaren vijftig uitgroeide tot een van de bekendste groepen die doowop en rhythm-and-blues naar het grote poppubliek brachten. De groep werd in 1953 gevormd en bestond oorspronkelijk uit Dave Somerville (lead), Ted Kowalski (tenor), Phil Levitt (bariton) en Bill Reed (bas).
Hun verhaal is interessant omdat The Diamonds eigenlijk op het kruispunt stonden van zwarte R&B/doowop en de blanke popmarkt van de jaren vijftig.
🎤 De oorspronkelijke bezetting
De vier oorspronkelijke leden kwamen uit verschillende achtergronden. Ze ontmoetten elkaar in Toronto en ontwikkelden een stijl met zeer strakke vierstemmige harmonieën. Dave Somerville werd het herkenbare gezicht en de leadzanger van de groep.
De groep zong aanvankelijk onder meer op lokale bijeenkomsten, kerkelijke evenementen en radioprogramma's. Uiteindelijk kregen ze belangstelling van de muziekindustrie en tekenden ze in 1955 bij Mercury Records.
⭐ Hun grote doorbraak: "Little Darlin'"
Het nummer waarmee The Diamonds definitief beroemd werden was:
"Little Darlin'" – 1957
Het nummer was oorspronkelijk opgenomen door The Gladiolas, een zwarte R&B-groep onder leiding van Maurice Williams. The Diamonds maakten er een veel commerciëlere pop/rock-'n-rollversie van.
Hun uitvoering bereikte nummer 2 in de Amerikaanse Billboard-hitlijst en werd een gouden plaat. Volgens de Canadian Music Hall of Fame zijn er uiteindelijk ongeveer 20 miljoen exemplaren van verkocht.
Het verschil tussen de originele Gladiolas-versie en die van The Diamonds is bijzonder interessant voor liefhebbers van doowop. De originele versie heeft duidelijker de rauwe R&B-benadering, terwijl The Diamonds het nummer voorzien van een veel strakkere, gepolijste rock-'n-rollproductie.
💃 "The Stroll"
Een andere enorme hit was "The Stroll", eveneens uit 1957.
Dit was geen traditionele doowopsong maar een zeer belangrijk nummer in de ontwikkeling van de stroll-dansrage. Het nummer bereikte nummer 4 in de Billboard-hitlijst.
Het is een heerlijk voorbeeld van hoe The Diamonds hun vocale harmonieën combineerden met de opkomende rock-'n-rollcultuur.
👤 "Silhouettes"
Ook "Silhouettes" werd in 1957 een grote hit.
Het oorspronkelijke nummer was van The Rays, een zwarte New Yorkse doowopgroep. The Diamonds namen het nummer over en bereikten ermee nummer 10 in de Billboard-hitlijst. De plaat werd bovendien goud.
Hier zie je heel duidelijk hun historische rol: The Diamonds namen R&B- en doowopmateriaal van zwarte artiesten en brachten dit naar een veel groter blank poppubliek.
🎶 Andere belangrijke nummers
Als je The Diamonds voor je doowop/popcorn oldies-verzameling wilt leren kennen, zou ik vooral deze nummers beluisteren:
Jaar Nummer Opmerking
1956 Why Do Fools Fall in Love Cover van Frankie Lymon & the Teenagers
1956 Church Bells May Ring Oorspronkelijk The Willows
1956 Black Denim Trousers and Motorcycle Boots Rock-'n-roll/R&B
1957 Little Darlin' Hun grootste hit
1957 Silhouettes Oorspronkelijk The Rays
1957 The Stroll Grote danshit
1958 Walking Along Mooie vocale pop/doowop
1958 She Say (Oom Dooby Doom) Typische late-50s vocal pop
1959 Kathy-O Meer popgericht
1960 The Diamond Blues Latere stijl
The Diamonds hadden in totaal 15 Top-40-hits tussen 1956 en 1961; sommige bronnen tellen 16 Billboard-hitnoteringen, afhankelijk van de gebruikte hitlijst/definitie.
Waarom zijn The Diamonds zo belangrijk voor doowop?
Er is een belangrijk onderscheid.
The Diamonds waren geen zwarte straat-doowopgroep zoals bijvoorbeeld The Flamingos, The Moonglows of The Five Satins. Ze waren een Canadese blanke vocal group die sterk werd beïnvloed door R&B en doowop.
Hun betekenis zit vooral hierin:
zwarte R&B → doowop → The Diamonds → mainstream pop/rock-'n-roll
In de jaren vijftig was dat belangrijk omdat veel Amerikaanse radiostations nog terughoudend waren met het draaien van platen van zwarte artiesten. Coverversies door blanke groepen konden daardoor een veel groter poppubliek bereiken.
Dat maakt The Diamonds tegelijkertijd muzikaal interessant én historisch belangrijk.
🎙️ Dave Somerville
De belangrijkste stem van de klassieke Diamonds was Dave Somerville. Hij was de oorspronkelijke leadzanger en gaf de groep een herkenbaar geluid.
Somerville was oorspronkelijk zelfs werkzaam als radio-ingenieur bij de CBC voordat The Diamonds professioneel doorbraken.
Hij bleef tot het begin van de jaren zestig bij de groep en overleed in 2015 op 81-jarige leeftijd.
🏆 Erkenning
De betekenis van The Diamonds is later officieel erkend:
Canadian Music Hall of Fame – 1984
Vocal Group Hall of Fame
Doo-Wop Hall of Fame
drie gouden platen voor "Little Darlin'", "The Stroll" en "Silhouettes"
33 optredens bij American Bandstand
Hun muziek verscheen later ook in American Graffiti en Happy Days, waardoor een nieuwe generatie kennismaakte met hun muziek.
Dante & the Evergreens
Dante & the Evergreens
Dante & the Evergreens was een Amerikaanse vocale groep uit Californië die vooral bekend werd tijdens de overgang van doo-wop en rock-'n-roll naar de vroege pop van de jaren 60. De groep werd in 1959 gevormd aan Santa Monica College.
🎤 Bezetting
De belangrijkste leden waren:
Donald "Dante" Drowty – leadzanger
Frank Rosenthal – bas
Bill Young – bariton
Tony Moon – tenor, gitarist en arrangeur
De groep had daarmee een typische vocale bezetting van een late jaren-50/1960-groep, waarbij de leadzang werd omringd door harmonieën en een lage baspartij.
⭐ De doorbraak: "Alley-Oop"
Hun grote moment kwam in 1960 met "Alley-Oop", een komisch novelty-nummer geschreven door Dallas Frazier.
Bijzonder is dat vrijwel tegelijkertijd ook de Hollywood Argyles met een versie kwamen. Beide uitvoeringen werden grote hits. De versie van Dante & the Evergreens bereikte:
#15 Billboard Hot 100
#1 Cash Box
in verschillende steden aan de Amerikaanse oostkust zelfs de eerste plaats.
De Hollywood Argyles werden landelijk nog succesvoller met hun versie en bereikten #1 op Billboard. Maar op de oostkust was de plaat van Dante & the Evergreens bijzonder populair.
⏰ "Time Machine"
De opvolger "Time Machine" uit 1960 is voor liefhebbers van obscure Amerikaanse vocal harmony misschien zelfs interessanter.
Het nummer werd uitgebracht op Madison Records en bereikte #73 op de Billboard Hot 100. In regionale hitlijsten deed de plaat het aanzienlijk beter; in Vancouver kwam hij bijvoorbeeld tot #6 op CFUN.
Het nummer heeft duidelijk meer het karakter van een vroege-sixties vocal-groupplaat dan het nogal gekke "Alley-Oop".
🎶 Hun plaats binnen de doo-wop
Dante & the Evergreens zijn interessant omdat ze een beetje tussen twee werelden zitten.
Ze kwamen voort uit de vocale groepscultuur van de jaren 50, maar hun platen werden gemaakt op het moment dat de Amerikaanse popmuziek snel veranderde. Je hoort elementen van:
doo-wop → rock-'n-roll → teen-pop → novelty pop
Daarom worden ze tegenwoordig zowel bij doo-wop als bij vroege pop/rock & roll ingedeeld. AllMusic beschrijft ze bijvoorbeeld als een vocal group binnen pop/rock en benadrukt vooral hun vocale achtergrond.
🏛️ Bijzonder voor de Amerikaanse muziekscene
Een belangrijk stukje geschiedenis is dat Dante & the Evergreens een van de eerste blanke vocale groepen waren die optraden in belangrijke zalen die sterk verbonden waren met de Afro-Amerikaanse muziekcultuur.
Ze stonden onder andere in:
Apollo Theater – New York
Uptown Theater – Philadelphia
Howard Theatre – Washington D.C.
Dat was in die periode behoorlijk bijzonder.
🤝 Jan & Dean en Herb Alpert
De groep kreeg een belangrijke kans dankzij Dean Torrence van Jan & Dean.
Torrence bracht hen in contact met zijn managers Herb Alpert en Lou Adler. Tony Moon speelde vervolgens een belangrijke rol bij de arrangementen en het verder ontwikkelen van het groepsgeluid.
Dat is interessant, want Alpert en Adler zouden later enorme namen worden in de Amerikaanse popmuziek.
📻 Een echte "oldies"-plaat
Voor liefhebbers van Popcorn Oldies, Doo-wop, Early Sixties en obscure Amerikaanse vocal groups zijn Dante & the Evergreens daarom een leuke naam.
Vooral deze twee zou ik onthouden:
Alley-Oop – 1960 ⭐⭐⭐⭐⭐
Hun grote novelty-hit en absolute klassieker.
Time Machine – 1960 ⭐⭐⭐⭐
Veel interessanter als je specifiek van vocal harmony en vroege-sixties sfeer houdt.
Hun platen kwamen ook later terecht op diverse doo-wop- en early-sixties-verzamelalbums.
🕰️ Korte carrière
Het succes van "Alley-Oop" bleek moeilijk te herhalen. "Time Machine" werd nog een bescheiden hit, maar nieuwe grote successen bleven uit. Uiteindelijk viel de groep uiteen nadat de leden verschillende richtingen opgingen.
Tony Moon ging later naar Nashville en werkte onder meer als gitarist, arrangeur, songwriter en producer. Donald "Dante" Drowty bleef actief in de muziekwereld als schrijver en producer.
Kort samengevat: Dante & the Evergreens waren geen langdurige supergroep, maar wel een interessante schakel tussen de klassieke 50s doo-wop vocal groups en de commerciële early-60s pop. Vooral hun strijd met de Hollywood Argyles rond "Alley-Oop" maakt ze tot een opvallend stukje Amerikaanse muziekgeschiedenis.


Dion
Als je van doo-wop, rock-’n-roll en popcorn oldies houdt, is Dion DiMucci — kortweg Dion — een heel belangrijke naam. Hij behoort tot de grote sterren van de Amerikaanse rock-’n-roll vóór de Britse invasie. In 1989 werd hij opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame.
🎤 Wie was Dion?
Dion Francis DiMucci werd geboren op 18 juli 1939 in The Bronx, New York. Hij groeide op in een Italiaans-Amerikaanse wijk en begon al jong met zingen. Zijn muzikale smaak was opvallend breed: naast vroege rock-’n-roll hield hij bijvoorbeeld sterk van countryzanger Hank Williams.
Als tiener zong hij met vrienden op straat en in cafés. In 1957 vormde hij samen met Fred Milano, Angelo D'Aleo en Carlo Mastrangelo de groep Dion and the Belmonts. De naam Belmonts kwam van Belmont Avenue in de Bronx.
🎶 Dion & the Belmonts: echte doo-wop
De combinatie was bijzonder: Dion had een krachtige, herkenbare leadstem en de Belmonts zorgden voor de vierstemmige harmonieën.
Hun belangrijkste nummers waren:
I Wonder Why – 1958
No One Knows – 1958
Don't Pity Me – 1958
A Teenager in Love – 1959
Where or When – 1959
Vooral I Wonder Why is een prachtig voorbeeld van Bronx-doowop: korte vocale uitroepen, diepe bas, hoge tenor en Dion die er bovenop zingt. De groep combineerde doo-wop met R&B en vroege rock-’n-roll.
A Teenager in Love werd vervolgens een enorme hit en behoort tot de bekendste Amerikaanse tienerklassiekers uit 1959.
✈️ Dion en "The Day the Music Died"
Een bijzonder hoofdstuk in zijn verhaal is de Winter Dance Party van 1959, de tour met onder anderen Buddy Holly, Ritchie Valens en The Big Bopper.
Dion kreeg de mogelijkheid om mee te vliegen met het vliegtuig dat Buddy Holly, Ritchie Valens en The Big Bopper naar het volgende optreden zou brengen. Hij besloot echter niet mee te vliegen omdat het bedrag voor de vlucht volgens hem te hoog was. Het vliegtuig verongelukte op 3 februari 1959.
Daarmee werd Dion een van de artiesten die de ramp van "The Day the Music Died" overleefden.
🚶 Dion solo
In 1960 verliet Dion de Belmonts en begon hij aan een solocarrière. Dat bleek een uitstekende beslissing.
Zijn muziek werd wat harder, ritmischer en meer R&B-georiënteerd. Hij ontwikkelde bovendien een veel persoonlijkere stijl.
Zijn grootste klassiekers kwamen toen:
Runaround Sue – 1961
Een van zijn absolute meesterwerken. Het nummer combineert rock-’n-roll, R&B en doo-wop-harmonieën. Dion schreef het samen met Ernie Maresca.
The Wanderer – 1961
Misschien wel zijn bekendste nummer. De gitaar, het ritme en vooral Dions zelfverzekerde zang maakten het tot een klassieker. Het nummer werd later een soort persoonlijk handelsmerk van Dion.
Lovers Who Wander – 1962
Een wat melodieuzere en romantischere kant van Dion.
Ruby Baby – 1962
Een nummer dat oorspronkelijk van The Drifters was. Dion maakte er een zeer herkenbare rock-’n-rollversie van.
Donna the Prima Donna – 1963
Een typisch Dion-nummer met sterke vocale harmonieën en een uitgesproken tienerpopgevoel.
💿 Zijn stijl
Dion is interessant omdat hij eigenlijk meerdere genres met elkaar verbond:
doo-wop → R&B → rock-’n-roll → pop → folk → blues
De Rock & Roll Hall of Fame omschrijft hem als iemand die R&B en doo-wop wist te combineren en daarmee hielp bij de overgang naar een nieuwe generatie rock-’n-roll.
Zijn stem is daarbij essentieel. Hij zingt niet zo "glad" als bijvoorbeeld een traditionele popzanger. Er zit een rauw, stedelijk Bronx-geluid in zijn stem.
🌑 Een moeilijke periode
Halverwege de jaren zestig kreeg Dion te maken met een ernstige heroïneverslaving. Hierdoor kwam zijn carrière in een moeilijke periode terecht en nam zijn commerciële succes sterk af. Tegelijkertijd ontwikkelde hij zich muzikaal verder richting blues, folk en singer-songwriter-materiaal.
In 1968 kwam een opmerkelijke comeback met:
Abraham, Martin and John
Het was een totaal andere Dion dan de jonge rocker van Runaround Sue. Het nummer was een ingetogen eerbetoon aan Abraham Lincoln, Martin Luther King Jr. en John F. Kennedy en werd opnieuw een grote hit.
🎸 De latere Dion
Dion bleef daarna muziek maken en liet zich niet vastpinnen op zijn oude rock-’n-roll-imago. In de jaren zeventig maakte hij onder andere folk en blues. Later keerde hij terug naar rock en rootsmuziek.
Vanaf de jaren 2000 richtte hij zich sterk op blues en rootsmuziek. Albums als Bronx in Blue en Stomping Ground laten horen dat Dion veel meer was dan alleen de zanger van oude hits. Ook op latere albums werkte hij samen met bekende muzikanten.
⭐ Belangrijkste nummers voor een oldies-/doo-wop-liefhebber
Als je Dion vooral vanuit de 50s/60s oldies en doo-wop wilt leren kennen, zou ik deze volgorde aanraden:
I Wonder Why – Dion & the Belmonts
No One Knows – Dion & the Belmonts
A Teenager in Love – Dion & the Belmonts
Where or When – Dion & the Belmonts
Lonely Teenager – Dion
Runaround Sue – Dion
The Wanderer – Dion
Lovers Who Wander – Dion
Ruby Baby – Dion
Donna the Prima Donna – Dion
Drip Drop – Dion
Abraham, Martin and John – Dion
🏆 Zijn plaats in de muziekgeschiedenis
Dion is vooral belangrijk omdat hij een brug vormt tussen de klassieke doo-wop van de jaren 50 en de volwassen rock, folk en blues van de jaren 60 en daarna. Hij begon als straatzanger in de Bronx, werd tieneridool, rock-’n-rollster, singer-songwriter en uiteindelijk bluesartiest.
Een mooi detail is dat Dion in 1989 werd opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame — maar dat de oorspronkelijke Belmonts daarbij niet afzonderlijk werden opgenomen. Dat is door de jaren heen een controversieel punt geweest.
Dion and the Belmonts
Dion and the Belmonts
Dion and the Belmonts waren een van de belangrijkste blanke doo-wopgroepen uit het New York van de late jaren vijftig. Ze kwamen uit The Bronx, waar het zingen op straat en op straathoeken een belangrijk onderdeel was van de jeugdcultuur. Hun muziek combineerde doo-wop, rhythm-and-blues en vroege rock-'n-roll.
De groep bestond uit:
Dion DiMucci – leadzang
Angelo D'Aleo – eerste tenor
Fred Milano – tweede tenor
Carlo Mastrangelo – bariton/bas
De naam Belmonts kwam van Belmont Avenue in de Bronx. Dion sloot zich in 1957 aan bij het al bestaande trio.
🎙️ Hun typische geluid
Wat Dion & the Belmonts bijzonder maakte, was het contrast tussen Dion's vrij krachtige, soms bijna rock-'n-rollachtige stem en de zachte, gelaagde harmonieën van de Belmonts.
Je hoort veel typische doo-wop-elementen:
"doo-wah / ooh-wah / shoo-bop",
een sterke baspartij, hoge tenorharmonieën en een leadzanger die het verhaal vertelt.
Daardoor klonken ze wat rauwer en stedelijker dan veel van de meer gepolijste popgroepen uit die periode.
⭐ "I Wonder Why" – de doorbraak
In 1958 verschenen ze op Laurie Records met "I Wonder Why". Het nummer werd hun eerste grote succes en bereikte de Amerikaanse Top 40.
Het nummer is een prachtig voorbeeld van klassieke Bronx-doowop: Dion zingt de lead terwijl de Belmonts daar zeer strak omheen zingen.
Luister vooral naar de vocale opening. Dat soort ritmische achtergrondzang werd een belangrijk onderdeel van het herkenbare Dion & the Belmonts-geluid.
❤️ "A Teenager in Love"
Hun absolute doorbraak kwam in 1959 met:
A Teenager in Love
Het nummer werd geschreven door Doc Pomus en Mort Shuman en bereikte nummer 5 van de Billboard Hot 100.
Het is misschien wel hét nummer waarmee je Dion & the Belmonts moet associëren.
Het gaat over de onzekerheid van een verliefde tiener: waarom doet liefde soms pijn, waarom ontstaan er ruzies en waarom is iemand die je liefhebt soms ook degene die je het meest kan kwetsen?
De combinatie van Dion's stem en de "ooh-wah"-harmonieën van de Belmonts maakt het nummer typisch 1959.
Interessant detail: Angelo D'Aleo zat op dat moment bij de Amerikaanse marine, maar hij kwam speciaal terug om aan de opnamen mee te werken. Hij is daardoor op sommige promotiefoto's afwezig, terwijl hij wel op de opnamen te horen is.
💃 "Where or When"
Later in 1959 kwamen ze met "Where or When", oorspronkelijk geschreven door Rodgers en Hart.
Dit werd hun grootste hit als groep en bereikte nummer 3 in de Billboard Hot 100.
Het is interessant omdat het iets anders klinkt dan "A Teenager in Love". Het is meer een romantische popballad en laat zien dat Laurie Records Dion & the Belmonts steeds meer richting een breder poppubliek wilde sturen.
✈️ De Winter Dance Party van 1959
Dion & the Belmonts maakten in 1959 deel uit van de beroemde Winter Dance Party-tour, samen met onder andere Buddy Holly, Ritchie Valens en The Big Bopper.
Na een optreden op 2 februari 1959 besloten enkele artiesten een vliegtuig te nemen. Het vliegtuig crashte kort na het opstijgen op 3 februari 1959, waarbij Buddy Holly, Ritchie Valens en The Big Bopper omkwamen.
Dion zat niet in het vliegtuig. Volgens de Rock & Roll Hall of Fame vond hij de prijs van $35 voor de vlucht te hoog en besloot hij niet mee te vliegen.
Dat is een van de meest opmerkelijke toevalligheden uit de vroege rock-'n-rollgeschiedenis.
💔 Het einde van Dion & the Belmonts
In 1960 begonnen er spanningen te ontstaan.
Dion wilde meer rock-'n-roll en rhythm & blues maken, terwijl de platenmaatschappij hem steeds meer richting traditionele pop en standards duwde. De muzikale verschillen tussen Dion en de Belmonts werden groter.
Daarnaast had Dion in die periode ernstige problemen met heroïneverslaving.
In oktober 1960 verliet hij de groep en begon hij aan een solocarrière.
En dat bleek een buitengewoon succesvolle beslissing.
🎸 Dion solo
Dion werd daarna simpelweg Dion.
Zijn eerste grote solohits waren onder andere:
Lonely Teenager – 1960
Runaround Sue – 1961
The Wanderer – 1961
Lovers Who Wander – 1962
Ruby Baby – 1963
Donna the Prima Donna – 1963
Abraham, Martin and John – 1968
Vooral "Runaround Sue" en "The Wanderer" zijn klassiekers geworden. Bij zijn vroege solowerk werd Dion onder andere begeleid door The Del-Satins, niet door de Belmonts.
Dat verklaart ook waarom sommige platenverzamelingen nummers als Runaround Sue ten onrechte onder Dion & the Belmonts plaatsen.
🎤 De Belmonts gingen verder
De Belmonts stopten niet toen Dion vertrok. Ze gingen verder als The Belmonts.
Ze hadden daarna onder andere succes met:
Tell Me Why
Come On Little Angel
I Need Someone
I Confess
Such a Long Way
Hun commerciële succes was echter kleiner dan in de periode met Dion.
Dion en de Belmonts kwamen later verschillende keren weer bij elkaar. Er waren reünies in 1966/67, 1972 en 1973. Een belangrijke reünie vond plaats in 1972 in Madison Square Garden.
🏆 Hun betekenis voor doo-wop
Dion & the Belmonts zijn voor de geschiedenis van de doo-wop bijzonder belangrijk omdat ze de straatcultuur van de Bronx naar de nationale hitlijsten brachten.
Hun formule was ongeveer:
Bronx street corner harmony + R&B + Italiaanse-Amerikaanse zangtraditie + rock-'n-roll = Dion & the Belmonts
Ze worden vaak beschouwd als een van de succesvolste blanke doo-wopgroepen van hun tijd. In 2000 werden Dion & the Belmonts opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame. Dion zelf werd al in 1989 opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame.


Don and Juan
Don & Juan – een mooie doo-wopklassieker
Don & Juan was een Amerikaans vocaal duo uit Long Beach, New York, bestaande uit Roland “Don” Trone en Claude “Juan” Johnson. Ze zijn vooral bekend geworden door één grote hit: “What’s Your Name” uit 1961/1962. Het nummer groeide uit tot een echte doo-wopklassieker.
🎤 De twee zangers
Roland “Don” Trone
Geboren: 2 juli 1936
Overleden: mei 1982
Zanger van het duo
Claude “Juan” Johnson
Geboren: 24 november 1934
Overleden: 31 oktober 2002
Zanger, songwriter en de belangrijkste stem achter het duo
Johnson had vóór Don & Juan al ervaring opgedaan bij de doo-wopgroep The Genies.
⭐ “What’s Your Name”
Hun grote plaat was “What’s Your Name”, geschreven door Claude Johnson. De single verscheen op Big Top Records en werd opgenomen in 1961. In 1962 bereikte hij maar liefst nummer 7 van de Amerikaanse Billboard Hot 100. Het was hun enige Top 40-hit.
Het is een prachtig voorbeeld van de overgang van de klassieke jaren-50-doo-wop naar de meer gepolijste vroege soul/pop van de jaren 60. De plaat heeft de typische romantische tekst, zachte harmonieën en vocale uitroepen die zo kenmerkend zijn voor doo-wop. AllMusic omschrijft de stijl als een soort grensgebied tussen de oude jaren-50-doo-wop en de opkomende soul.
De opening is meteen herkenbaar:
“What's your name? I have seen you before”
Het verhaal is eenvoudig: een jongen ziet een meisje, raakt geïnteresseerd en probeert haar naam en aandacht te krijgen.
🎶 Andere nummers
Na het succes van “What’s Your Name” probeerde Big Top Records het duo verder uit te bouwen. Enkele interessante nummers zijn:
What's Your Name – 1961/62 ⭐
Chicken Necks – B-kant van “What's Your Name”
Two Fools Are We
Magic Wand – hun tweede en veel kleinere hit
What I Really Meant to Say
True Love Never Runs Smooth
Lonely Man
Pledging My Love
Sincerely
I Can't Help Myself
Because I Love You
“Magic Wand” haalde nog de Amerikaanse hitlijst en kwam tot ongeveer nummer 91, maar een tweede grote doorbraak bleef uit.
🔙 De connectie met The Genies
Dit maakt Don & Juan extra interessant voor liefhebbers van doo-wop.
Claude Johnson was namelijk eerder lid van The Genies, een Brooklynse doo-wopgroep. De Genies hadden in 1959 een bescheiden hit met “Who's That Knocking”, dat nummer 71 op de Amerikaanse poplijst bereikte. Johnson was bovendien mede-auteur van het nummer.
Daarna gingen Johnson en Trone hun eigen weg en ontstond Don & Juan.
💿 Waarom zijn ze belangrijk?
Don & Juan waren geen groep met tientallen grote hits zoals The Drifters of Dion and the Belmonts. Hun betekenis ligt vooral in één uitzonderlijk sterke plaat.
“What’s Your Name” heeft alles wat een doo-wopliefhebber zoekt:
romantiek + close harmony + eenvoudige tekst + herkenbare vocale hooks + een lichte soul-invloed.
Daardoor bleef het nummer ook na de oorspronkelijke hitperiode populair onder verzamelaars en liefhebbers van oldies en doo-wop.
Zo hoor je mooi de ontwikkeling van late jaren-50-doowop → vroege jaren-60 soulachtige vocal pop.
The Dreamlovers
The Dreamlovers
The Dreamlovers waren een Amerikaanse doo-wop- en R&B-groep uit Philadelphia, Pennsylvania. Ze werden in 1956 opgericht en zijn vooral bekend geworden door de prachtige huwelijksballad “When We Get Married” uit 1961. Die plaat werd een grote Amerikaanse hit en bereikte nummer 10 in de Billboard Hot 100.
🎙️ De beginjaren
De groep begon in de jaren 50 onder verschillende namen. Ze traden onder andere op als The Romancers en The Midnighters. In die periode waren ze onderdeel van de levendige Philly-doowopscene.
Bijzonder is dat ze als The Midnighters studiomuzikanten/vocalisten waren bij de vroege opnamen van een jonge Chubby Checker. Ze zongen mee op de oorspronkelijke opname van “The Twist”, nog voordat Checker zijn grote doorbraak kreeg.
Dat maakt The Dreamlovers interessant: ze waren niet alleen een zelfstandige groep, maar maakten ook deel uit van de achtergrond van de vroege Philadelphia-pop- en R&B-industrie.
🎵 “When We Get Married”
Hun absolute meesterwerk is:
“When We Get Married” – 1961 – Heritage Records
Het nummer werd geschreven door groepslid Donald “Don” Hogan. Hogan zingt ook de leadpartij. Rond hem klinkt de typische rijke vijfstemmige harmonie van de groep. De opname combineert een romantische doo-wopballad met een wat voller R&B-arrangement en vibrafoon.
De tekst gaat heel letterlijk over het vooruitzicht van een huwelijk: een groot feest, uitnodigingen voor familie en vrienden en samen een nieuw leven beginnen. Daardoor heeft het nummer een heel warme, optimistische sfeer.
Het werd hun grootste hit:
Billboard Hot 100: #10 (1961).
Het nummer werd later opnieuw populair door covers van onder andere The Intruders in 1970 en Larry Graham in 1980.
👥 Bezetting
De klassieke bezetting bestond onder andere uit:
Don Hogan – leadzang
Morris Gardner – leadzang
James Dunn – bas
Clifton “Cliff” Dunn – bariton
Tommy Ricks – tenor
Cleveland Hammock – tenor
De groep kende in de loop der jaren verschillende personeelswisselingen.
💿 Andere mooie opnamen
Hoewel “When We Get Married” hun bekendste nummer is, hebben ze behoorlijk wat interessant materiaal opgenomen.
Een paar nummers die zeker de moeite waard zijn:
For the First Time (1960)
Home Is Where the Heart Is (1960)
Annabelle Lee (1960)
Time (1961)
May I Kiss the Bride (1961)
Just Because (1961)
Welcome Home (1961)
Zoom Zoom Zoom (1962)
If I Should Lose You (1962)
I Miss You (1962)
Sad Sad Boy (1963)
Pretty Little Girl (1963)
Oh Baby Mine (1964)
You Gave Me Somebody to Love (1965)
Vooral “If I Should Lose You” is belangrijk: het was hun tweede en laatste nummer dat de Billboard Hot 100 haalde, met een piek rond #62 in 1962.
🇬🇧 “You Gave Me Somebody to Love”
Een leuk zijspoor voor liefhebbers van Britse pop en R&B is “You Gave Me Somebody to Love” uit 1965.
Het nummer werd later opgenomen door Manfred Mann, die er in 1966 een Britse hit mee had.
Dat laat goed zien hoe Amerikaanse doo-wop en R&B-materiaal in de jaren 60 door Britse beatgroepen werd ontdekt en opnieuw geïnterpreteerd.
🏙️ Typisch Philadelphia-doowop
The Dreamlovers horen bij een heel herkenbare Philadelphia-school van doo-wop. Hun stijl ligt dicht bij groepen als:
The Dubs
The Jive Five
The Capris
The Danleers
The Channels
The Turbans
Hun muziek heeft doorgaans een combinatie van romantische teksten, sterke bas/baritonpartijen, hoge tenoren en een duidelijke leadzanger. Apple Music omschrijft hun stijl als vroege R&B en doo-wop.
⭐ Waarom zijn ze belangrijk?
The Dreamlovers zijn een mooi voorbeeld van een groep die veel belangrijker is dan alleen die ene hit. Ze waren onderdeel van de overgang van klassieke jaren-50-doowop naar de meer commerciële R&B/pop van de vroege jaren 60.
Bovendien hadden ze een interessante dubbele rol: zelf platen maken én als achtergrondzangers bijdragen aan de Philadelphia-hitmachine rond Cameo/Parkway en artiesten als Chubby Checker.
Voor iemand die zich verdiept in doo-wop, popcorn oldies en Amerikaanse 45-toerenplaten zijn The Dreamlovers daarom absoluut een groep om te onthouden.


The Drifters
The Drifters zijn een van de belangrijkste groepen uit de geschiedenis van doo-wop, rhythm & blues en vroege soul. Hun geschiedenis is bovendien bijzonder omdat er door de jaren heen ontzettend veel verschillende zangers in de groep zaten.
🎙️ The Drifters
The Drifters ontstonden in 1953 in New York rond zanger Clyde McPhatter. McPhatter was daarvoor de beroemde hoge tenor van Billy Ward & His Dominoes. Atlantic Records-baas Ahmet Ertegun zag McPhatter optreden en wilde hem onmiddellijk voor Atlantic Records hebben. Hij stimuleerde hem om een eigen zanggroep op te richten.
De oorspronkelijke Drifters combineerden de gospelachtige zangstijl van McPhatter met de harmonieën van doo-wop. Daardoor kregen ze een geluid dat veel krachtiger en professioneler klonk dan dat van veel straatgerichte doo-wopgroepen.
⭐ De Clyde McPhatter-periode
De eerste grote Drifters-periode was kort, maar enorm belangrijk.
De bekendste nummers waren:
Money Honey – 1953
Such a Night – 1954
Honey Love – 1954
White Christmas – 1954
What'cha Gonna Do – 1955
Vooral "Money Honey" werd een enorme R&B-hit. McPhatter had een zeer herkenbare, hoge tenor die later grote invloed zou hebben op soulzangers.
In 1954 werd McPhatter voor militaire dienst opgeroepen. Daarna begon hij aan een solocarrière. Daarmee verloor The Drifters zijn oorspronkelijke stem.
🔄 Een groep met voortdurend wisselende zangers
Hier wordt de geschiedenis van The Drifters ingewikkeld.
De manager George Treadwell kreeg uiteindelijk de controle over de naam The Drifters. De leden werden relatief slecht betaald en er waren voortdurend personeelswisselingen. Daardoor zijn er eigenlijk verschillende generaties Drifters geweest.
Een van de belangrijkste zangers na McPhatter was:
🎤 Johnny Moore
Johnny Moore werd een belangrijke leadzanger in de jaren vijftig en keerde later opnieuw terug. Hij zou uiteindelijk een van de langst dienende Drifters worden.
Maar de grote ommekeer kwam in 1958.
🌟 Ben E. King en de gouden periode
In 1958 ontsloeg Treadwell de toenmalige Drifters en stelde hij vrijwel een compleet nieuwe groep samen rond leden van The Five Crowns.
Een van die zangers was:
Benjamin Earl Nelson – beter bekend als Ben E. King.
En dat werd een gouden combinatie.
De Drifters gingen van pure doo-wop/R&B steeds meer richting soul en elegante pop-R&B.
Hun grote nummers werden:
There Goes My Baby – 1959
Dance with Me – 1959
This Magic Moment – 1960
Save the Last Dance for Me – 1960
I Count the Tears – 1960
"There Goes My Baby" was bijzonder belangrijk. De productie gebruikte onder andere strijkers en een veel voller arrangement. Dat was een belangrijke stap richting de latere soulmuziek en beïnvloedde onder meer de ontwikkeling van het Wall of Sound-geluid.
💃 "Save the Last Dance for Me"
Dit is misschien wel een van de beroemdste Drifters-platen.
"Save the Last Dance for Me" werd in 1960 een enorme hit en bereikte de eerste plaats in de Amerikaanse hitlijsten. Ben E. King zingt de lead.
Het nummer heeft een interessante combinatie: een opgewekte, dansbare begeleiding met een tekst waarin een man tegen zijn geliefde zegt dat ze gerust met andere mensen mag dansen, maar dat hij degene is die uiteindelijk haar liefde heeft.
🎤 Ben E. King vertrekt
In 1960 verliet Ben E. King The Drifters om solo te gaan.
Dat bleek opnieuw geen ramp voor de groep.
Hij werd opgevolgd door onder andere Rudy Lewis, en daarmee begon opnieuw een zeer succesvolle periode.
Rudy Lewis is voor veel liefhebbers van doo-wop en soul een enigszins onderschatte zanger. Zijn stem was minder hoog en gospelachtig dan die van McPhatter, maar hij had een warme, expressieve soulstem.
🌃 Rudy Lewis-periode
Met Rudy Lewis kwamen opnieuw grote hits:
Some Kind of Wonderful
When My Little Girl Is Smiling
Up on the Roof
On Broadway
Saturday Night at the Movies
Under the Boardwalk
De groep werd steeds minder een pure doo-wopgroep en steeds meer een soulvolle pop-R&B-groep.
Vooral "Up on the Roof" uit 1962 is prachtig: rustig, romantisch en bijna filmisch.
🎸 "On Broadway"
"On Broadway" uit 1963 is een andere klassieker.
Het nummer werd geschreven door Barry Mann, Cynthia Weil, Jerry Leiber en Mike Stoller. De productie combineerde de vocale harmonieën van The Drifters met een veel moderner soularrangement.
Het is een uitstekend voorbeeld van de overgang:
doo-wop → R&B → soul
🌴 "Under the Boardwalk"
Dan komen we bij waarschijnlijk hun bekendste plaat voor het grote publiek:
Under the Boardwalk – 1964
Het verhaal erachter is bijzonder.
Rudy Lewis overleed onverwacht op 20 mei 1964, vlak voor een geplande opnamesessie. Omdat de opname van "Under the Boardwalk" de volgende dag gepland stond, nam Johnny Moore de leadzang over.
Het werd een enorme hit en bereikte de Top 10 in Amerika.
Het nummer is inmiddels een absolute oldiesklassieker.
📻 The Drifters en de Nederlandse oldiescultuur
Voor liefhebbers van popcorn oldies, doo-wop en piratenhits zijn The Drifters bijzonder interessant.
Je hoort verschillende kanten van de groep:
Vroege Drifters
→ rauwe R&B / doo-wop
→ Clyde McPhatter
Ben E. King-periode
→ elegante doo-wop / soul
→ "There Goes My Baby"
→ "This Magic Moment"
→ "Save the Last Dance for Me"
Rudy Lewis-periode
→ soulvolle pop
→ "Up on the Roof"
→ "On Broadway"
→ "Under the Boardwalk"
Daardoor passen The Drifters eigenlijk in meerdere verzamelingen tegelijk.
💿 Belangrijke stemmen
Als je The Drifters chronologisch wilt leren kennen, zou ik vooral deze zangers onthouden:
Zanger Periode Kenmerk
Clyde McPhatter 1953–1954 Hoge gospelachtige tenor
Johnny Moore meerdere periodes Klassieke tenor, lange carrière
Ben E. King 1958–1960 Warme soulstem
Rudy Lewis 1960–1964 Expressieve soulzanger
Charlie Thomas meerdere periodes Belangrijke achtergrondzanger
Bill Pinkney vroege periode Zeer belangrijke basstem
Deze zeven historische leden — waaronder McPhatter, King, Lewis, Moore, Pinkney en Thomas — werden later erkend door de Rock & Roll Hall of Fame.
🏆 Rock & Roll Hall of Fame
The Drifters werden in 1988 opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame. Hun invloed wordt daar vooral gezien in de ontwikkeling van R&B, doo-wop en soul.
Een bijzonder aspect van The Drifters is dat de groep niet ophield te bestaan toen de oorspronkelijke leden verdwenen. Er ontstonden verschillende formaties die de naam gebruikten. Daardoor is de latere geschiedenis behoorlijk ingewikkeld.
Er bestaan zelfs vandaag nog Drifters-formaties die optreden met het klassieke repertoire.
The Dubs
The Dubs – een prachtige Harlem-doowopgroep
The Dubs waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Harlem, New York, die vooral in 1957 een paar schitterende platen maakte. Hun naam is onlosmakelijk verbonden met “Could This Be Magic”, een van de klassieke romantische doowop-ballads uit de jaren vijftig.
🎙️ Het ontstaan
The Dubs ontstonden rond 1956 uit twee eerdere Harlem-groepen:
The Five Wings
The Scale-Tones
De belangrijkste zanger werd Richard Blandon, die de kenmerkende leadzang van The Dubs voor zijn rekening nam. De oorspronkelijke bezetting bestond verder uit Cleveland Still, Billy Carlisle, James “Jake” Miller en Thomas Gardner, die in 1957 werd vervangen door Tommy Grate.
Aanvankelijk noemden ze zichzelf The Marvels. Onder die naam namen ze voor ABC-Paramount de single I Won't Have You Breaking My Heart op, maar die werd geen succes. Daarna veranderden ze hun naam in The Dubs.
⭐ Hun grote platen uit 1957
“Don't Ask Me to Be Lonely”
Dit was hun eerste belangrijke plaat als The Dubs. Het nummer werd geschreven door Richard Blandon en verscheen eerst op het kleine Johnson-label, waarna George Goldner het nummer via Gone Records nationaal uitbracht.
Het bereikte uiteindelijk ongeveer #72 in de Billboard Hot 100.
Het is een typisch voorbeeld van de melancholieke New Yorkse doowopstijl: een mooie leadzanger, zachte achtergrondharmonieën en een romantische tekst over een verbroken relatie.
“Could This Be Magic”
Dit is zonder twijfel hun bekendste nummer.
De plaat verscheen in 1957 en werd geschreven door Richard Blandon en Hiram Johnson. Het nummer bereikte #23 in de Billboard Hot 100 en groeide later uit tot een echte doowop-klassieker.
Wat het nummer zo bijzonder maakt, is de combinatie van:
een zeer emotionele leadzang;
hoge tenorharmonieën;
diepe baspartijen;
een langzaam, bijna zwevend arrangement;
die typische romantische New York street-corner sound.
Voor liefhebbers van late-night doowop en popcorn oldies is dit een bijzonder interessante plaat.
💿 “Chapel of Dreams”
Een andere belangrijke Dubs-opname is “Chapel of Dreams”. Deze werd oorspronkelijk uitgebracht in 1958. Toen de plaat later opnieuw werd uitgebracht, kreeg hij in 1959 opnieuw aandacht en bereikte hij ongeveer #74 in de Billboard Hot 100.
Het nummer past perfect bij de meer romantische kant van doowop en wordt tegenwoordig regelmatig meegenomen op compilaties met klassieke vocal-group muziek.
🎤 Richard Blandon
Richard Blandon was het gezicht en vooral de stem van The Dubs.
Hij schreef bovendien belangrijke nummers van de groep, waaronder “Don't Ask Me to Be Lonely” en “Could This Be Magic”. Zijn zang was minder agressief dan die van sommige andere doowopleads uit New York. Hij zong juist warm, beheerst en gevoelig.
Na het uiteenvallen van de oorspronkelijke groep in 1958 ging Blandon onder andere bij The Vocaleers zingen. In 1959 bracht hij The Dubs echter weer bij elkaar.
🚶 Waarom verdwenen The Dubs zo snel?
Ondanks het succes van Could This Be Magic werd The Dubs geen langdurige grote hitgroep.
Na de twee successen van 1957 bleven de volgende singles achter bij de verwachtingen. De groep raakte bovendien teleurgesteld over de financiële opbrengsten van hun werk. Eind 1958 gingen de leden tijdelijk uit elkaar.
Dat is typisch voor de doowopgeschiedenis: een groep kon één of twee prachtige platen maken, een hit scoren en daarna vrijwel volledig uit de commerciële muziek verdwijnen.
🔄 Maar The Dubs verdwenen niet helemaal
In 1959 werd de groep opnieuw opgericht. Blandon keerde terug als leadzanger en verschillende oude leden kwamen weer bij elkaar. Later veranderde de bezetting verschillende keren.
De groep bleef zelfs gedurende de jaren zestig en zeventig actief en nam voor verschillende labels op. In de jaren tachtig ontstonden zelfs verschillende versies van The Dubs rond voormalige leden.
Richard Blandon overleed in 1991, maar de naam The Dubs bleef daarna nog bestaan in verschillende formaties.
🎶 De belangrijkste Dubs-platen
Als je ze wilt ontdekken, zou ik deze volgorde nemen:
Could This Be Magic – 1957 ⭐⭐⭐⭐⭐
Don't Ask Me to Be Lonely – 1957 ⭐⭐⭐⭐⭐
Chapel of Dreams – 1958 ⭐⭐⭐⭐
Beside My Love
Be Sure My Love
Such Lovin'
Is There a Love for Me
Your Very First Love
Wisdom of a Fool
This to Me Is Love
The Dubs horen daarmee zeker thuis in het rijtje naast groepen als The Cleftones, The Danleers, The Dells, The Demensions, The Crows en The Classics.


The Duprees
The Duprees
The Duprees waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Jersey City, New Jersey, die vooral bekend werd in 1962 en 1963. Hun grote kracht was een combinatie van street-corner harmonieën, romantische ballads en een rijk orkestgeluid. Ze waren daarmee een beetje anders dan veel andere doo-wopgroepen uit die tijd.
🎙️ De beginjaren
De groep ontstond rond 1959 uit twee lokale groepen: de Utopians en de Elgins. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Joey Canzano, later bekend als Joey Vann – leadzang
Joe Santollo – eerste tenor
John Salvato – tweede tenor
Michael Arnone – bariton
Tom Bialoglow – bas
Ze traden aanvankelijk op onder de naam The Parisians. Hun repertoire bestond voor een belangrijk deel uit romantische standards en oudere popliedjes.
Toen ze bij Coed Records terechtkwamen, werd de naam veranderd in The Duprees. Producent George Paxton gaf de groep bovendien een veel grootser arrangement dan je bij een traditionele street-corner doo-wopgroep zou verwachten.
⭐ "You Belong to Me"
Hun absolute klassieker is "You Belong to Me", uitgebracht in 1962.
Het nummer was helemaal niet nieuw: het was al eerder een hit geweest voor onder andere Jo Stafford en Patti Page. De Duprees maakten er echter iets totaal anders van: een dramatische, bijna filmische doo-wopballad met orkestbegeleiding en de zeer herkenbare stem van Joey Vann.
Het resultaat was enorm:
"You Belong to Me" → #7 Billboard Hot 100 (1962).
Het is waarschijnlijk het nummer waarmee je The Duprees het beste kunt herkennen.
Andere belangrijke hits
Jaar Nummer Billboard Hot 100
1962 You Belong to Me #7
1962 My Own True Love #13
1963 Have You Heard #18
1963 Why Don't You Believe Me #37
1963 (It's No) Sin #74
1963 Gone with the Wind #89
1965 Around the Corner #93
🎵 "My Own True Love"
Ook "My Own True Love" is bijzonder. Het nummer komt uit de film Gone with the Wind en was oorspronkelijk een grote romantische filmsong.
De Duprees maakten er opnieuw een doo-wopballad van. Het nummer bereikte #13 in de Amerikaanse hitlijst.
Dat verklaart ook waarom de groep zo interessant is voor liefhebbers van Popcorn Oldies: de Duprees namen oude, vaak zeer sentimentele nummers en gaven ze een nieuw, langzaam en dansbaar doo-wopkarakter.
🎶 Wat maakte hun geluid zo bijzonder?
De Duprees waren eigenlijk een soort brug tussen twee werelden.
Aan de ene kant hadden ze:
typische Italiaanse-Amerikaanse street-corner harmony
tenor-, bariton- en baspartijen
romantische doo-wop
vocale antwoorden en harmonieën
Maar daarnaast hadden ze:
strijkers
blazers
grote orkestarrangementen
een bijna croonerachtig karakter
Daarom omschrijven muziekhistorici hen soms als een groep die doo-wop combineerde met de wereld van de traditionele Amerikaanse pop.
Dat is ook waarom je bij The Duprees soms meer aan The Four Aces, The Lettermen of een crooner met een orkest moet denken dan aan rauwere groepen als The Cleftones of The Clovers.
📻 Het einde van de grote hits
De timing van The Duprees was eigenlijk ongelukkig.
In 1962–1963 waren ze succesvol, maar vanaf 1964 veranderde de Amerikaanse popmuziek razendsnel door de British Invasion. The Beatles, The Rolling Stones en andere Britse groepen veranderden de smaak van het publiek.
Het laatste nummer van The Duprees dat de Billboard Hot 100 haalde was "Around the Corner" in 1965.
Leadzanger Joey Vann verliet de groep rond deze periode. Hij werd vervangen door Mike Kelly. De groep bleef vervolgens bestaan en opnemen, maar het grote commerciële succes uit 1962–63 kwam niet meer terug.
🕺 The Duprees en Popcorn Oldies
Voor Popcorn Oldies zijn The Duprees absoluut interessant.
Hun platen hebben precies een aantal eigenschappen die later populair werden binnen de Europese popcornscene:
langzaam tempo + romantische tekst + donkere sfeer + sterke melodie + orkestrale begeleiding + mooie harmonieën.
Vooral:
You Belong to Me
My Own True Love
Have You Heard
Why Don't You Believe Me
(It's No) Sin
zijn goede nummers om naast andere popcornklassiekers te leggen.
De groep werd in 2006 opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame.
The Dynamics
The Dynamics was een Amerikaanse doo-wopgroep uit de jaren 50, vooral interessant voor liefhebbers van de wat rauwere, minder commerciële kant van de vocal-group scene.
🎙️ The Dynamics
The Dynamics kwamen uit de Verenigde Staten en maakten deel uit van de enorme doo-wopgolf die in de jaren 50 ontstond rond straatzanggroepen, kleine platenlabels en lokale talentenjachten.
Hun muziek is te plaatsen tussen doo-wop, rhythm-and-blues en early rock-'n-roll. Kenmerkend zijn de meerstemmige harmonieën, een leadzanger die duidelijk op de voorgrond staat en de typische achtergrondpartijen met vocale "oohs" en "aahs".
🎵 Hun stijl
Bij The Dynamics hoor je elementen die je ook bij andere groepen uit de periode tegenkomt:
🎶 sterke lead vocal
🎤 vier- of vijfstemmige achtergrondzang
❤️ romantische ballads
🕺 uptempo R&B en rock-'n-roll
🎹 eenvoudige maar effectieve begeleiding
🎵 veel nadruk op harmonie en samenzang
Dat maakt ze interessant binnen de classic doo-wop en zeker voor verzamelalbums met obscure vocal-group singles.
💿 Platen
The Dynamics zijn vooral bekend bij verzamelaars van 50s doo-wop en obscure R&B. Hun repertoire is veel minder bekend bij het grote publiek dan dat van bijvoorbeeld The Platters, The Coasters of The Flamingos.
Een complicerende factor is dat er meerdere Amerikaanse groepen met de naam The Dynamics hebben bestaan. Daardoor worden platen en biografische gegevens soms door elkaar gehaald.
⭐ Waarom interessant voor jouw doo-wopcollectie?
Als je bezig bent met de geschiedenis van doo-wop, zijn The Dynamics vooral interessant omdat ze laten zien hoe groot de scene werkelijk was. Naast de bekende namen bestonden er honderden lokale groepen die één of enkele singles uitbrachten en daarna weer verdwenen.
Dat soort groepen vormt tegenwoordig juist een belangrijk onderdeel van de rare/obscure doo-wop-verzamelcultuur.


The Earls
The Earls zijn een heel belangrijke groep binnen de Amerikaanse doo-wop, vooral bekend door hun grote klassieker “Remember Then” uit 1962. De groep kwam uit The Bronx, New York en was jarenlang verbonden met zanger Larry Chance.
🎤 Het ontstaan
De geschiedenis begint eigenlijk al in 1957, toen Larry Figueiredo en enkele vrienden in The Bronx een zanggroep vormden onder de naam The High Hatters. Ze zongen veel op straat en bij lokale gelegenheden, helemaal in de traditie van de New Yorkse street-corner doo-wop.
De belangrijkste zanger was Larry Figueiredo, die later de artiestennaam Larry Chance aannam. De bezetting veranderde in de beginjaren regelmatig. Tot de vroege leden behoorden onder andere Bob Del Din, Eddie Harder, Larry Palumbo en John Wray.
⭐ “Life Is But a Dream”
In 1961 maakten The Earls hun eerste platen voor Rome Records. Een van hun belangrijkste vroege opnamen was “Life Is But a Dream”.
Het nummer laat goed horen wat The Earls bijzonder maakte: krachtige leadzang van Chance, daaromheen vierstemmige harmonieën en een wat steviger rock-'n-roll/R&B-arrangement dan bij sommige andere doo-wopgroepen.
🚀 Hun grote succes: “Remember Then”
Hun bekendste plaat werd “Remember Then”, uitgebracht in 1962 op Old Town Records.
Het nummer is een prachtig voorbeeld van de overgang van klassieke doo-wop naar de meer commerciële pop van het begin van de jaren zestig. Het kenmerkende:
“Re-meh-meh… remember…”
maakt de plaat onmiddellijk herkenbaar.
“Remember Then” bereikte de 24e plaats van de Billboard Hot 100 en nummer 29 op de R&B-hitlijst.
Voor liefhebbers van oldies, popcorn en doo-wop is dit absoluut een plaat die in een goede collectie thuishoort.
🎶 Andere belangrijke nummers
Naast “Remember Then” zijn vooral deze nummers interessant:
Life Is But a Dream
Never
I Believe
Looking for My Baby
Kissing
Eyes
Little Boy and Girl
Without You
Lost Love
Oh What a Time
Don't Forget
Let's Waddle
De groep had daarmee een behoorlijk uitgebreid repertoire, ook al bleef “Remember Then” hun grote nationale hit.
🕺 Typische Earls-sound
Wat ik zelf zo kenmerkend vind aan The Earls is dat ze niet uitsluitend de zachte, romantische kant van doo-wop lieten horen.
Hun stijl bevat:
sterke leadzang
diepe baspartijen
typische shoo-bop-achtergrondzang
R&B-invloeden
rock-'n-roll
soms behoorlijk stevige instrumentale begeleiding
Volgens AllMusic gebruikten The Earls bovendien opvallend vaak een volledige bandbegeleiding, waardoor ze zich onderscheidden van veel andere vocal groups uit dezelfde periode.
👤 Larry Chance
Larry Chance was het gezicht en de stem van The Earls. Hij bleef gedurende tientallen jaren nauw met de groep verbonden.
Na de eerste periode in de jaren zestig kwam er een sterke oldies revival. In de jaren zeventig en tachtig werden The Earls opnieuw zeer populair op doo-wop- en oldiesconcerten. Daardoor bleef de groep veel langer actief dan veel van hun tijdgenoten.
Chance overleed op 5 september 2023, 82 jaar oud.
Na zijn overlijden werd de groep voortgezet. Op de officiële website staat dat dit gebeurde volgens Chance' wens, met Bobby Tribuzio als een van de mensen die de voortzetting op zich nam.
The Earth Angels
The Earth Angels – het begin van The Teenagers
The Earth Angels ontstonden rond 1953/1954 in Washington Heights, Manhattan. De groep werd gevormd door twee schoolvrienden van de Edward W. Stitt Junior High School:
Jimmy Merchant – tenor
Sherman Garnes – bas
De naam Earth Angels was ontleend aan de grote doowop-hit “Earth Angel” van The Penguins uit 1954.
De groep was echter maar van korte duur. Merchant en Garnes gingen samenwerken met Herman Santiago en Joe Negroni, waarna de groep verschillende namen kreeg.
De naamsveranderingen
De ontwikkeling verliep ongeveer zo:
The Earth Angels
↓
The Coupe De Villes
↓
The Ermines
↓
The Premiers
↓
The Teenagers
↓
Frankie Lymon & The Teenagers
Dat maakt The Earth Angels dus eigenlijk de oervorm van een van de beroemdste Amerikaanse doowopgroepen aller tijden.
🎙️ Frankie Lymon komt erbij
In 1954 kwam de toen slechts 12-jarige Frankie Lymon bij de groep. Hij woonde eveneens in Washington Heights.
De oorspronkelijke bezetting waaruit The Teenagers voortkwam bestond uiteindelijk uit:
Frankie Lymon – leadzang
Herman Santiago – tenor
Jimmy Merchant – tenor
Joe Negroni – bariton
Sherman Garnes – bas
Dit werd een uitzonderlijk sterke vocale combinatie. Vooral het contrast tussen de zeer hoge, jeugdige stem van Lymon en de diepe bas van Garnes gaf de groep zijn karakteristieke geluid.
⭐ Waarom zijn The Earth Angels belangrijk?
Hoewel The Earth Angels zelf geen bekende platen hebben uitgebracht, zijn ze historisch enorm interessant.
Ze vormden namelijk de wortel van The Teenagers, een groep die in 1956 de Amerikaanse popmuziek veranderde met:
“Why Do Fools Fall in Love”
Het nummer was geschreven door Herman Santiago en Jimmy Merchant, waarbij Frankie Lymon later hielp bij het herschrijven. Tijdens de auditie voor Gee Records was Santiago ziek en zong de jonge Lymon de lead. Producer George Goldner was onder de indruk en contracteerde de groep als The Teenagers.
De plaat werd een enorme hit en bereikte nummer 7 van de Billboard Hot 100.
🎶 De echte betekenis voor de doowop
The Earth Angels horen bij de typische New Yorkse street-corner doowopcultuur van begin jaren vijftig. Jongens vormden groepjes op school, oefenden in portieken, gangen en op straat en probeerden vier- of vijfstemmige harmonieën te maken.
Dat was precies de voedingsbodem waaruit groepen als:
The Cleftones
The Cadillacs
The Valentines
The Chantels
The Teenagers
The Flamingos
voortkwamen.
Het mooie aan het verhaal van The Earth Angels is dat je hier letterlijk kunt zien hoe een schoolgroepje uit Washington Heights zich ontwikkelde tot een internationaal bekende rock-'n-roll/doowopgroep.
En een leuk detail
De naam The Earth Angels was dus niet toevallig gekozen: hij verwees naar “Earth Angel (Will You Be Mine)” van The Penguins, een van de belangrijkste vroege doowopplaten. De groep begon daarmee eigenlijk met een duidelijke verwijzing naar de muziek die ze zelf bewonderden.
Kort gezegd: The Earth Angels waren geen afzonderlijke succesvolle platenact zoals The Penguins of The Dubs. Ze waren de allereerste voorloper van Frankie Lymon & The Teenagers — en daarmee een heel belangrijk stukje van de geschiedenis van de New Yorkse doowop.


The Echoes
.🎵 The Echoes – “Baby Blue”
De groep bestond uit:
Tommy Duffy
Tom Morrissey
Harry Boyle
De drie waren oorspronkelijk verbonden aan een groep die The Laurels heette. In 1960 veranderden ze hun naam in The Echoes.
Hun grote kans kwam met “Baby Blue”, een nummer geschreven door Sam Guilino en Val Lagueux. De Laurels hadden het nummer aanvankelijk als een langzame, bijna Earth Angel-achtige ballad opgenomen. Nadat de bezetting veranderde, namen de nieuwe Echoes het opnieuw op in een vlottere cha-cha/doowop-uitvoering.
Het resultaat werd hun grote hit:
“Baby Blue” – The Echoes (1961)
Billboard Hot 100: #12
Canada CHUM: #8
ongeveer 12 weken in de Amerikaanse Hot 100
B-kant: “Boomerang”
Een heel herkenbaar onderdeel van de plaat is dat de groep de naam “Baby Blue” letterlijk zingt/spelt: B-B-A-B-Y, B-B-L-U-E. Dat geeft de plaat een typisch vroeg-60s doo-wop/popgevoel.
💿 Andere nummers
Na “Baby Blue” verschenen onder andere:
“Boomerang”
“Sad Eyes (Don't You Cry)”
“Over the Rainbow”
“Someone”
“I Love Candy”
De groep had echter geen tweede hit die in de buurt kwam van het succes van “Baby Blue”. Uiteindelijk verdwenen The Echoes halverwege de jaren zestig uit beeld.
⭐ Waarom zijn ze interessant voor doo-wop?
The Echoes zitten precies op het omslagpunt van klassieke doo-wop naar vroege Amerikaanse pop van de jaren zestig. “Baby Blue” heeft nog duidelijke vocale harmonie en de romantische sfeer van de jaren 50, maar de productie en het ritme wijzen al naar de popmuziek van 1961.
Voor liefhebbers van The Capris, The Tokens, The Earls, Dion & the Belmonts, The Duprees en The Mystics is The Echoes daarom zeker een groep om erbij te hebben.
Leuk detail: de naam The Echoes werd door meerdere doo-wopgroepen gebruikt. Er was bijvoorbeeld ook een zwarte gemengde groep uit Los Angeles die in 1956–57 onder de naam The Echoes opnam, met onder anderen Darlene Wright (later Darlene Love).
The Edsels
The Edsels
The Edsels waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Campbell, Ohio, die vooral beroemd werd door één van de meest herkenbare nummers uit de vroege rock-'n-roll en doo-wop: “Rama Lama Ding Dong”. De groep ontstond in 1957 en bestond oorspronkelijk uit vijf zangers.
De oorspronkelijke bezetting
De klassieke bezetting was:
George “Wydell” Jones Jr. – leadzang en belangrijkste songwriter
Larry Greene – eerste tenor
James Reynolds – tweede tenor
Harry Greene – bariton
Marshall Sewell – bas
De groep heette aanvankelijk The Essos, maar veranderde de naam in The Edsels, naar de nieuwe Ford Edsel die vanaf 1957 op de markt kwam.
⭐ “Rama Lama Ding Dong”
Het verhaal achter hun grootste hit is eigenlijk heel bijzonder.
George Jones schreef het nummer en The Edsels namen het al in 1957 op. De eerste single verscheen in 1958 bij Dub Records, maar op de eerste persingen stond door een fout de titel:
“Lama Rama Ding Dong”
in plaats van “Rama Lama Ding Dong”.
Aanvankelijk gebeurde er weinig. Het nummer werd wel lokaal gedraaid, maar het werd geen nationale hit.
Pas drie jaar later, in 1961, kreeg het nummer onverwacht een tweede leven. Amerikaanse dj's begonnen de plaat opnieuw te draaien, mede omdat de vrolijke vocale stijl goed aansloot bij de toenmalige doo-wophit “Blue Moon” van The Marcels. Daarna werd de plaat opnieuw uitgebracht, ditmaal met de correcte titel.
Het resultaat:
Billboard Hot 100 – nummer 21 in 1961.
Het opmerkelijke is dat The Edsels op dat moment feitelijk al uit elkaar waren. Ze kregen dus een hit nadat hun oorspronkelijke carrière grotendeels voorbij was.
Waarom is het nummer zo bijzonder?
“Rama Lama Ding Dong” is bijna een perfecte samenvatting van klassieke doo-wop:
krachtige leadzang
vijfstemmige harmonieën
een eenvoudige rock-'n-rollbeat
herhalende baspartij
vocale nonsenslettergrepen
een zeer aanstekelijk refrein
De titel zelf klinkt eigenlijk als een fantasienaam. In het nummer wordt “Rama Lama Ding Dong” gebruikt als de naam van het meisje waarover de zanger zingt. Dat maakt het nummer tegelijk romantisch én speels.
De combinatie van “Rama Lama...”, de hoge harmonieën en de stevige beat maakt het nummer ook heel geschikt voor oldies-, popcorn- en doo-wopprogramma's.
Andere nummers
Hoewel “Rama Lama Ding Dong” verreweg hun bekendste plaat is, namen The Edsels meer dan 25 nummers op. Interessante titels zijn onder andere:
What Brought Us Together
Do You Love Me
Bone Shaker Joe
Three Precious Words
Don't Know What to Do
Bells
Count the Tears
Twenty Four Hours
Rink-A-Din-Ki-Do
Give Me Love
Love Makes the World Go Round
Hide and Go Seek
Een aantal daarvan is vooral interessant voor liefhebbers van obscuurdere doo-wop en vocal-group oldies.
Platenmaatschappijen
The Edsels begonnen bij kleine labels, iets wat voor doo-wopgroepen heel gebruikelijk was. Hun platen verschenen onder meer bij Dub Records, Twin Records en Roulette, en later kwamen ze ook bij het grotere Capitol Records terecht.
Invloed en latere bekendheid
“Rama Lama Ding Dong” groeide uiteindelijk uit tot een echte oldiesklassieker. Het nummer werd later onder andere gecoverd door Rocky Sharpe and the Replays en verscheen in films en televisieprogramma's. Het is bovendien in Duitsland bijzonder bekend als stadionnummer: VfL Wolfsburg gebruikt het als doelmuziek.
Ook Barry Mann verwees in zijn bekende “Who Put the Bomp” uit 1961 rechtstreeks naar de klank van “Rama Lama Ding Dong”.
Een leuk detail: George “Wydell” Jones Jr., de schrijver en leadzanger van “Rama Lama Ding Dong”, overleed in 2008. Bassist Marshall Sewell overleed in 2013.
Kort samengevat: The Edsels zijn het schoolvoorbeeld van een groep die met één plaat de eeuwigheid in ging. Ze namen “Rama Lama Ding Dong” op toen ze nog vrijwel onbekend waren, zagen het nummer aanvankelijk floppen, en kregen drie jaar later alsnog een Amerikaanse Top 30-hit. Daardoor behoren ze tot de mooie “one-hit wonder”-verhalen uit de geschiedenis van de doo-wop.


The El Dorados
The El Dorados
The El Dorados waren een belangrijke Chicago-doowopgroep uit de jaren 50, vooral bekend door de geweldige hit "At My Front Door (Crazy Little Mama)" uit 1955. Die plaat bereikte nummer 1 op de Amerikaanse R&B-lijst en nummer 17 op de poplijst.
🎤 Het begin
De groep werd in 1952 in Chicago opgericht als Pirkle Lee and the Five Stars. De centrale figuur was leadzanger Pirkle Lee Moses Jr. De groep bestond aanvankelijk uit onder anderen:
Pirkle Lee Moses Jr. – leadzang
Louis Bradley – tenor
Arthur Bassett – tenor
Jewel Jones – tweede tenor/bariton
James Maddox – bariton/bas
Richard Nickens – bariton/bas
Toen Moses in 1954 terugkwam uit de Amerikaanse luchtmacht, veranderde de groep zijn naam in The El Dorados. De naam was geïnspireerd door de Cadillac Eldorado, een populaire auto uit die periode.
💿 Vee-Jay Records
De groep werd ontdekt door Vivian Carter, medeoprichter van het belangrijke Chicago-label Vee-Jay Records. Vee-Jay had al succes met groepen als The Spaniels en zou een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van de Chicago-doowop.
Hun eerste single was "My Loving Baby", uitgebracht in 1954. Opmerkelijk detail: op vroege exemplaren werd de groepsnaam verkeerd gespeld als "El Darados".
De vroege opnamen waren vooral langzaam, bluesy en sterk gebaseerd op R&B.
⭐ "At My Front Door"
Hun grote doorbraak kwam met "At My Front Door", opgenomen in Chicago in 1955.
Dit is zonder twijfel hun bekendste plaat. Het nummer wordt ook vaak aangeduid als "Crazy Little Mama", naar de tekst.
De plaat heeft een opvallend stevige begeleiding voor doowop, met onder andere een krachtige drumsound, gitaar en saxofoon. De zang van Pirkle Lee Moses wordt tegen het einde aangevuld met het beroemde bijna gesproken/"baby talk"-achtige gedeelte. Dat gaf de plaat een heel eigen karakter.
Het resultaat:
Hitlijst Positie
Billboard R&B #1
Billboard Pop #17
De plaat stond maar liefst 18 weken op nummer 1 van de R&B-lijst.
🎶 Andere belangrijke nummers
Na "At My Front Door" kwamen onder andere:
"I'll Be Forever Loving You" – R&B #8
"Rock 'n' Roll's for Me"
"A Fallen Tear"
"Bim Bam Boom"
"Tears on My Pillow"
"Three Reasons Why"
"Lights Are Low"
Vooral "I'll Be Forever Loving You" is een prachtige tweede klassieker. Het nummer haalde begin 1956 de Top 10 van de R&B-hitlijst.
🎙️ De bezetting verandert
Het succes hield de oorspronkelijke groep niet lang bij elkaar. Arthur Bassett en Richard Nickens vertrokken en de groep ging verder als kwartet. In 1957 viel de oorspronkelijke bezetting uiteen.
Pirkle Lee Moses bleef echter de naam El Dorados gebruiken en stelde nieuwe groepen samen. Daarbij kwamen ook leden van The Kool Gents terecht in een nieuwe versie van The El Dorados.
Er ontstonden later zelfs verschillende groepen die onder de naam El Dorados optraden. Uiteindelijk kwamen verschillende voormalige leden en versies weer bij elkaar. De naam bleef daardoor tientallen jaren bestaan.
🎸 Hun plaats in de doowopgeschiedenis
The El Dorados horen bij de belangrijke Chicago-doowopgroepen van de jaren 50, naast bijvoorbeeld The Spaniels, The Dells, The Flamingos en The Moonglows.
Hun stijl zit precies op het kruispunt van:
gospel → rhythm & blues → doowop → vroege rock-'n-roll
Dat hoor je vooral aan de combinatie van meerstemmige zang met een behoorlijk stevige R&B/rock-'n-rollbegeleiding. Chicago was in die jaren een belangrijk centrum voor deze ontwikkeling.
The Elegants
The Elegants – een prachtige one-hit-wonder uit Staten Island
The Elegants waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit South Beach, Staten Island, New York, die vooral bekend werd door één van de meest herkenbare doo-wopplaten uit 1958: “Little Star”.
⭐ “Little Star”
Het verhaal achter “Little Star” is bijzonder. De melodie was gebaseerd op het bekende “Twinkle, Twinkle, Little Star”, dat uiteindelijk teruggaat op een melodie van Mozart. Vito Picone en Arthur Venosa schreven de tekst en maakten er een romantisch doo-wopnummer van.
De plaat verscheen in 1958 op Apt Records, een dochterlabel van ABC-Paramount. Het nummer sloeg vrijwel onmiddellijk aan:
🇺🇸 #1 Billboard Hot 100
🇺🇸 #1 R&B
🇬🇧 #25 in Groot-Brittannië
🇨🇦 #3 in Canada
🇦🇺 #9 in Australië
🇮🇹 #1 in Italië
“Little Star” bleef 19 weken in de Billboard Hot 100 staan en werd een gouden plaat. Het nummer groeide uit tot een miljoenenverkoper.
👥 De oorspronkelijke groep
De vijf jonge zangers waren:
Vito Picone – leadzang
Arthur “Artie” Venosa – eerste tenor
Frank Tardogno – tweede tenor
Carman Romano – bariton
James “Jimmy” Moschello – bas
Ze waren nog tieners toen ze hun grote succes kregen. Picone en Romano kenden elkaar al vanaf de basisschool en zongen aanvankelijk met andere lokale groepen.
De naam The Elegants kwam volgens de groepsgeschiedenis van een reclame voor Schenley-whiskey met de slogan “The Whiskey of Elegance”.
🎤 Van zingen onder de boulevard naar nationale sterren
Voor hun doorbraak waren de jongens vooral lokaal actief. Ze zongen onder de boulevard in South Beach, waar veel jongeren uit Staten Island samenkwamen. Daar konden ze ook andere jonge muzikanten tegenkomen die later beroemd zouden worden.
Na het succes van “Little Star” veranderde hun leven volledig. Ze gingen op tournee en stonden op het podium met grote namen uit de vroege rock-'n-roll en doo-wop, waaronder:
Buddy Holly, Dion and the Belmonts, Chuck Berry, Jerry Lee Lewis, Bobby Darin, The Everly Brothers, The Platters, The Drifters en The Coasters.
Ze verschenen bovendien in programma's en shows rond Alan Freed en Dick Clark.
Waarom kwam er nooit een tweede hit?
Dat is eigenlijk het tragische gedeelte van hun verhaal.
De groep werd na “Little Star” vrijwel onmiddellijk op tournee gestuurd. Daardoor was er weinig tijd om rustig nieuwe nummers op te nemen. Hun opvolgers, zoals “Please Believe Me”, “Pay Day”, “Little Boy Blue” en “My Tears”, haalden de grote hitlijsten niet.
Daar kwamen persoonlijke omstandigheden bij: enkele leden werden opgeroepen voor militaire dienst, Jimmy Moschello trouwde, Carman Romano kreeg genoeg van het hectische artiestenleven en Vito Picone liep bij een ongeluk een blijvend oogletsel op.
Daarom worden The Elegants vaak genoemd als een klassiek one-hit-wonder: één gigantische nummer 1-hit en daarna nooit meer een grote Amerikaanse hit.
🎶 Toch waren ze belangrijk voor de doo-wop
“Little Star” was meer dan alleen een grote hit. De plaat had invloed op andere blanke vocale groepen uit New York en omgeving. Onder meer The Capris, Randy & the Rainbows, The Passions en The Mystics werden volgens historische bronnen door de sound beïnvloed.
Vooral de combinatie van:
hoge tenorharmonieën + zachte bas + romantische tekst + eenvoudig rock-'n-rollritme
werd een belangrijk onderdeel van de klassieke New Yorkse doo-wopsound.
🔄 De tweede periode
Het verhaal hield echter niet op in 1962. Vanaf het einde van de jaren zestig en vooral rond 1970 kwam er opnieuw belangstelling voor de oude doo-wopgroepen. Vito Picone bracht The Elegants opnieuw bij elkaar en er ontstond een nieuwe bezetting.
Daardoor konden The Elegants tientallen jaren later nog steeds optreden tijdens doo-wop- en oldies-evenementen. De groep bleef verbonden met Staten Island en de nostalgische jaren-50/60-scene.
Vito Picone werd uiteindelijk het bekendste gezicht van de groep en is de enige nog levende oorspronkelijke Elegants-zanger volgens de beschikbare biografische informatie. Hij bleef ook actief als zanger en trad daarnaast op in kleine rollen in films en televisieseries, waaronder Goodfellas en The Sopranos.


The Emmersons
🎙️ Het begin: The Demens
De groep ontstond in 1957 in Manhattan, New York. Zoals veel doowopgroepen uit die tijd begonnen ze op straat te zingen, onder andere rond 61st Street en Columbus Avenue. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Eddie "California" Jones – leadzang
Jimmy Caines – eerste tenor
Thomas Cook – tweede tenor en soms lead
Frankie Cook – bariton
In de allereerste fase waren er nog andere leden, maar de groep werd uiteindelijk een kwartet.
Hun eerste platen verschenen als The Demens op het kleine Teenage Records.
💿 De eerste singles
In 1957 verschenen:
The Demens – "Take Me As I Am" / "You Broke My Heart"
Teenage 1006
en:
"The Greatest of Them All" / "Hey Young Girl"
Teenage 1008
Voor doowopverzamelaars is vooral "Take Me As I Am" interessant. Het nummer werd later ook opgenomen door The Duprees.
🔄 Waarom werden ze The Emersons?
Na de tweede single verdween Teenage Records. Omdat er problemen waren met het vrijgeven van de groep uit hun bestaande contract, veranderden ze hun naam in The Emersons om bij een ander label te kunnen tekenen.
In 1958 kwamen ze terecht bij Newport Records.
Hun belangrijkste plaat werd:
The Emersons – "Hungry" / "Joannie, Joannie"
Newport 7004 – 1958
"Joannie, Joannie" was de meer typische romantische doowopballad, terwijl "Hungry" een wat afwijkender, humoristisch/novelty-achtig nummer was. De plaat kreeg vooral regionaal aandacht.
👻 "Dr. Jekyll and Mr. Hyde"
Daarna kregen ze een kans bij Cub Records, een dochterlabel van MGM.
In 1959 verscheen:
"Dr. Jekyll and Mr. Hyde" / "The Hokey Pokey"
Cub 9027
Dit is waarschijnlijk een van de leukste nummers om te zoeken als je van rare en obscure doowop houdt. "Dr. Jekyll and Mr. Hyde" heeft een duidelijk novelty-karakter en is daardoor ook terug te vinden op verzamelalbums met Halloween- en monster-doowop.
🎵 Laatste plaat
In 1961 kregen ze nog een kans bij United Artists:
"Down in the Valley" / "Loneliness"
United Artists 379
Ook deze plaat werd geen grote hit. Daarna hielden The Emersons ermee op.
👤 Eddie "California" Jones
Leadzanger Eddie Jones is misschien wel het interessantste lid van de groep. Na The Emersons bleef hij actief in de muziekindustrie. Hij werkte onder andere met verschillende vrouwelijke zanggroepen en was betrokken bij The Chantels, bekend van de klassieker "Maybe".
Jones bleef jarenlang in de muziek werken en overleed op 24 augustus 2008.
Interessant detail: zijn dochter Milira Jones werd later zelf R&B-zangeres.
📻 Waarom zijn The Emersons interessant voor doowopliefhebbers?
The Emersons zijn geen groep van het kaliber The Flamingos, The Five Satins of The Moonglows, maar juist daarom zijn ze interessant voor verzamelaars. Hun platen geven een goed beeld van de enorme hoeveelheid kleine New Yorkse vocal groups die eind jaren vijftig actief waren.
The Escorts
Er waren meerdere Amerikaanse groepen met de naam The Escorts, maar als je het hebt over de klassieke doowop uit de jaren 50, zijn er vooral twee interessante groepen die onder die naam opnamen maakten.
The Escorts uit Roselle, New Jersey
De vroegste groep die ik tegenkom is The Escorts uit Roselle, New Jersey. Zij bestonden uit:
Marion Saunders – leadzang
Malcolm Norwood – eerste tenor
Robert Hurting – tweede tenor
Bobby McLawn – bas
Het was een gemengde bezetting met een vrouwelijke leadzangeres, iets wat in de doowopwereld van die tijd minder gebruikelijk was. In 1956 namen ze voor het kleine Premium Records twee nummers op: “Sorry” en “It's Love to Me”.
De plaat had geen grote landelijke hit, maar de groep trad wel op in New Jersey, onder andere samen met The Heartbeats en Lillian Leach & the Mellows.
Een andere belangrijke The Escorts: Brooklyn
Er was ook een heel andere groep The Escorts uit Brooklyn, afkomstig van de Poly Prep-school in Bay Ridge. Deze groep begon aanvankelijk als The Legends en werd in 1962 The Escorts toen ze bij Coral Records terechtkwamen.
Hun bezetting bestond onder andere uit Richard Perry, Richard Berg, Richard Rosenberg en Rodney Garrison. Hun muziek is vooral interessant omdat ze een vrij verfijnde, blanke New Yorkse doowopstijl hadden, enigszins vergelijkbaar met The Mystics.
Hun singles waren onder meer:
“Gloria” / “Seven Wonders of the World” – 1962
“As I Love You” / “Gaudeamus” – 1962
“Somewhere” / “Submarine Race Watching” – 1962
“My Heart Cries for You” / “Give Me Tomorrow” – 1963
Een bijzonder hoofdstuk was de samenwerking met Goldie, de artiestennaam van Genya Zelkowitz, die later bekend werd als Genya Ravan. Met haar werden ze Goldie & the Escorts. Vooral “Somewhere” is een mooie combinatie van vrouwelijke leadzang en mannelijke doowop-harmonieën.
En dan is er nóg een beroemde The Escorts
Er bestaat ook een veel latere groep, The Escorts uit Rahway, New Jersey, opgericht in 1970 door gevangenen van Rahway State Prison. Zij zongen doowop en soul en werden geholpen door producer George Kerr. Hun verhaal is zeer bijzonder en leidde tot albums als All We Need Is Another Chance (1973).


The Esquires
The Esquires – van doowop naar soul
The Esquires waren een Amerikaanse vocale R&B-groep uit Milwaukee, Wisconsin, die vooral bekend werd met de fantastische soulklassieker “Get On Up” uit 1967. Hoewel ze begonnen als een echte doo-wopgroep, ontwikkelde hun muziek zich later richting soul en dance-R&B. De groep was actief van ongeveer 1957 tot 1976.
🎙️ Het begin
The Esquires ontstonden in 1957 rond de familie Moorer. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Gilbert Moorer
Alvis Moorer
Betty Moorer, hun zus
Aanvankelijk heetten ze Betty Moorer and the Esquires, waarbij Betty de belangrijkste leadzangeres was. Nadat Betty de groep verliet, werd de naam simpelweg The Esquires en nam Gilbert een belangrijkere rol als leadzanger op zich.
In deze periode waren ze sterk beïnvloed door de vocale harmonie van de jaren vijftig: doowop, gospel en rhythm & blues.
🎵 Van doowop naar soul
Een belangrijke verandering kwam toen Sam Pace zich in 1961 bij de groep voegde. Later kwamen onder anderen Shawn Taylor en bassist Millard Edwards erbij.
De groep trad jarenlang vooral op in Wisconsin. Interessant is dat ze volgens Pace aanvankelijk sterk geïnspireerd waren door Curtis Mayfield en The Impressions. Toen ze in Chicago platenmaatschappijen probeerden te interesseren, kregen ze te horen dat ze te veel op The Impressions leken.
Dat bleek uiteindelijk juist een belangrijke stimulans: ze gingen terug naar Milwaukee en probeerden een eigen geluid te ontwikkelen.
⭐ “Get On Up” – hun grote doorbraak
In 1966 verhuisden de Esquires naar Chicago, waar ze aansluiting zochten bij de snel groeiende soulscene. Ze kwamen uiteindelijk terecht bij Bunky Records, dat nationaal werd gedistribueerd door Scepter Records.
In 1967 verscheen:
“Get On Up”
Dit werd hun grote hit.
Het nummer bereikte:
🇺🇸 #11 Billboard Hot 100
#3 Billboard R&B
#1? Nee – het was dus geen nummer 1, maar #3 R&B was een enorme prestatie.
“Get On Up” is een prachtig voorbeeld van de overgang van doo-wop/harmony R&B naar de dansbare soul van de tweede helft van de jaren zestig.
De hoge, bijna falsetto-achtige zang is een van de herkenningspunten van hun geluid. Volgens Sam Pace was die hoge zang al vóór “Get On Up” onderdeel van hun stijl.
💿 Nog een grote plaat: “And Get Away”
Na “Get On Up” kwam “And Get Away”.
Ook deze plaat deed het uitstekend:
#22 pop / #9 R&B in Amerika.
Daarmee waren The Esquires beslist geen eendagsvlieg. Ze hadden in korte tijd een herkenbare stijl ontwikkeld waarin je elementen hoort van:
doo-wop → gospel → Chicago soul → Motown-achtige dansbaarheid → vroege funk
📀 Hun belangrijkste singles
Een aantal interessante Esquires-platen:
Jaar Nummer Billboard
1967 Get On Up #11 pop / #3 R&B
1967 And Get Away #22 pop / #9 R&B
1968 You Say #41 R&B
1968 Why Can't I Stop #48 R&B
1968 You've Got the Power #29 R&B
1969 I Don't Know #37 R&B
1971 Girls in the City #18 R&B
1976 Get On Up '76 #62 R&B
Hun album Get On Up and Get Away verscheen in 1967 op Bunky Records.
🕺 Waarom zijn ze interessant voor doowop-liefhebbers?
Voor iemand die van de Amerikaanse doowop uit de jaren 50 houdt, zijn The Esquires interessant omdat je bij hen goed kunt horen hoe die muziek zich ontwikkelde.
De vroege Esquires zitten veel dichter bij:
The Spaniels – The Flamingos – The Moonglows – The Dells
terwijl de latere Esquires meer richting:
The Impressions – Motown – Chicago soul – funky soul
gaan.
“Get On Up” is daardoor eigenlijk een mooie brug tussen de klassieke vocale groepen van de jaren vijftig en de soulmuziek van de jaren zestig.
The Essentials
The Essentials – New York
Deze groep ontstond rond 1957 in Queens, New York, aanvankelijk onder de naam The Val-Roys. Tot de oorspronkelijke leden behoorden onder anderen Jimmy “Ho-Ho” Pace en Ronnie Pomerantz.
In 1958 maakten The Val-Roys enkele demo-opnamen, waaronder:
“Teenage Sweetheart”
“I Love You So”
Eind 1959 veranderden ze hun naam in The Essentials. Daarna namen ze opnieuw materiaal op, waaronder “Teenage Sweetheart” en “Me and My Gal”.
Een groep die nooit echt doorbrak
Het interessante aan The Essentials is dat ze typisch zo'n vergeten New Yorkse doo-wopgroep zijn die wel degelijk professioneel probeerde door te breken, maar nooit een grote hit kreeg.
Ze kwamen in contact met Tony Sepe van Laurel Records en namen daar onder andere op:
“The Night We First Met”
“Little Girl”
Deze opnamen werden echter niet officieel uitgebracht. De groep trad ondertussen lokaal op en gebruikte ook de naam The Armores. Uiteindelijk viel de groep uit elkaar.
De verbinding met The Newports
Het verhaal wordt nog interessanter: verschillende voormalige leden gingen daarna verder als The Newports.
De nieuwe groep bestond onder andere uit Jimmy Pace, Ronnie Pomerantz, Artie Ross, Stan Novack en leadzanger Dennis Grey. The Newports brachten wél singles uit, waaronder:
“If I Could Tonight” / “A Fellow Needs a Girl” – 1962
“Tears” / “Disillusioned Love” – 1964
Daardoor kun je The Essentials eigenlijk zien als een voorloper van The Newports.
Niet te verwarren met andere Essentials
Er waren ook andere Amerikaanse groepen die The Essentials heetten. Een daarvan kwam uit Philadelphia en werd later bekend als Billy & the Essentials. Die groep is veel beter gedocumenteerd en had een repertoire met nummers als “Lonely Weekend”, “Young at Heart”, “The Dance Is Over” en “Baby Go Away”.
Daarnaast was er een groep uit Westchester, New York die aanvankelijk eveneens The Essentials heette. Die groep veranderde later van naam in The Dreams, met zangeres Darnell Jessamay.
Kortom: de Queens-versie van The Essentials is vooral interessant voor de echte doo-wopverzamelaar: een kleine, vrijwel vergeten groep uit de periode 1957–1960, met voornamelijk demo's en onuitgebrachte opnamen, die uiteindelijk overging in The Newports. Hun geschiedenis laat mooi zien hoeveel lokale vocal groups er in New York actief waren zonder ooit een landelijke hit te behalen.


The Essex
The Essex – bijzondere doowop/R&B-groep uit 1963
The Essex was een Amerikaanse vocale groep die vooral bekend werd door de enorme hit “Easier Said Than Done” uit 1963. De groep is interessant omdat alle leden op dat moment US Marines waren.
🎤 Het ontstaan
The Essex ontstond rond 1961–1962 bij Camp Lejeune in North Carolina. Walter Vickers en Rodney Taylor hadden elkaar al leren kennen toen ze als Marines in Okinawa waren gelegerd. Terug in Amerika voegden zij Billy Hill en Rudolph Johnson toe.
De vrouwelijke zangeres Anita Humes werd vervolgens het opvallende gezicht en de leadzangeres van de groep. Zij was eveneens bij het Marine Corps.
De groep stuurde een demo naar Roulette Records en kreeg in 1963 een platencontract.
⭐ “Easier Said Than Done”
Hun grote doorbraak was “Easier Said Than Done”, geschreven door de eveneens bij Camp Lejeune werkzame Marines Larry Huff en William Linton.
Het nummer heeft een heel herkenbaar, stuwend ritme. Dat ritme was geïnspireerd door het geluid van teletype-machines waarop Linton werkte.
Grappig genoeg vonden de leden van The Essex het nummer aanvankelijk helemaal niet zo goed. Ze hadden liever andere nummers opgenomen. Het lied werd oorspronkelijk zelfs als B-kant van hun eerste single uitgebracht. Het publiek dacht daar anders over: de B-kant werd uiteindelijk de grote hit.
De plaat werd een enorme hit:
🇺🇸 #1 Billboard Hot 100
🇺🇸 #1 Billboard R&B
🇬🇧 #41 in Groot-Brittannië
meer dan één miljoen verkochte exemplaren
goed voor een gouden plaat
Het nummer stond bovendien twee weken op nummer 1 in Amerika.
🎶 Waarom is het doowop?
The Essex worden tegenwoordig meestal omschreven als R&B/vocal group, maar “Easier Said Than Done” wordt ook duidelijk tot de doowoptraditie gerekend. AllMusic noemt het nummer expliciet Doo Wop, naast early R&B en early pop/rock.
Je hoort de typische elementen:
vrouwelijke leadzang
mannelijke achtergrondvocalen
korte vocale antwoorden
strak herhalend ritme
romantische tienerpoptekst
R&B-basis
zeer korte speelduur van ongeveer 2 minuten
Het is eigenlijk een mooie overgang tussen de klassieke jaren-50-doowop en de meer commerciële early-60s pop/R&B.
🎵 De opvolger
Na “Easier Said Than Done” kwam “A Walkin' Miracle”. Ook dat nummer deed het bijzonder goed en bereikte #12 in de Billboard Hot 100 en #11 op de R&B-lijst.
Daarna kwam “She's Got Everything”, maar die bleef steken op #56.
Andere nummers uit hun repertoire zijn onder meer:
Easier Said Than Done
A Walkin' Miracle
She's Got Everything
Curfew Lover
The Eagle
Everybody's Got You (For Their Own)
Pray for Surf
Cemetery Stomp
🇺🇸 Een heel bijzonder verhaal
Wat The Essex echt uniek maakt, is dat ze hun carrière moesten combineren met hun militaire dienst.
Toen “Easier Said Than Done” nummer 1 werd, waren de groepsleden nog steeds actief bij de Marines. Voor optredens hadden ze toestemming nodig en ze traden soms zelfs in uniform op.
Dat maakte het vrijwel onmogelijk om optimaal van hun succes te profiteren. Groepsleden werden bovendien naar verschillende bases gestuurd. Rudolph Johnson werd bijvoorbeeld weer naar Okinawa overgeplaatst.
Daardoor was The Essex eigenlijk een zeer kortstondige hitgroep. Hun grote succes kwam razendsnel en verdween ook weer snel.
👩 Anita Humes
Anita Humes verdient zeker extra aandacht. Haar heldere, krachtige stem is een van de redenen waarom “Easier Said Than Done” zo herkenbaar klinkt.
Na The Essex probeerde ze een solocarrière bij Roulette Records, maar zonder grote hits. Later bleef ze betrokken bij het militaire leven. Humes overleed in 2010, 69 jaar oud.
The Extremes
The Extremes – Los Angeles
The Extremes ontstonden rond 1961 in Los Angeles. De groep kwam voort uit jongeren die elkaar kenden van Dorsey High School. De belangrijkste figuren waren Bobby Sanders en Charles Ingersoll. In verschillende bronnen worden ook Maurice Clark, Robert Rozelle en Clotell King met de groep in verband gebracht; de bezetting veranderde dus nogal eens.
Hun muziek zit precies op het interessante overgangspunt tussen late doowop, rhythm & blues en vroege soul. Dat maakt The Extremes vooral interessant voor verzamelaars van obscure Amerikaanse vocal-group singles.
Hun belangrijkste platen
De eerste bekende plaat verscheen in 1962 op Paro Records:
The Extremes – “The Bells”
“That's All I Want”
Paro 733
“The Bells” is waarschijnlijk hun bekendste nummer. Het is een mooie, vrij obscure vocal-groupplaat met duidelijke doowop-harmonieën. Het nummer is later ook op verschillende verzamelaars van zeldzame doowop en soul verschenen.
In 1964 verscheen:
“Sad Sam”
“How I Need Your Love”
4-J 514
Vooral “How I Need Your Love” is tegenwoordig interessant voor liefhebbers van obscure vocal-group/R&B.
Bobby Sanders
Bobby Sanders was de centrale figuur rond The Extremes. Hij nam ook solo enkele platen op en werkte later met andere vocalgroepen. Sanders en Ingersoll deden bovendien studiowerk en achtergrondzang voor andere artiesten.
Een bijzonder interessant vervolg is The Young Hearts. In 1967 vormde Sanders deze R&B/soulgroep en ging hij zich steeds meer bezighouden met schrijven, produceren en managen. The Young Hearts hadden in 1968 een nationale Billboard-hit met “I've Got Love for My Baby”.
Een leuke connectie
De leden van The Extremes waren ook actief als achtergrondzangers. Volgens Numero Group waren Sanders en andere leden betrokken bij sessiewerk rond onder andere Dobie Gray en zijn grote hit “The 'In' Crowd”. Dat laat mooi zien hoe de wereld van de kleine doowopgroepen overging in de professionele R&B- en soulscene van Los Angeles.
Kort samengevat: The Extremes waren geen grote hitgroep zoals The Platters, The Flamingos of The Five Satins, maar juist een typische obscure L.A. vocal group die voor verzamelaars heel interessant is.


The Falcons
🎙️ Het begin
The Falcons ontstonden in Detroit, Michigan, aanvankelijk als een raciaal gemengde vocale groep. Tot de vroege bezetting behoorden onder anderen Eddie Floyd, Bob Manardo, Arnett Robinson, Tom Shetler en Willie Schofield. Eddie Floyd bracht zijn oom Robert West bij de groep; West zou later een belangrijke rol spelen als manager en platenproducent.
Hun eerste plaat verscheen in 1956 op Mercury: Baby That's It / This Day. De vroege Falcons waren duidelijk geworteld in de doowop- en R&B-traditie.
⭐ "You're So Fine" – hun grote doorbraak
De grote doorbraak kwam in 1959 met:
The Falcons – "You're So Fine"
Het nummer werd aanvankelijk uitgebracht op Robert Wests eigen Flick Records, waarna United Artists het nationaal uitbracht via Unart. Het bereikte nummer 2 op de R&B-hitlijst en nummer 17 op de Billboard Hot 100.
Dit nummer is bijzonder interessant voor liefhebbers van doowop, omdat je eigenlijk het oude geluid hoort veranderen in iets nieuws. De groepsharmonieën zijn nog duidelijk doowop/R&B, maar de gospelachtige intensiteit, rauwe leadzang en ritmische begeleiding wijzen al sterk richting soul. AllMusic noemt het zelfs een van de vroege voorbeelden van de overgang naar soul.
De leadzanger was Joe Stubbs, de broer van Levi Stubbs van The Four Tops. Zijn wat ruwe, emotionele stem gaf "You're So Fine" een heel eigen karakter.
👥 Een indrukwekkende bezetting
The Falcons zijn misschien wel net zo beroemd vanwege de muzikanten die later grote namen werden.
Eddie Floyd
Hij was een van de oprichters. Later werd hij een belangrijke soulzanger en songwriter bij Stax Records.
Mack Rice
Hij zong en schreef later onder andere "Mustang Sally", dat uiteindelijk beroemd werd door Wilson Pickett.
Wilson Pickett
Hij kwam rond 1960 bij The Falcons en zou later een van de grootste soulzangers van de jaren zestig worden.
Joe Stubbs
De oorspronkelijke leadzanger van de grote hit "You're So Fine". Hij was de broer van Levi Stubbs van The Four Tops.
Dat maakt The Falcons voor de geschiedenis van soulmuziek bijzonder interessant: meerdere toekomstige soulsterren kwamen uit deze ene groep voort.
🎵 "I Found a Love"
Toen Wilson Pickett de leadzanger werd, veranderde het geluid opnieuw. In 1962 namen The Falcons I Found a Love op.
Het nummer bereikte nummer 6 op de R&B-hitlijst en nummer 75 pop. Pickett zingt het nummer met een enorme gospelachtige intensiteit.
Je hoort hier eigenlijk al de Wilson Pickett van de latere Atlantic-hits aankomen.
Andere interessante nummers
Als je The Falcons wilt leren kennen, zou ik deze nummers opzoeken:
Baby That's It – 1956
This Heart of Mine – 1958
You're So Fine – 1959 ⭐
Goddess of Angels – 1959
You Must Know I Love You – 1959
You're Mine – 1959
Just for Your Love – 1959
The Teacher – 1960
I Found a Love – 1962 ⭐
Since You've Been Gone
Pow! You're in Love
Hun platen verschenen bij verschillende labels, waaronder Mercury, Kudo, Flick, Unart, Chess, Anna en Lu Pine.
🕺 Doowop of soul?
Dat is juist het interessante aan The Falcons.
En er is nog een leuke bijzonderheid: The Falcons was niet de enige groep die deze naam gebruikte. Er bestond bijvoorbeeld al een eerdere groep met de naam The Falcons die in het begin van de jaren vijftig opnam met de vrouwelijke leadzangeres Goldie "Boots" Alsup.
The Fiestas
The Fiestas – een mooie overgang van doowop naar soul
The Fiestas waren een Amerikaanse vocale groep uit Newark, New Jersey, die in 1958 werd opgericht. Ze zijn vooral bekend geworden door één grote klassieker: “So Fine” uit 1958/1959. Hun muziek vormt een interessante brug tussen klassieke doo-wop, rhythm & blues en de vroege soul.
De oorspronkelijke bezetting
De klassieke bezetting bestond uit:
Tommy Bullock – leadzang
Eddie Morris – tenor
Sam Ingalls – bariton
Preston Lane – bas
De vier kwamen uit dezelfde omgeving in Newark en zongen aanvankelijk vooral samen op straat en tijdens repetities.
⭐ “So Fine”
Hun grote doorbraak kwam met “So Fine”, uitgebracht op het New Yorkse Old Town Records. Het verhaal rond hun ontdekking is bijna typisch voor de doowopgeschiedenis: eigenaar Hy Weiss hoorde de groep zingen in een ruimte naast zijn kantoor in Harlem en was meteen geïnteresseerd. Andere bronnen vertellen dat manager Jim Gribble eerst een demo van de groep bij Weiss had gebracht.
“So Fine” werd een flinke hit:
#3 R&B
#11 Billboard Hot 100
jaar: 1959
Het bijzondere is dat de plaat niet helemaal klinkt als de traditionele romantische doowopballad. De vier stemmen zingen heel sterk samen, met een ritmische, bijna stuwende R&B-aanpak. Daardoor klinkt de plaat al als een voorbode van de soul die kort daarna enorm populair zou worden.
Andere goede nummers
Voor iemand die van doowop en oude R&B houdt, zijn deze Fiestas-platen zeker interessant:
So Fine
Last Night I Dreamed
Our Anniversary
I'm Your Slave
Good News
Dollar Bill
You Could Be My Girlfriend
Look at That Girl
She's Mine
Broken Heart
I Feel Good All Over
The Gypsy Said
Think Smart
Anna
Een aantal latere nummers schoof duidelijk verder richting soul. Vooral “Think Smart” is interessant voor liefhebbers van Northern Soul.
Van doowop naar soul
Dat maakt The Fiestas juist zo interessant. Ze kwamen uit de gouden periode van de Amerikaanse doowop, maar toen de jaren zestig begonnen, veranderde hun geluid. De groep ging meer werken met invloeden van artiesten als Sam Cooke en Jackie Wilson en schoof richting soul en modernere R&B.
Hun tweede grote hit werd het echter niet. “Broken Heart” kwam in 1962 nog tot #18 op de R&B-lijst, maar daarna verdwenen ze grotendeels uit de nationale hitlijsten.
Old Town Records
The Fiestas waren nauw verbonden met Old Town Records, het belangrijke onafhankelijke label van Hy Weiss in New York. Het label had een grote betekenis voor de doowop- en R&B-scene van New York.
De groep bleef nog jarenlang opnemen. Later verschenen platen op onder andere Strand en Vigor, en de naam Fiestas bleef in verschillende bezettingen nog tot in de jaren zeventig actief.
Mijn advies voor jouw doowop-lijst
Als je bezig bent met een 50's/60's doowop-programma voor de radio, zou ik The Fiestas zeker opnemen. Vooral:
The Fiestas – So Fine (1959) ⭐⭐⭐⭐⭐
The Fiestas – Last Night I Dreamed ⭐⭐⭐⭐
The Fiestas – Our Anniversary ⭐⭐⭐⭐
The Fiestas – Dollar Bill ⭐⭐⭐⭐
The Fiestas – You Could Be My Girlfriend ⭐⭐⭐⭐
The Fiestas – Broken Heart ⭐⭐⭐⭐
The Fiestas – Think Smart ⭐⭐⭐⭐⭐ voor Northern Soul-liefhebbers.
De verzamelaar So Fine: The Classic Old Town Recordings bevat 18 nummers uit hun Old Town-periode en is een goede manier om de groep te leren kennen.
Kort gezegd: The Fiestas waren geen groep met tientallen grote hits, maar “So Fine” is een echte doowop/R&B-klassieker. Hun ontwikkeling van straatcorner-doowop naar vroege soul maakt ze bovendien bijzonder interessant binnen de geschiedenis van de zwarte Amerikaanse vocale muziek.


The Firebirds
🎙️ The Firebirds en doo-wop
The Firebirds zijn eigenlijk geen oorspronkelijke Amerikaanse doo-wopgroep uit de jaren 50. Het is een Britse revivalband die de muziek uit die periode opnieuw tot leven brengt. Hun repertoire omvat rock-’n-roll, rockabilly, doo-wop, ballads en instrumentale nummers.
Hun doo-wopstijl draait vooral om:
meerstemmige zang
close harmonies
een duidelijke baspartij
jaren-50-gitaar en drums
romantische ballads
typische "doo-bop-shoo-bop" achtergrondzang
nummers uit de Amerikaanse vocal-grouptraditie
Ze hebben daarmee een sound die goed aansluit bij groepen als The Earls, The Dubs, The Duprees, Dion & the Belmonts en The Diamonds.
💿 Doo Wop Volume 1
Een bijzonder album is Doo Wop Volume 1. Daarop staan 16 nummers uit de gouden periode van de doo-wop, waaronder:
Dance Girl
Little Orphan Girl
Pledge of a Fool
Little Star
Pretty Little Angel Eyes
Step By Step
I Count the Tears
Once in a While
Tonight I Fell in Love
Church Bells May Ring
Remember Then
Sandy
Het album combineert bekende nummers met minder bekende en obscure doo-wopklassiekers.
💿 Doo Wop Volume 2
Daarna verscheen Doo Wop Volume 2, met onder andere:
My Angel Lover
Tonight Could Be the Night
Never
Denise
Come Go With Me
For Sentimental Reasons
I Knew From the Start
Joanne
It Must Be Love
Possibility
Pretty Pretty Girl
Tell Me Why
Young Love
Ook hier ligt de nadruk sterk op vocale harmonieën en de sfeer van de Amerikaanse jaren-50/60-oldies.
🎸 Een combinatie van doo-wop en rockabilly
Wat The Firebirds interessant maakt, is dat ze niet uitsluitend een doo-wopgroep zijn. Hun shows kunnen gemakkelijk van een doo-wopballad naar rockabilly en vervolgens naar pure rock-'n-roll gaan.
De huidige bezetting bestaat onder meer uit Jim Plummer, Rich Lorriman en Spencer Lingwood. Lorriman speelt bijvoorbeeld contrabas en zingt, terwijl Lingwood drums en zang voor zijn rekening neemt.
De band heeft bovendien samengewerkt met grote namen uit de oude rock-’n-rollwereld, waaronder Jerry Lee Lewis, Chuck Berry, Charlie Gracie en Lonnie Donegan.
🇬🇧 Belangrijk voor de Europese doo-wopscene
The Firebirds zijn vooral belangrijk omdat ze decennialang de Amerikaanse 50s-muziek in Europa levend hebben gehouden. Ze hebben uitgebreid door Europa en de Verenigde Staten getourd. In 1992 speelden ze zelfs bij de officiële opening van Disneyland Paris.
En ze zijn nog steeds actief: in 2026 staan ze bijvoorbeeld op het programma van Doo Wop Fever in Spanje en verschillende rock-’n-rollfestivals.
Vooral Doo Wop Volume 1 en Volume 2 zijn interessant als je veel minder bekende doo-wopnummers wilt ontdekken. Hun repertoire bevat namelijk behoorlijk wat nummers die je niet voortdurend op de standaard oldiescompilaties tegenkomt.
The Fireflies
The Fireflies – Amerikaanse doowop uit New York
The Fireflies waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Long Island/Brooklyn, New York, die vooral actief was aan het einde van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig. Hun grote klassieker is “You Were Mine” uit 1959, een typisch voorbeeld van de romantische, melodieuze kant van de doowop.
🎙️ Het begin
De groep ontstond rond 1957 en werd in belangrijke mate begeleid door producer Gerry Granahan. De bezetting veranderde in de eerste jaren regelmatig.
Rond 1959 bestond de groep onder meer uit:
Ritchie Adams – leadzang en gitaar
Paul Giacalone – bas/drums en zang
Lee Reynolds – zang en bas
John Viscelli – saxofoon en zang
Carl Girasoli – gitaar en zang
Een bijzonder aspect van The Fireflies was dat de groepsleden niet alleen zongen maar ook instrumenten bespeelden. Dat was voor een vocale doowopgroep uit die periode vrij bijzonder.
⭐ “You Were Mine” – hun grote klassieker
Hun belangrijkste plaat verscheen in 1959 op Ribbon Records:
The Fireflies – “You Were Mine” / “Stella Got a Fella”
Het nummer werd geschreven door Paul Giacalone, toen hij pas 19 jaar oud was. Ritchie Adams zong de leadpartij.
De plaat werd een behoorlijke Amerikaanse hit:
🇺🇸 Billboard Hot 100: #21
🇨🇦 CHUM Hit Parade: #15
16 weken in de Billboard Hot 100 volgens de beschikbare chartgegevens.
Het nummer heeft precies die typische late-50s doowopsfeer: een romantische leadzanger, zachte harmonieën op de achtergrond en een eenvoudige maar zeer herkenbare melodie.
Interessant is dat er naar aanleiding van “You Were Mine” zelfs een antwoordplaat verscheen: “I Was Yours” van The Paulette Sisters.
🎵 Andere platen
Na “You Were Mine” probeerden The Fireflies opnieuw succes te krijgen met onder andere:
“I Can't Say Goodbye” – 1959
“My Girl” – 1960
“Give All Your Love to Me”
“Marianne”
“You Were Mine for Awhile” – 1962
“My Prayer for You” – 1964
“Runaround” – 1966
“Tonight” – 1968
“I Can't Say Goodbye” werd hun tweede Billboard-notering, maar bleef met #90 ver achter bij “You Were Mine”.
Er verscheen in 1963 ook een LP, The Swingin' Fire Flies, met daarop onder andere “You Were Mine”, “Hully Gully Baby”, “Our Day Will Come”, “Moon River”, “Twist and Shout” en “Please Please Me”.
🎤 Optreden in de Apollo
Een belangrijk stukje geschiedenis is dat The Fireflies volgens de beschikbare biografische bronnen de eerste geheel witte vocale harmoniegroep waren die optrad in het beroemde Apollo Theater in Harlem. Dat was bijzonder, omdat de Apollo in die periode een belangrijk podium was voor Afro-Amerikaanse R&B-, soul- en doowopartiesten.
👤 Ritchie Adams
Leadzanger Ritchie Adams, geboren als Richard Adam Ziegler, kreeg na The Fireflies een interessante carrière als songwriter.
Hij schreef later nummers voor andere artiesten en had onder meer succes met “Tossin' and Turnin'” en “After the Lovin'”.
Adams overleed op 6 maart 2017, 78 jaar oud.
Paul Giacalone, de schrijver van “You Were Mine”, overleed eerder, op 27 juni 2013.
💿 Waarom zijn The Fireflies interessant voor doowop-liefhebbers?
The Fireflies zijn vooral interessant omdat “You Were Mine” precies tussen traditionele doowop en de steeds commerciëler wordende popmuziek van 1959 in zit.
Als je houdt van groepen als The Earls, The Dubs, The Duprees, The Elegants, The Mystics en Dion & The Belmonts, dan hoort “You Were Mine” eigenlijk absoluut in dezelfde verzameling thuis.
De originele single verscheen op het kleine Ribbon Records, wat hem voor verzamelaars van Amerikaanse 45-toerenplaten extra interessant maakt.
Er bestaat overigens nog steeds een The Fireflies-bezetting die de naam en het repertoire voortzet; op de huidige website staan onder andere “You Were Mine” en “Can't Say Goodbye”.


The Five Discs
The Five Discs
The Five Discs waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Brooklyn, New York, die vooral actief was vanaf het midden van de jaren 50 tot in de jaren 60. Ze kwamen uit de wijk Bedford-Stuyvesant, een belangrijk broeinest van New Yorkse straatzanggroepen.
Hoewel The Five Discs nooit een grote landelijke hit hadden, zijn ze onder liefhebbers van klassieke doo-wop behoorlijk geliefd. Hun platen zijn vooral interessant vanwege de typische New Yorkse street-corner sound: mooie meerstemmige zang, een duidelijke baspartij en een romantische R&B-sfeer.
Het begin: The Flames
De geschiedenis begint in 1954. Mario DeAndrade en Andrew Jackson waren afkomstig uit een groep die The Lovenotes heette. Zij kwamen terecht bij een groep rond Joe Barsalona, Paul Albano en Tony Basile. Aanvankelijk traden ze op als The Flames.
De klassieke bezetting werd:
Mario DeAndrade – leadzang
Andrew Jackson – bas
Paul Albano – eerste tenor
Tony Basile – tweede tenor
Joe Barsalona – bariton
De bezetting veranderde later regelmatig.
In 1957 maakten ze hun eerste demo-opnamen. Toen hun eerste single in 1958 uitkwam, hadden ze inmiddels de naam The Five Discs aangenomen.
Hun eerste succes: "I Remember"
Hun eerste belangrijke plaat was:
"I Remember" / "The World Is a Beautiful Place" – 1958
"I Remember" werd geschreven door leadzanger Mario DeAndrade. De plaat werd in eerste instantie uitgebracht op Emge Records en later opnieuw op onder andere Vik en Rust.
Het nummer werd vooral een regionaal succes in New York en Boston. In New York bereikte het de lokale hitlijsten en in Boston kwam het zelfs tot nummer 2. Landelijk brak de plaat echter niet door.
Dat is typisch voor veel doo-wopgroepen uit die periode: lokaal konden ze enorm populair zijn, terwijl ze buiten hun eigen regio nauwelijks bekend waren.
Een bijzondere plaat: "Never Let You Go"
Hun bekendste nummer is waarschijnlijk:
"Never Let You Go" / "That Was the Time" – 1962
De single verscheen op Cheer Records. Het nummer kreeg veel aandacht van de bekende New Yorkse radiomaker Murray the K. Hij koos het als zijn "Record of the Night" en later als "Record of the Week".
Op de New Yorkse hitlijst kwam de plaat tot nummer 28. Ook deze keer bleef een landelijke doorbraak uit.
Interessant is dat "Never Let You Go" in 1997 op nummer 90 stond in de WCBS-FM Top 101 Doo Wop Songs. Dat laat zien dat het nummer onder doo-wopliefhebbers veel langer is blijven leven dan de oorspronkelijke hitnotering doet vermoeden.
Andere belangrijke opnamen
De discografie van The Five Discs bevat verschillende prachtige nummers:
I Remember – 1958
The World Is a Beautiful Place – 1958
Roses – 1959
My Chinese Girl – 1959
Adios – 1961
My Baby Loves Me – 1961
I Don't Know – 1961
Come On Baby – 1961
Never Let You Go – 1962
That Was the Time – 1962
Daarnaast werden diverse nummers opgenomen die destijds niet meteen als single verschenen, waaronder "Unchained Melody", "You Belong to Me" en "This Love of Ours".
Veel personeelswisselingen
Een probleem voor The Five Discs was dat de bezetting voortdurend veranderde. Zo vertrokken Mario DeAndrade en Andrew Jackson rond 1960. Lenny Hutter en John Russell namen hun plaatsen over. Later kwamen opnieuw andere zangers bij de groep.
Dat maakte het moeilijk om een herkenbare identiteit en een stabiele carrière op te bouwen.
In 1964 gingen leden van de groep verder onder de naam The Boyfriends. Ze brachten op Kapp Records onder meer "Let's Fall in Love" / "Oh Lana" uit. Later werd ook de naam Dawn gebruikt.
Heroplevingen
The Five Discs verdwenen niet helemaal. Er waren verschillende latere samenstellingen en reünies. In de jaren 70 verschenen opnieuw Five Discs-opnamen en in de jaren 90 kwam de groep opnieuw bijeen voor doo-wopoptredens. Volgens AllMusic waren er uiteindelijk zelfs twee groepen die als Five Discs optraden, elk met een oorspronkelijk lid.
Waarom zijn ze interessant?
Voor iemand die van klassieke doo-wop en 50s/60s oldies houdt, zijn The Five Discs vooral interessant omdat ze een mooi voorbeeld zijn van de echte street-corner doo-wop uit Brooklyn.
Hun muziek heeft:
🎙️ sterke leadzang
🎶 fraaie tenor- en baritonharmonieën
🔊 diepe baspartijen
❤️ romantische teksten
🌃 typisch New Yorkse street-corner sfeer
Ze horen daarmee in dezelfde bredere traditie als groepen als The Jive Five, The Mystics, The Earls, The Dubs en The Duprees, al heeft The Five Discs een wat minder gladde en meer pure street-cornerachtige sound.
The Five Keys
The Five Keys
The Five Keys waren een zeer belangrijke Amerikaanse R&B- en doowopgroep uit Newport News, Virginia. Ze waren vooral actief vanaf het einde van de jaren 40 tot in de jaren 60 en worden gezien als een van de groepen die de overgang van vroege rhythm & blues naar de klassieke doowop mede vormgaven.
🎙️ Het begin
De groep begon eind jaren 40 als The Sentimental Four. De oorspronkelijke bezetting bestond uit twee broederparen:
Rudy West
Bernie West
Ripley Ingram
Raphael Ingram
Toen Raphael Ingram in 1949 vertrok, kwamen er nieuwe zangers bij en werd de naam veranderd in The Five Keys.
Een bijzonderheid was dat verschillende leden leadzanger konden zijn. Vooral Rudy West, met zijn heldere hoge tenor, werd een kenmerkend geluid van de groep. Maryland Pierce had juist een veel bluesier stemgeluid.
⭐ Doorbraak: "The Glory of Love"
In 1951 tekenden The Five Keys bij Aladdin Records. Op 22 maart 1951 namen ze verschillende nummers op. Hun grote doorbraak kwam met "The Glory of Love", oorspronkelijk een nummer uit 1936 van Benny Goodman.
De Five Keys maakten er een prachtige vocale R&B-versie van. De plaat bereikte de nummer 1-positie op de Amerikaanse R&B-hitlijst en bleef daar vier weken staan. Het werd uiteindelijk een miljoenverkoper.
Dit is een van de nummers waarmee je de vroege ontwikkeling van doowop heel goed kunt horen: nog sterk geworteld in traditionele pop en R&B, maar met de kenmerkende meerstemmige zang die later zo belangrijk zou worden voor doowop.
🎵 Belangrijke nummers
Vooral deze opnamen zijn interessant als je je verdiept in de jaren-50 doowop:
The Glory of Love (1951) ⭐
Yes Sir, That's My Baby
Red Sails in the Sunset
My Saddest Hour
Serve Another Round
Close Your Eyes
Ling Ting Tong
Wisdom of a Fool
Out of Sight, Out of Mind
"Close Your Eyes" is bijvoorbeeld bijzonder vanwege de combinatie van Maryland Pierce als lead en Rudy Wests hoge, zwevende tenor op de achtergrond.
💿 Capitol Records
In 1954 stapten The Five Keys over naar Capitol Records. Daar kregen hun platen een wat voller geluid met meer instrumentale begeleiding.
Een van hun bekendste Capitol-opnamen werd "Ling Ting Tong". Daarna volgden onder andere "Wisdom of a Fool", "Close Your Eyes" en "Out of Sight, Out of Mind".
"Out of Sight, Out of Mind" uit 1956 is vooral interessant voor liefhebbers van de latere jaren-50 doowop: de productie klinkt voller en professioneler dan de vroege Aladdin-opnamen.
👥 Veel wisselingen in de bezetting
The Five Keys hadden nogal wat personeelswisselingen. Rudy West ging in 1952 het Amerikaanse leger in en werd vervangen door Ulysses K. Hicks. Toen Hicks in 1955 onverwacht aan een hartaanval overleed, keerde West terug.
Ook Dickie Smith vertrok en werd vervangen door Ramon Loper. Hierdoor veranderde het geluid van de groep in de loop der jaren behoorlijk.
📻 Waarom zijn ze belangrijk voor doowop?
The Five Keys zitten eigenlijk precies op het interessante kruispunt tussen:
traditionele close-harmony → R&B vocal groups → vroege doowop → rock-'n-roll
Ze waren bovendien belangrijk omdat ze lieten horen dat een zwarte vocale groep niet alleen rauwe R&B kon zingen, maar ook romantische ballads, standards en popmateriaal kon omvormen tot iets nieuws.
Hun vroege werk bij Aladdin klinkt vaak relatief kaal en vocaal. Later, bij Capitol, wordt het geluid grootser en meer geproduceerd.
🏆 Erkenning
The Five Keys werden in 2002 opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame.
Rudy West bleef bovendien decennialang actief met verschillende versies van The Five Keys. In de jaren 70 kwam er opnieuw belangstelling voor de oude doowopgroepen en bleef hij optreden. Zijn laatste optreden vond plaats in april 1998; hij overleed kort daarna, op 14 mei 1998.
Vooral "The Glory of Love" is belangrijk als je de ontwikkeling van doowop chronologisch aan het volgen bent: de plaat behoort tot de vroege R&B-vocal-group-hits die de weg hielpen bereiden voor de grote doowopgolf van 1954–1956.


The Five Satins
The Five Satins
The Five Satins waren een van de belangrijkste Amerikaanse doo-wopgroepen van de jaren 50. Ze kwamen uit New Haven, Connecticut, en werden vooral beroemd door één van de meest herkenbare doo-wopsongs aller tijden: “In the Still of the Night” uit 1956.
🎙️ Fred Parris
De centrale figuur was Fred Parris (1936–2022), zanger, songwriter en leider van de groep. Voor de Five Satins was hij al actief met de vocalgroep The Scarlets. Parris schreef “In the Still of the Night” terwijl hij in het Amerikaanse leger diende.
De oorspronkelijke Five Satins bestond rond de succesvolle opname uit onder anderen:
Fred Parris – leadzang
Al Denby – tenor
Eddie Martin – bariton
Jim Freeman – bas
Opmerkelijk genoeg waren er bij de beroemde opname maar vier zangers, ondanks de naam Five Satins.
🌙 “In the Still of the Night”
Dit is zonder twijfel hun meesterwerk.
De plaat werd in 1956 opgenomen in de kelder van St. Bernadette's Church in New Haven. De bijzondere galm van de kerkruimte gaf de opname zijn karakteristieke, bijna zwevende geluid.
Het nummer werd aanvankelijk uitgebracht als B-kant van “The Jones Girl”. Het verscheen eerst op het kleine lokale Standord Records en werd vervolgens door Ember Records landelijk uitgebracht.
De plaat bereikte uiteindelijk:
#3 R&B
#24/25 Billboard Pop
meer dan 1 miljoen verkochte exemplaren
een gouden plaat.
Maar het bijzondere is dat de plaat in de loop der jaren veel groter werd dan de oorspronkelijke hitnotering doet vermoeden.
🎵 Waarom klinkt deze plaat zo bijzonder?
“In the Still of the Night” heeft eigenlijk alles wat goede doo-wop nodig heeft:
Fred Parris: een emotionele, bijna smekende leadzang
Achtergrondzangers: diepe bas- en tenorharmonieën
Saxofoon: een romantische solo
Piano en drums: heel eenvoudig gehouden
Galmeffect: afkomstig van de kerkruimte
Herhaalde nonsenslettergrepen: de beroemde “sho-doo-be-doo”-achtige achtergrondzang.
Juist die combinatie maakt het nummer zo herkenbaar. Het wordt zelfs regelmatig genoemd in verband met het ontstaan en de popularisering van de term “doo-wop”, hoewel de precieze oorsprong van die term ingewikkelder is.
🇺🇸 Het merkwaardige verhaal achter het succes
Toen “In the Still of the Night” een hit werd, zat Fred Parris in Japan bij het Amerikaanse leger.
Dat was een probleem: de zanger die het succes had veroorzaakt, kon niet met de groep optreden.
Daarom werd Bill Baker de nieuwe leadzanger van de Five Satins. Met Baker namen ze onder andere “To the Aisle” op, dat in 1957 opnieuw een behoorlijke hit werd en de R&B Top 10 bereikte.
Toen Parris terugkwam uit het leger, reorganiseerde hij de groep opnieuw.
Dat zou eigenlijk een terugkerend probleem worden bij de Five Satins: de bezetting veranderde voortdurend. Daardoor bestaan er nogal wat verschillende Five Satins-opnamen en line-ups.
📻 Een tweede leven als oldie
Een heel interessant onderdeel van hun geschiedenis is dat “In the Still of the Night” niet in 1956 ophield te bestaan.
Het nummer kreeg vanaf het einde van de jaren 50 opnieuw aandacht via de beroemde Oldies But Goodies-compilaties van Art Laboe. Daardoor werd de plaat een klassieker bij oldies- en doo-wop-liefhebbers.
Het nummer kwam zelfs opnieuw in de Amerikaanse hitlijst:
1956 – #24
1960 – #81
1961 – #99
Dat is bijzonder: dezelfde originele opname wist drie verschillende keren de Billboard Hot 100 te bereiken.
🎬 En toen kwam Dirty Dancing
Voor een veel jongere generatie kreeg het nummer in 1987 opnieuw enorme bekendheid door de film Dirty Dancing.
Daardoor werd “In the Still of the Night” niet alleen een doo-wopklassieker, maar ook een onderdeel van de soundtrack van de jaren-80-nostalgie naar de jaren 50.
Het nummer is later ook opgenomen door onder andere The Beach Boys, Paul Anka, Ronnie Milsap en Boyz II Men.
💿 Andere Five Satins-nummers die je moet kennen
Als je de groep verder wilt ontdekken, zou ik vooral deze nummers beluisteren:
In the Still of the Night ⭐⭐⭐⭐⭐
To the Aisle
Pretty Baby (That's Why I Sing)
A Night to Remember
Shadows
I'll Be Seeing You
The Jones Girl
Memories of Days Gone By
Vooral “To the Aisle” is interessant omdat je daar de Five Satins in een wat levendiger doo-wopstijl hoort.
🏆 Hun plaats in de doo-wopgeschiedenis
De Five Satins horen absoluut bij de grote namen van de gouden doo-wopperiode, naast groepen als The Platters, The Dells, The Moonglows, The Flamingos, The Drifters, The Duprees en The Crests.
Ze werden opgenomen in de Rhythm & Blues Foundation Hall of Fame (1998) en de Vocal Group Hall of Fame (2003).
The Five Sharps
.The Five Sharps – een legendarische doo-wopgroep
The Five Sharps waren een zeer kort bestaande Amerikaanse vocal group uit Queens, New York, actief rond 1952. Ze zijn tegenwoordig vooral beroemd vanwege één opname: “Stormy Weather”. Ironisch genoeg was die plaat bij verschijnen vrijwel totaal onsuccesvol. Juist daardoor groeide hij later uit tot een van de grootste rariteiten uit de geschiedenis van doo-wop en R&B.
👥 De bezetting
De oorspronkelijke Five Sharps bestonden uit:
Ronald Cuffey – leadzang
Clarence Bassett – eerste tenor
Robert “Bobby” Ward – tweede tenor
Tommy Duckett – bariton
Mickey Owens – bas
De groep kwam voort uit de Jamaica housing projects in Queens en zong aanvankelijk op lokale feestjes en bijeenkomsten.
🎙️ “Stormy Weather”
In 1952 kregen ze de gelegenheid om twee nummers op te nemen:
A-kant: Stormy Weather
B-kant: Sleepy Cowboy
De plaat verscheen uiteindelijk op Jubilee 5104.
“Stormy Weather” was oorspronkelijk helemaal geen doo-wopnummer. Het was een bekende compositie van Harold Arlen en Ted Koehler, die in 1933 door Ethel Waters beroemd was gemaakt en later onder andere door Lena Horne werd opgenomen.
De Five Sharps maakten er echter een zeer trage, donkere vocal-groupversie van. De harmonieën zijn soms wat onbeholpen en op de achtergrond zijn zelfs primitieve donder- en geluidseffecten te horen. Juist dat vreemde, bijna spookachtige karakter maakt de opname zo fascinerend.
🌭 Betaald met hotdogs en frisdrank
Een prachtig voorbeeld van hoe weinig de platenmaatschappij in de groep zag: volgens Bobby Ward duurde de studiosessie vrijwel de hele dag en werden de jongens betaald met hotdogs en frisdrank.
De plaat verkocht vervolgens nauwelijks. Ward vertelde later dat de groepsleden zelfs zelf exemplaren moesten kopen, terwijl ze voor de opname eigenlijk nooit normaal waren betaald.
Daarna viel de groep uit elkaar. Het leek het einde van een onbeduidende lokale vocal group.
Maar toen gebeurde er iets bijzonders.
💿 De legende van de verdwenen plaat
Bijna tien jaar later, in 1961, vond platenverzamelaar Billy Pensabene een exemplaar van Stormy Weather.
Hij bracht het naar de New Yorkse platenhandelaar en radio-dj Irving “Slim” Rose. Rose wilde de plaat op zijn radioprogramma draaien, maar het exemplaar werd tijdens zijn bezit gebroken. Er bestaat zelfs een beroemde legende dat zijn huisdier, een wasbeer genaamd Teddy, de plaat zou hebben vernield. Rose gaf echter ook een andere verklaring: de plaat zou onder zijn arm zijn gebroken.
Rose begon vervolgens een zoektocht naar een nieuw exemplaar.
Hij bood eerst $25 winkeltegoed en later steeds grotere bedragen. Uiteindelijk liep de beloning op tot honderden dollars, maar niemand kwam met een exemplaar.
Dat was het moment waarop verzamelaars beseften dat Stormy Weather misschien wel extreem zeldzaam was.
🔥 De masters waren verdwenen
Rose probeerde vervolgens bij Jubilee Records de oorspronkelijke master te achterhalen. Daar kreeg hij te horen dat de master van Stormy Weather verloren was gegaan bij een brand waarbij ongeveer tachtig masters verloren waren gegaan.
Daardoor ontstond een soort perfecte storm:
bijna niemand had de plaat → de master was verdwenen → er kon geen normale heruitgave worden gemaakt → verzamelaars gingen jagen.
Er zijn uiteindelijk slechts een handvol originele 78-toerenexemplaren opgedoken. Sommige bronnen spreken van drie bekende exemplaren; het precieze aantal varieert afhankelijk van wat als authentiek exemplaar wordt meegerekend. Een originele 45-toerenversie is nooit overtuigend opgedoken.
💰 Een van de heilige gralen van doo-wop
Voor verzamelaars werd de originele Jubilee 5104 daardoor een soort Holy Grail van de doo-wop.
Het interessante is dat de plaat muzikaal nooit een hit was. De enorme waarde ontstond pas jaren later door zijn zeldzaamheid en de legende eromheen.
Een exemplaar dat in de jaren zeventig opdook, was zelfs zwaar beschadigd. Toch werd het uitgebreid gekopieerd en opnieuw verspreid onder verzamelaars.
De Five Sharps zijn daardoor een bijzonder voorbeeld van een groep die tegenwoordig veel bekender is vanwege één zeldzame plaat dan vanwege commercieel succes.
🎤 Wat gebeurde er met de leden?
De leden gingen na het uiteenvallen verschillende kanten op.
Clarence Bassett en Ronald Cuffey kwamen later opnieuw samen in The Videos. In 1958 namen zij onder andere Trickle Trickle op, een nummer dat een bescheiden succes werd. Bassett werkte later ook met andere bekende vocal groups, waaronder Shep & the Limelites, en was betrokken bij latere formaties van The Drifters en The Flamingos.
Ronald Cuffey overleed uiteindelijk aan leukemie.
Bobby Ward nam in de jaren zestig nog een soloplaat op, The Key to the City, maar kreeg geen grote carrière. De overige leden verdwenen grotendeels uit de muziekwereld.
🔄 Een nieuwe Five Sharps in 1964
Het verhaal werd nog ingewikkelder.
Omdat de originele master niet meer beschikbaar was, liet Jubilee in 1964 een nieuwe groep opnemen onder de naam The Five Sharps. Zij maakten opnieuw Stormy Weather. Deze versie verscheen als een 45-toerenplaat.
Veel verzamelaars raakten hierdoor aanvankelijk in verwarring, maar de 1964-opname is niet de legendarische originele 1952-versie.
Voor een doo-wopverzamelaar is dat dus een belangrijk onderscheid:
Plaat Jaar Label Status
Stormy Weather / Sleepy Cowboy 1952 Jubilee 5104 ⭐ Legendarische originele opname
Stormy Weather – nieuwe opname 1964 Jubilee Veel minder zeldzaam
⭐ Waarom zijn The Five Sharps zo belangrijk?
Ze zijn eigenlijk het ultieme voorbeeld van de doo-wopcultuur van de vroege jaren 50: jonge jongens uit een New Yorkse wijk, meerstemmige zang, nauwelijks instrumentatie, een klein onafhankelijk label en een plaat die aanvankelijk compleet mislukt.
Maar door een bizarre reeks gebeurtenissen werd Stormy Weather uiteindelijk een legendarische collector's item. De opname wordt nog altijd beschouwd als een van de zeldzaamste R&B/doowop-platen ooit.


The Flairs
The Flairs – een belangrijke groep uit de West Coast doowop
The Flairs waren een Amerikaanse doo-wop- en rhythm-and-bluesgroep uit Los Angeles, actief vanaf ongeveer 1953. Ze zijn vooral interessant omdat verschillende leden later grote namen werden binnen de Amerikaanse R&B.
🎙️ Het begin
De groep ontstond onder de naam The Debonaires, met jonge zangers uit Los Angeles. Tot de vroege bezetting behoorden onder anderen Cornell Gunter, Arthur Lee Maye, Pete Fox, Obediah "Obie" Jessie en A.V. Odom.
In 1953 kwamen ze onder de aandacht van Modern Records en werden ze omgedoopt tot The Flairs, naar het sublabel Flair Records.
Hun eerste plaat verscheen zelfs nog onder de naam The Hollywood Blue Jays. Daarna volgden opnamen voor Flair en Modern.
⭐ Een indrukwekkende bezetting
Wat The Flairs bijzonder maakt, is hoeveel belangrijke muzikanten ermee verbonden waren.
Cornell Gunter werd later een belangrijk lid van The Coasters.
Obie Jessie werd bekend als Young Jessie en had als solozanger een succesvolle carrière.
En misschien wel de interessantste naam is Richard Berry. Hij schreef en nam in 1957 de oorspronkelijke versie van "Louie Louie" op — het nummer dat later wereldberoemd werd door onder andere The Kingsmen.
Dat maakt The Flairs eigenlijk een soort kraamkamer van de West Coast R&B.
🎵 Hun muziek
De vroege Flairs hadden een typisch Los Angeles-geluid: krachtige leadzang, stevige baspartijen en harmonieën die duidelijk uit de gospeltraditie kwamen.
Een paar mooie nummers om te zoeken:
"I Had a Love"
"She Wants to Rock"
"Down at Hayden's"
"Rabbit on a Log"
"Icy Cold"
"How Can I Tell You"
"Ipsy Opsie Ooh"
Vooral "She Wants to Rock" is leuk als je van de meer wilde, uptempo kant van de jaren-50-doowop houdt. De oorspronkelijke opnamen van de groep zijn tegenwoordig vooral interessant voor verzamelaars.
🔄 En dan wordt het ingewikkeld...
Bij The Flairs wordt de geschiedenis behoorlijk verwarrend. Er waren namelijk verschillende bezettingen en de naam werd opnieuw gebruikt.
Er verschenen ook platen onder namen als The Ermines, The Jac-O-Lacs en later The Flares. Daardoor worden The Flairs en The Flares regelmatig door elkaar gehaald.
The Flares waren dus een latere, verwante groep. Hun grote succes kwam in 1961 met:
"Foot Stompin', Pt. 1"
Dat nummer bereikte ongeveer #25 in de Billboard Hot 100 en #20 op de R&B-hitlijst. Het is een veel steviger, dansbaarder nummer dan de vroege Flairs-opnamen.
💿 Interessant voor doowop-verzamelaars
Voor iemand die zich verdiept in jaren-50-doowop zijn The Flairs absoluut een groep om niet over te slaan. Hun platen laten mooi horen hoe gospel → R&B → doowop → vroege rock-'n-roll in elkaar overliepen.
Een goede verzamelaar is The Ultimate Flairs van Ace Records; die richt zich op de oorspronkelijke jaren-50-groep. Ace benadrukt ook dat de latere Flares met Foot Stompin' niet dezelfde bezetting hadden als de oorspronkelijke Flairs.
Kort samengevat:
The Flairs = de originele jaren-50-groep uit Los Angeles, met Cornell Gunter, Young Jessie en Richard Berry als belangrijke namen.
The Flares = de latere, verwante groep, bekend van Foot Stompin' uit 1961.
The Flamingos
The Flamingos – elegante pioniers van de doowop
The Flamingos behoren tot de belangrijkste en meest verfijnde Amerikaanse doowopgroepen uit de jaren 50. Ze kwamen oorspronkelijk uit Chicago en werden in 1953 opgericht. Hun carrière liep uiteindelijk vele tientallen jaren door.
🎤 Het begin
De basis van de groep werd gevormd door de neven Jake Carey en Zeke Carey, die vanuit Baltimore naar Chicago waren verhuisd. Via een kerkkoor leerden ze onder anderen Paul Wilson en Johnny Carter kennen. De groep ontwikkelde een uitzonderlijk strak harmonie-geluid.
Aanvankelijk traden ze op tijdens plaatselijke feestjes en zogenaamde rent parties. Hun vroege opnamen, waaronder "Golden Teardrops", werden vooral onder liefhebbers van vocale R&B bijzonder gewaardeerd.
⭐ De klassieke bezetting
Een van de bekendste bezettingen uit de jaren 50 bestond uit:
Nate Nelson – leadzang
Terry "Buzzy" Johnson – tenor, falsetto en gitaar
Tommy Hunt – tenor
Paul Wilson – bariton
Jake Carey – bas
Zeke Carey – tenor, die gedurende een periode afwezig was
Door de jaren heen veranderde de bezetting regelmatig. Dat was overigens heel gebruikelijk bij Amerikaanse doowopgroepen.
💿 De eerste grote successen
In de jaren 50 namen The Flamingos op voor onder andere Chess/Checker. Ze hadden R&B-hits met nummers als:
"I'll Be Home"
"A Kiss From Your Lips"
"The Vow"
"Would I Be Crying"
In 1958 stapten ze over naar End Records in New York. Daar begon hun meest succesvolle periode.
🌙 "I Only Have Eyes for You"
Hun absolute klassieker is natuurlijk:
"I Only Have Eyes for You" – 1959
Het nummer was oorspronkelijk een song uit 1934, geschreven door Harry Warren en Al Dubin. The Flamingos maakten er iets totaal anders van: een langzaam, bijna zwevend arrangement met veel echo, zachte percussie en hemelse achtergrondharmonieën.
De plaat bereikte nummer 11 op de Amerikaanse poplijst en nummer 3 op de R&B-lijst.
Het bijzondere is vooral de sfeer. Het klinkt bijna alsof de groep in een droom zingt. Dat effect werd versterkt door de galm op de stemmen en de hoge falsetto van Terry Johnson.
🎶 Andere nummers die je zeker moet kennen
Als je bezig bent met een mooie doowop-verzameling, zou ik deze Flamingos-nummers zeker opzoeken:
I Only Have Eyes for You
Lovers Never Say Goodbye
Golden Teardrops
I'll Be Home
A Kiss From Your Lips
The Vow
Would I Be Crying
Mio Amore
Your Other Love
Nobody Loves Me Like You
I Was Such a Fool
Love Walked In
But Not for Me
Time Was
Jump Children
"Lovers Never Say Goodbye" was hun eerste grote succes bij End Records en bereikte nummer 25 op de R&B-lijst.
🕺 Niet alleen zingen
The Flamingos waren bijzonder omdat ze niet alleen geweldig konden zingen. Ze hadden ook strakke choreografieën en een opvallende podiumact. Bovendien was Terry Johnson gitarist en arrangeur, waardoor de groep meer een zelfstandig optredende band werd dan veel andere vocale groepen uit die tijd.
Hun stijl had later grote invloed op groepen als The Temptations en op de ontwikkeling van de Motown- en soulstijl.
🏆 Erkenning
De betekenis van The Flamingos werd later officieel erkend:
Rhythm & Blues Foundation Pioneer Award – 1996
Vocal Group Hall of Fame – 2000
Rock & Roll Hall of Fame – 2001
Grammy Hall of Fame – 2003
Doo-Wop Hall of Fame – 2004/2015 volgens verschillende bronnen/organisaties.
De opname "I Only Have Eyes for You" werd bovendien opgenomen in de Grammy Hall of Fame.


The Fleetwoods
The Fleetwoods
The Fleetwoods waren een Amerikaanse vocale groep uit Olympia, Washington, die vooral beroemd werd tijdens de grote doorbraak van de doo-wop en vocale pop aan het einde van de jaren 50. Hun bijzondere geluid was veel zachter en romantischer dan dat van veel andere doo-wopgroepen.
De bezetting
De oorspronkelijke Fleetwoods bestonden uit:
Gretchen Christopher – zang
Barbara Ellis – zang
Gary Troxel – zang en oorspronkelijk trompet
Gretchen en Barbara kenden elkaar al sinds hun jeugd. Op de middelbare school kwam Gary Troxel erbij. Aanvankelijk was hij vooral bedoeld om trompet te spelen, maar uiteindelijk werd zijn zangstem een essentieel onderdeel van het Fleetwoods-geluid.
De naam Fleetwoods kwam van de telefooncentrale ("Fleetwood") die in hun woongebied in Olympia werd gebruikt.
🎵 Come Softly to Me – 1959
Hun grote doorbraak kwam met "Come Softly to Me".
Het nummer is heel bijzonder voor de doo-wopgeschiedenis. In plaats van een grote instrumentale begeleiding staat de zang centraal. De stemmen van Gretchen en Barbara vormen de melodie en harmonie, terwijl Gary daar zijn karakteristieke mannelijke tegenstem en doo-wopachtige geluiden tegenover zet.
Het resultaat is een bijna fluisterende, intieme ballad.
Het nummer werd in 1959 een nummer 1-hit in de Verenigde Staten en werd een miljoenenseller. Het bereikte bovendien de R&B-hitlijst, iets wat voor een blanke vocale popgroep in die periode zeker niet vanzelfsprekend was.
De plaat werd uitgebracht via Dolphin Records, dat kort daarna de naam Dolton Records kreeg.
💙 Mr. Blue
Hun tweede enorme succes was "Mr. Blue", geschreven door Dewayne Blackwell.
Ook dit nummer werd in 1959 nummer 1 in Amerika. Daarmee werden The Fleetwoods de eerste groep die in één kalenderjaar twee nummer 1-hits op de Billboard Hot 100 had.
"Mr. Blue" is wat traditioneler geproduceerd dan "Come Softly to Me", maar de typische Fleetwoods-harmonie is onmiddellijk herkenbaar.
Gary Troxel kreeg door "Mr. Blue" bovendien een soort teen-idoolstatus.
Andere belangrijke nummers
The Fleetwoods waren beslist geen groep met slechts twee hits. Tussen 1959 en 1963 kwamen ze met maar liefst 11 singles op de Billboard Hot 100.
Een aantal nummers om eens op te zoeken:
Come Softly to Me – 1959
Graduation's Here – 1959
You Mean Everything to Me – 1959
Mr. Blue – 1959
Outside My Window – 1960
Runaround – 1960
(He's) The Great Imposter – 1961
Tragedy – 1961
Lovers by Night, Strangers by Day – 1962
Goodnight My Love – 1963
Ook "Tragedy" is interessant: een prachtige, dramatische vocale ballad die goed laat horen hoe anders The Fleetwoods waren dan bijvoorbeeld The Coasters of The Drifters.
🎙️ Hun typische geluid
Wat The Fleetwoods zo herkenbaar maakt, is de combinatie van:
vrouwelijke lead + vrouwelijke harmonie + mannelijke tegenmelodie.
Het is eigenlijk een soort muzikale conversatie tussen de drie stemmen.
Daardoor zitten ze op een interessant kruispunt van:
Doo-wop → vocal pop → teen ballad → early rock & roll
Hun muziek heeft minder van het rauwe straatkarakter van groepen als The Five Satins of The Flamingos. The Fleetwoods klinken juist zacht, dromerig, romantisch en bijna fluisterend.
Dat maakte hen bijzonder geschikt voor de late-night sfeer van de jaren 50 en vroege jaren 60.
🇺🇸 De invloed van R&B en doo-wop
Hoewel The Fleetwoods vaak als popgroep worden gezien, hadden ze duidelijke wortels in rhythm & blues en doo-wop. Hun platen wisten ook de R&B-hitlijsten te bereiken. De Vocal Group Hall of Fame noemt hen expliciet een van de weinige blanke vocale groepen uit die periode die zowel op de pop- als R&B-hitlijsten succesvol waren.
Voor iemand die bezig is met 50s doo-wop en oudeies/piratenmuziek zijn The Fleetwoods daarom absoluut een groep om tussen de klassieke vocal groups te zetten.
⚓ Gary Troxel en de marine
Het succes kwam zo snel dat het leven van de drie jonge zangers behoorlijk veranderde. Gary Troxel werd in 1960 opgeroepen voor militaire dienst bij de Amerikaanse marine.
Tijdens zijn diensttijd werd hij bij sommige optredens tijdelijk vervangen door Vic Dana, die later zelf een succesvolle solozanger zou worden.
Troxel bleef echter grotendeels verbonden met de groep en keerde terug.
Het einde van de oorspronkelijke groep
Vanaf ongeveer 1962–1963 begon de samenwerking moeilijker te worden. Gary wilde minder touren, Barbara kreeg andere interesses en Gretchen dacht aan een solocarrière. In 1963 verschenen nog Fleetwoods-platen, maar de grote hitperiode was voorbij.
Later kwamen er verschillende reünies en nieuwe bezettingen. In 1983 trok Gary Troxel zich definitief terug uit de Fleetwoods-organisatie zoals die door Gretchen Christopher werd geleid. Gretchen bleef de naam en muziek van The Fleetwoods vervolgens gebruiken en organiseerde later opnieuw optredens met vervangende leden.
🏆 Erkenning
The Fleetwoods werden in 2006 opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame.
Hun muziek bleef bovendien populair in films. Vooral "Come Softly to Me" werd een blijvende klassieker en verscheen onder andere in films als Stand by Me en Crossing Delancey.
The Four Seasons
The Four Seasons
The Four Seasons behoren tot de belangrijkste Amerikaanse zanggroepen uit de jaren zestig. Hun herkenbare combinatie van doo-wop, rock-'n-roll, rhythm-and-blues en pop werd vooral gekenmerkt door de zeer hoge falsetstem van Frankie Valli. De groep werd in 1990 opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame.
De oorspronkelijke bezetting
De klassieke Four Seasons bestond uit:
Frankie Valli – leadzang
Bob Gaudio – toetsen, zang en belangrijkste songwriter
Tommy DeVito – gitaar en zang
Nick Massi – bas en zang
Alle vier hadden hun muzikale wortels in New Jersey. Valli en DeVito waren al eerder actief als The Four Lovers. In 1960 kwam de nieuwe bezetting met Gaudio en Massi tot stand en werd de naam The Four Seasons gekozen. Die naam was afkomstig van een bowlingbaan waar ze eerder een auditie hadden gedaan.
Het grote succes van 1962
De grote doorbraak kwam met "Sherry". Bob Gaudio schreef het nummer in ongeveer een kwartier, vlak voor een repetitie. Het nummer werd in 1962 uitgebracht en bereikte de eerste plaats van de Amerikaanse hitlijst.
Daarna ging het razendsnel:
Sherry – #1, 1962
Big Girls Don't Cry – #1, 1962
Walk Like a Man – #1, 1963
Rag Doll – #1, 1964
Met hun eerste drie grote singles achter elkaar op nummer 1 waren ze een uitzonderlijk succesverhaal.
Het bijzondere geluid
Wat The Four Seasons vooral onderscheidde van andere Amerikaanse groepen was Frankie Valli's falsetstem. In plaats van de hoge stem alleen als achtergrondharmonie te gebruiken, stond bij The Four Seasons juist de hoge stem vooraan als leadzang. Daarom is "Sherry" na enkele seconden al vrijwel onmiddellijk herkenbaar.
Daaronder kwamen de strakke harmonieën van de andere zangers. Dat gaf nummers als "Big Girls Don't Cry" en "Walk Like a Man" dat typische, ritmische doo-wopgevoel.
Bob Gaudio & Bob Crewe
Een enorm belangrijk onderdeel van het succes was het duo Bob Gaudio en producer Bob Crewe.
Gaudio schreef veel van de grote Four Seasons-hits en Crewe produceerde ze. Samen waren ze verantwoordelijk voor onder andere:
"Sherry"
"Big Girls Don't Cry"
"Walk Like a Man"
"Dawn (Go Away)"
"Rag Doll"
"Ronnie"
"Big Man in Town"
"Let's Hang On"
"Bye Bye Baby (Baby, Goodbye)"
Gaudio en Crewe vormden daarmee een van de succesvolle songwriting/producerteams van de Amerikaanse popmuziek van de jaren zestig.
De concurrentie met The Beach Boys en The Beatles
In de periode 1962–1964 waren The Four Seasons enorm populair in Amerika. Ze behoorden tot de weinige Amerikaanse groepen die qua platenverkoop konden concurreren met The Beach Boys.
Toen in 1964 The Beatles en de andere Britse groepen Amerika overspoelden, verloren veel Amerikaanse artiesten terrein. The Four Seasons bleven echter hits maken, waaronder "Dawn (Go Away)", "Rag Doll", "Save It for Me" en "Big Man in Town".
Dat maakt hen interessant binnen de doo-wopgeschiedenis: ze kwamen rechtstreeks voort uit de New Jersey/New York vocal-grouptraditie, maar wisten die stijl om te vormen tot commerciële popmuziek voor de jaren zestig.
Hits na 1964
Ook na hun grootste periode bleven ze succesvol. Belangrijke nummers zijn onder andere:
Dawn (Go Away) – 1964
Rag Doll – 1964
Save It for Me – 1964
Big Man in Town – 1964
Bye Bye Baby (Baby, Goodbye) – 1965
Let's Hang On! – 1965
Working My Way Back to You – 1966
C'mon Marianne – 1967
Beggin' – 1967
Frankie Valli solo
Frankie Valli begon ondertussen ook solo platen te maken. Een van zijn grootste successen was "Can't Take My Eyes Off You" uit 1967, dat nummer 2 in Amerika bereikte.
In de jaren zeventig kwam er zelfs een spectaculaire comeback. Valli scoorde solo met "My Eyes Adored You" en later met "Grease".
Maar ook The Four Seasons zelf kwamen terug.
"December, 1963 (Oh, What a Night)"
In 1975/1976 kwam de groep opnieuw enorm in de belangstelling met:
"December, 1963 (Oh, What a Night)"
Het nummer werd hun vijfde Amerikaanse nummer 1-hit, ruim tien jaar na "Rag Doll". Het was bovendien een duidelijke overgang naar de disco/pop van de jaren zeventig.
Dat is misschien wel een van de meest bijzondere aspecten van The Four Seasons: ze waren niet uitsluitend een nostalgische doo-wopgroep. Ze wisten hun geluid verschillende keren aan te passen.
Jersey Boys
Het verhaal van The Four Seasons kreeg later een enorm nieuw publiek door de musical Jersey Boys, die het ontstaan en succes van de groep vertelt en nummers als "Sherry", "Big Girls Don't Cry", "Walk Like a Man" en "Can't Take My Eyes Off You" gebruikt.
De musical ging in 2005 op Broadway en werd een groot succes.
De groep is daarmee een essentiële schakel tussen de klassieke Amerikaanse doo-wopgroepen van de jaren 50 en de grote popmuziek van de jaren 60.


Norman Fox & The Rob-Roys
Norman Fox & The Rob-Roys
Norman Fox & The Rob-Roys waren een Amerikaanse doo-wop- en rhythm-and-bluesgroep uit The Bronx, New York, die in 1956 werd opgericht. Ze zijn vooral bekend geworden door “Tell Me Why” uit 1957, een bijzonder fraaie uptempo doo-wopplaat.
🎤 De oorspronkelijke bezetting
De groep ontstond rond vijf tieners die elkaar kenden van DeWitt Clinton High School in The Bronx:
Norman Fox – leadzang
Bob Trotman – eerste tenor
Andre Lilly – tweede tenor
Robert “Bobby” Thierer – bariton
Marshall “Buzzy” Helfand – bas
Volgens informatie uit de alumni-organisatie van de school oefenden ze zelfs in de badkamer van de school.
De Rob-Roys waren bovendien een van de vroegste raciaal gemengde doo-wopgroepen: Fox, Thierer en Helfand waren blank, terwijl Trotman en Lilly zwart waren. Dat was in de Amerikaanse muziekindustrie van midden jaren vijftig nog tamelijk bijzonder.
🎶 “Tell Me Why” – hun grote plaat
Hun belangrijkste opname was:
“Tell Me Why” – The Rob-Roys – Backbeat 501 – 1957
Het nummer werd geschreven door bassist Buzzy Helfand. Norman Fox zingt de lead met een krachtige, vrij hoge tenor, terwijl de andere vier stemmen voor de typische doo-wop-harmonie zorgen.
Het nummer werd in de zomer van 1957 uitgebracht en kreeg behoorlijk wat airplay aan de Amerikaanse oostkust, vooral in New York en Philadelphia. Het werd uiteindelijk hun enige echte hit.
Wat “Tell Me Why” zo aantrekkelijk maakt, is de combinatie van:
snelle beat + handclaps + stevige baspartij + heldere tenorharmonieën + een vrij rauwe rock-'n-roll-leadzang.
Het is daardoor eerder uptempo street-corner doo-wop dan de zeer romantische balladstijl die veel andere groepen uit die periode hadden.
💿 Andere belangrijke opnamen
Na “Tell Me Why” volgden onder meer:
“Dance Girl Dance” (1958)
“Lover Doll”
“My Dearest One”
“Dream Girl”
“Pizza Pie” (1959)
“Do Re Mi”
“Rainy Day Bells”
“That's Love”
“Dance Girl Dance” had niet hetzelfde succes als “Tell Me Why”. “Pizza Pie” is tegenwoordig juist een interessante cultplaat onder verzamelaars van doo-wop en rock-'n-roll.
🍕 “Pizza Pie”
“Pizza Pie” is een mooi voorbeeld van de luchtigere kant van de groep. De titel klinkt misschien vreemd, maar dit soort eten/meisje/teenage-nonsense kwam in de rock-'n-roll en doo-wop van de jaren vijftig regelmatig voor.
De opname werd gemaakt nadat bassist Helfand de groep had verlaten en Paul Schneller hem had vervangen. De plaat werd uiteindelijk via Capitol uitgebracht.
📻 Waarom werden ze niet groter?
Dat is eigenlijk een interessant verhaal. De Rob-Roys hadden volgens kenners een uitstekende zangcombinatie, maar hun platenmaatschappij Backbeat, een onderdeel van Duke/Peacock uit Houston, had relatief weinig ervaring met het goed promoten van dit soort jonge rock-'n-rollgroepen.
“Tell Me Why” kreeg wel regionale aandacht, maar de groep wist daar geen grote landelijke doorbraak van te maken.
Ze stapten vervolgens richting Capitol Records, maar ook daar kwam de grote doorbraak niet. Er werden bovendien opnamen gemaakt die lange tijd niet werden uitgebracht. Uiteindelijk viel de oorspronkelijke groep rond 1963 uiteen.
🔄 Een opmerkelijke comeback
Het verhaal eindigde daar echter niet.
In 1971 kwamen verschillende oorspronkelijke leden weer bij elkaar voor een optreden. In 1986 werd de groep opnieuw geformeerd rond Norman Fox en Robert Thierer, aangevuld met nieuwe zangers. In de jaren negentig maakten ze onder andere a-cappella-opnamen voor Starlight Records.
Daarbij zong soms ook Kim Fox, de dochter van Norman Fox, lead. Zij werd later zelf zangeres en songwriter.
De groep bleef dus, zij het met veel personeelswisselingen, nog jarenlang actief.
⭐ Hun plaats in de doo-wopgeschiedenis
Norman Fox & The Rob-Roys zijn vooral interessant omdat ze drie dingen combineren:
Vroege New Yorkse doo-wop
Een van de vroege geïntegreerde/raciaal gemengde zanggroepen
Een sterke verbinding tussen doo-wop en vroege rock-'n-roll
Ze waren commercieel geen groep van het kaliber van bijvoorbeeld The Flamingos, The Five Satins of The Drifters, maar “Tell Me Why” behoort absoluut tot de platen die een liefhebber van authentieke jaren-50-doowop zou moeten kennen. AllMusic noemt de groep een rock-'n-roll vocal group en noemt “Tell Me Why” hun enige hit.
Dat trio laat heel goed horen hoe de groep zich ontwikkelde van klassieke uptempo doo-wop naar meer uitgesproken rock-'n-roll.
The Gaylords
The Gaylords
The Gaylords waren een Amerikaans zangtrio uit Detroit dat vooral in de eerste helft van de jaren vijftig grote successen had. Ze zijn interessant voor liefhebbers van early pop, vocal groups, novelty records en de overgang van traditionele pop naar rock-'n-roll.
De groep werd in 1949 in Detroit opgericht door Ronnie Fredianelli, Burt Bonaldi en Don Rea. Hun grote doorbraak kwam bij Mercury Records.
🎤 De oorspronkelijke leden
Ronnie Fredianelli – leadzanger; later bekend als Ronnie Gaylord
Burt Bonaldi – zang
Don Rea – zang en keyboard
Toen Fredianelli in de jaren vijftig in militaire dienst ging, werd hij tijdelijk vervangen door Bill Christ. De overige leden gingen vervolgens verder onder de naam The Gaylords.
⭐ Hun grootste hit: "Tell Me You're Mine"
Hun absolute doorbraak was "Tell Me You're Mine", uitgebracht in 1952. Het nummer werd in 1953 een enorme Amerikaanse hit en bereikte nummer 2 op de Amerikaanse poplijst. Er werden uiteindelijk meer dan een miljoen exemplaren van verkocht.
Bijzonder is dat het nummer sterk leunt op een Italiaanse muzikale traditie en gedeeltelijk in het Italiaans werd gezongen. Dat Italiaanse karakter werd eigenlijk een soort handelsmerk van The Gaylords.
🇮🇹 Italiaans-Amerikaanse sound
The Gaylords waren geen doo-wopgroep in de klassieke betekenis van bijvoorbeeld The Five Satins of The Flamingos.
Hun muziek zat eerder tussen:
traditional pop → vocal harmony → novelty → Italiaans-Amerikaanse pop
Veel nummers hadden een romantische, bijna mediterrane sfeer. Dat paste uitstekend bij de Amerikaanse platenmarkt van het begin van de jaren vijftig.
🎶 Belangrijke nummers
Een aantal nummers die je zeker eens moet beluisteren:
Jaar Nummer Amerikaanse hitpositie
1952/53 Tell Me You're Mine #2
1953 Ramona #12
1953 Spinning a Web #16
1953 The Strings of My Heart #21
1954 From the Vine Came the Grape #7
1954 Isle of Capri #14
1954 The Little Shoemaker #2
1954 Veni-Vidi-Vici #30
1955 No Arms Can Ever Hold You #67
1958 Ma Ma Ma Marie #97
De grootste opvolger was "The Little Shoemaker", dat in 1954 eveneens tot nummer 2 kwam.
🍇 "From the Vine Came the Grape"
Ook "From the Vine Came the Grape" is typisch voor hun stijl. De Gaylords maakten er in 1954 de best verkopende versie van. Het nummer combineert een romantisch Amerikaans poplied met een Italiaans aandoende uitvoering.
💿 Mercury Records
The Gaylords waren nauw verbonden met Mercury Records. Hun vroege singles verschenen op Mercury en vormden een belangrijk onderdeel van de vocale popcatalogus van het label. Hun eerste plaat was bijvoorbeeld Mercury 70030, met "Cuban Love Song" en "Tell Me You're Mine".
In 1954 beschreef Cash Box hen als een van de populairste vocale groepen van dat moment en vermeldde het blad dat ze op tournee waren met Don Cornell.
🎸 Waarom verdwenen ze uit de hitparade?
Vanaf 1955 veranderde de Amerikaanse muziekwereld razendsnel. Rock-'n-roll, rhythm & blues en nieuwe tieneridolen namen steeds meer de plaats in van de traditionele vocal-popgroepen.
The Gaylords bleven nog jarenlang opnemen voor Mercury, maar hun grote commerciële periode was voorbij. Hun muziek werd steeds meer gezien als behorend tot het tijdperk vóór de rock-'n-roll.
👋 Wat gebeurde er daarna?
Ronnie Fredianelli ging ook solo als Ronnie Gaylord en scoorde onder die naam in 1954 een hit met "Cuddle Me".
Burt Bonaldi nam later de artiestennaam Burt Holiday aan. Uiteindelijk vormden Ronnie Gaylord en Burt Holiday het duo Gaylord & Holiday. Ze bleven zelfs tot in de jaren zeventig actief; in 1976 hadden ze nog een kleine hit met "Eh! Cumpari".
Maar The Gaylords onderscheiden zich vooral door hun Italiaanse sfeer, humoristische nummers en karakteristieke mannelijke samenzang.


The Gladiolas
The Gladiolas – bijzondere doo-wop uit South Carolina
The Gladiolas waren een Amerikaanse zwarte vocal group uit Lancaster, South Carolina, die vooral bekend werd door het originele “Little Darlin’” uit 1957. De groep stond onder leiding van zanger en songwriter Maurice Williams.
🎙️ Van gospel naar doo-wop
Williams en zijn jeugdvriend Earl Gainey begonnen als gospelzangers in de groep Junior Harmonizers. Toen de belangstelling voor rhythm-and-blues en rock-'n-roll groeide, veranderden ze hun muzikale richting.
Rond 1955 ontstond een vijfmansgroep die aanvankelijk The Royal Charms heette. De bezetting bestond uit:
Maurice Williams – leadzang
Earl Gainey – tenor
William Massey – tenor/bariton
Willie Jones – bariton
Norman Wade – bas
Ze zongen aanvankelijk onder meer op school en hadden zelfs een eigen radioprogramma.
🌺 Waarom heetten ze The Gladiolas?
Toen de groep bij het onafhankelijke Excello Records terechtkwam, vond platenbaas Ernie Young de naam Royal Charms niet bijzonder genoeg. Hij hield ervan om groepen naar bloemen te vernoemen en koos daarom The Gladiolas. Op hetzelfde label verschenen ook groepen met bloemennamen zoals The Marigolds en The Hollyhocks.
⭐ “Little Darlin’” – hun grote klassieker
Het belangrijkste nummer van The Gladiolas is natuurlijk “Little Darlin’”.
Maurice Williams schreef het nummer toen hij slechts 16 jaar oud was. De opname vond begin 1957 plaats en werd uitgebracht op Excello 2101.
Het bijzondere aan de Gladiolas-versie is dat het geen standaard rustige doo-wopballad is. De plaat heeft een opvallend calypso/Latijns ritme, met onder andere percussie en houtblokken. Daardoor klinkt hij heel anders dan veel andere street-corner doo-wop uit die periode.
Ook heel herkenbaar zijn:
de hoge falsetto in de opening;
de typische "ya-ya-ya" achtergrondzang;
de stuwende percussie;
het gesproken gedeelte van Maurice Williams;
de combinatie van romantische doo-wop en een bijna Caribisch ritme.
Juist die combinatie maakt de originele versie zo interessant voor liefhebbers van doo-wop, R&B en 50s rock-'n-roll.
📈 De hit die eigenlijk groter had moeten zijn
De Gladiolas-versie bereikte in 1957 nummer 11 op de Amerikaanse R&B-hitlijst. Op de algemene poplijst bleef het succes veel beperkter.
En toen gebeurde iets wat vaker voorkwam bij zwarte R&B-artiesten in de jaren vijftig: een andere groep maakte een cover.
De Canadese groep The Diamonds nam “Little Darlin’” op voor Mercury Records. Hun versie werd een enorme hit en bereikte de top van de Amerikaanse hitlijsten, terwijl de oorspronkelijke uitvoering van de Gladiolas veel minder bekend bleef.
Dat maakt de Gladiolas-versie voor verzamelaars extra interessant: zij hadden het origineel.
🎵 Andere nummers van The Gladiolas
Ze maakten meer platen voor Excello. Interessante titels zijn:
Jaar Nummer
1957 Little Darlin’
1957 Sweetheart Please Don't Go
1957 Run, Run Little Joe
1957 Comin' Home to You
1957 Hey Little Girl
1957 I Wanna Know
1958 Say You'll Be Mine
1958 Shoop Shoop
Deze opnamen zijn tegenwoordig goed terug te vinden op verzamelalbums met het werk van Maurice Williams, The Gladiolas en later The Zodiacs.
🔄 De overgang naar The Zodiacs
The Gladiolas waren uiteindelijk een belangrijke stap in de carrière van Maurice Williams.
De groep veranderde later nog van naam en werd uiteindelijk Maurice Williams & The Zodiacs. In 1960 scoorde die groep een gigantische hit met “Stay”. Dat nummer werd zelfs een nummer-1-hit en staat bekend als een van de kortste nummers die ooit de Amerikaanse Billboard Hot 100 aanvoerden.
Daarom kun je The Gladiolas eigenlijk zien als de voorloper van Maurice Williams & The Zodiacs.
💿 Voor een doo-wop-liefhebber
Als je de ontwikkeling van Amerikaanse doo-wop aan het uitpluizen bent, zou ik vooral luisteren naar:
The Gladiolas – Little Darlin’ ⭐⭐⭐⭐⭐
The Gladiolas – Sweetheart Please Don't Go
The Gladiolas – Run, Run Little Joe
The Gladiolas – Hey Little Girl
The Gladiolas – Say You'll Be Mine
daarna Maurice Williams & The Zodiacs – Stay
Er is ook een uitgebreide compilatie Maurice Williams with The Gladiolas and The Zodiacs: The Complete Releases 1956–62, waarop de Gladiolas-opnamen mooi bij elkaar staan.
The G-Clefs
The G-Clefs
The G-Clefs waren een Amerikaanse doo-wop/R&B-vocal group uit Roxbury, Boston (Massachusetts). Ze behoren tot de vroege vocal groups die de overgang van gospel naar rhythm & blues en rock-'n-roll zichtbaar maakten. Hun grootste successen waren “Ka-Ding Dong” uit 1956 en “I Understand (Just How You Feel)” uit 1961.
🎤 Het begin
De groep ontstond rond 1952 en bestond oorspronkelijk uit vier Scott-broers en hun jeugdvriend Ray Gipson. Ze zongen aanvankelijk vooral gospel, onder andere in de St. Richard's Catholic Church in Roxbury. Hun oorspronkelijke naam was The Bob-O-Links; uiteindelijk koos de groep voor de naam The G-Clefs.
De oorspronkelijke bezetting omvatte onder andere:
Teddy Scott – zang
Chris Scott – zang
Tim “Payme” Scott – zang, bas/gitarist
Joe Jordan – bas
Ray Gipson – leadzang
De broers Scott vormden dus letterlijk het muzikale hart van de groep.
⭐ “Ka-Ding Dong” – 1956
Hun grote doorbraak kwam met “Ka-Ding Dong”, uitgebracht op Pilgrim Records in 1956.
Het nummer werd een belangrijke plaat voor de Bostonse muziekscene:
#24 Billboard Hot 100
#9 R&B
eerste nationale rock-'n-rollhit uit de omgeving van Boston.
Een bijzonder detail: op de opname speelde een jonge gitarist mee die later zelf een grote rock-'n-rollster zou worden: Freddy Cannon (toen nog Fred Picariello).
“Ka-Ding Dong” is typisch voor de vroege doo-wop: een stevige beat, vocale harmonieën, een opvallende baspartij en een zeer herkenbaar refrein.
💿 De singles daarna
Na “Ka-Ding Dong” verschenen onder meer:
“'Cause You're Mine”
“Please Write While I'm Away”
“Symbol of Love”
“Love Her in the Morning”
“Zing Zang Zoo”
“Is This the Way”
“Zing Zang Zoo” en “Is This the Way” verschenen in 1957.
Hoewel ze daarmee niet opnieuw een grote nationale hit scoorden, zijn verschillende van deze platen tegenwoordig interessant voor liefhebbers van rare 50s doo-wop en vocal-group records.
❤️ “I Understand (Just How You Feel)” – 1961
Hun tweede grote succes kwam pas enkele jaren later.
“I Understand (Just How You Feel)” was oorspronkelijk geschreven door Pat Best en was al eerder opgenomen door onder andere The Four Tunes. De G-Clefs maakten er in 1961 hun eigen versie van.
Heel bijzonder is dat de groep de melodie van “Auld Lang Syne” in de arrangementen verwerkte. Dat gaf de plaat een bijna nostalgische, weemoedige sfeer.
Het resultaat werd hun grootste hit:
🇺🇸 #9 Billboard Hot 100
🇬🇧 #17 UK Singles Chart
Voor een doo-wopgroep uit de jaren vijftig was dat een opmerkelijke comeback.
🎶 Hun stijl
The G-Clefs zitten muzikaal mooi tussen verschillende werelden:
gospel → doo-wop → R&B → vroege rock-'n-roll → pop/soul
Ze waren bovendien bekend om hun uitbundige podiumoptredens en choreografie. Hun optredens waren niet alleen vocaal gericht; de groep besteedde veel aandacht aan beweging en presentatie.
Ze traden tijdens hun vroege carrière ook op in belangrijke Afro-Amerikaanse theaters op de zogenaamde Chitlin' Circuit, waaronder de Apollo in New York, de Howard in Washington en de Regal in Chicago.
🇺🇸 Belangrijk voor Boston
De betekenis van The G-Clefs gaat verder dan hun twee hits. Ze hielpen Boston op de Amerikaanse rock-'n-rollkaart te zetten, lang voordat later groepen als Aerosmith, Boston en The Cars uit die stad internationale bekendheid kregen.
Ze waren daarmee een soort voorlopers van de latere Bostonse pop- en rockscene.
🌍 Na de hits
In de jaren zestig bleven The G-Clefs actief. In 1967 namen ze een livealbum op, The G-Clefs on Stage. In 1968 maakten ze hun eerste Europese tournee; in 1970 volgde opnieuw een Europese tournee en traden ze ook voor het eerst in Japan op.
Interessant is dat de groep volgens AllMusic uitzonderlijk lang als groep actief bleef en zelfs na hun oorspronkelijke succes bleef optreden.


The Halos
The Halos waren een interessante Amerikaanse doo-wopgroep uit The Bronx, New York, vooral actief rond 1960–1962. Ze zijn vooral bekend geworden door één opvallende hit, “Nag”, maar hun betekenis voor de doo-wop en vroege popmuziek is groter dan die ene plaat.
🎙️ De groep
De belangrijkste bezetting bestond uit:
Arthur Crier – bas
Harold Johnson – tenor
Al Cleveland – bariton
J.R. Bailey – tenor; later vervangen door Phil Johnson
De groep kwam voort uit de levendige New Yorkse doo-wopscene. Arthur Crier en Harold Johnson hadden al ervaring opgedaan in eerdere vocal groups, waaronder The Mellows.
Een belangrijk aspect van The Halos is dat ze niet alleen als zelfstandige groep actief waren. Ze waren ook veelgevraagde sessiezangers en verzorgden achtergrondzang voor allerlei artiesten.
⭐ “Nag” – hun grote hit
Hun bekendste nummer is:
The Halos – “Nag” (1961)
Het nummer werd geschreven door Arthur Crier en heeft een nogal humoristische, bijna komische stijl. Het is een typisch voorbeeld van de overgang van klassieke doo-wop naar de meer commerciële pop/R&B van het begin van de jaren zestig.
“Nag” bereikte in 1961 nummer 25 in de Billboard Hot 100. Daarmee werd het hun enige grote nationale hit.
Bijzonder is de prominente baspartij van Arthur Crier. Die diepe stem geeft het nummer een heel herkenbaar geluid. Het nummer bevat bovendien komische geluidseffecten die het karakter van de plaat versterken.
💿 Andere nummers
Naast “Nag” namen The Halos onder meer op:
Copy Cat
Come On
What'd I Say
Mean Old World
Village of Love
Your Precious Love
Bird Dog
I Went to a Party
Oh What a Night
Down the Road
In 1962 verscheen ook een album met de titel The Halos op Warwick.
🎚️ The Craftys
Er zit een leuk stukje geschiedenis aan hun discografie.
Voordat ze als The Halos bekend werden, namen ze materiaal op als The Craftys. Hun eerste single was:
“L-O-V-E” / “Heartbreaking World” (1960)
De naam was waarschijnlijk een verwijzing naar producer Morty Craft, die een belangrijke rol speelde bij de groep.
🎧 Hun verborgen betekenis: sessiewerk
Voor liefhebbers van oude pop en doo-wop is dit misschien wel het interessantste deel.
The Halos waren betrokken bij opnamen van onder anderen:
Curtis Lee – “Pretty Little Angel Eyes”
Gene Pitney – “Every Breath I Take”
Barry Mann – “Who Put the Bomp”
Shirley & Lee
Ben E. King
Johnny Nash
Little Eva
Dion
Connie Francis
Brian Hyland
Bij “Pretty Little Angel Eyes” en “Every Breath I Take” werkten ze mee aan producties die verband hielden met Phil Spector.
Dat maakt The Halos typisch voor de New Yorkse doo-wopwereld: als zelfstandige groep hadden ze maar één grote hit, maar als achtergrondzangers waren ze op enorm veel platen te horen.
👤 Arthur Crier
Arthur Crier is een bijzonder figuur in dit verhaal. Hij was niet alleen de diepe basstem van The Halos, maar ook songwriter, producer en arrangeur. Hij schreef “Nag” en bleef later actief achter de schermen in de muziekwereld.
Crier overleed op 22 juli 2004, 69 jaar oud. Zijn muzikale familiegeschiedenis is eveneens interessant: zijn zoon Keith “Sabu” Crier werd lid van de R&B-groep GQ, terwijl zijn kleinzoon later bekend werd als R&B-zanger Keith Sweat.
📻 Waarom The Halos interessant zijn voor jouw doo-wopverzameling
Ik zou The Halos zeker plaatsen in de categorie New Yorkse late doo-wop / early R&B, naast groepen als The Earls, The Dubs, The Five Discs, The Edsels, The Jarmels en The Gladiolas.
Het bijzondere aan The Halos is vooral:
doo-wopgroep → één nationale hit → daarna vooral zeer belangrijke achtergrondzang/sessiewerk.
En “Nag” uit 1961 is absoluut een plaat die thuishoort in een programma met echte Amerikaanse doo-wop en early-60s oldies.
The Harptones
The Harptones
The Harptones behoren tot de mooiste en meest gerespecteerde Amerikaanse doo-wopgroepen uit de jaren 50. Ze kwamen uit Harlem, New York, en werden vooral beroemd onder liefhebbers vanwege hun prachtige meerstemmige zang, de elegante arrangementen en de karakteristieke tenor van Willie Winfield.
Wat bijzonder is: ondanks hun hoge muzikale niveau hadden The Harptones nooit een grote Top 40-hit. Hun platen werden vooral in New York en aan de oostkust populair. Tegenwoordig worden ze juist beschouwd als een van de belangrijke groepen uit de klassieke doo-wopperiode.
🎤 Het begin
De geschiedenis begint rond 1951, toen verschillende jonge zangers uit Harlem actief waren in groepen als The Skylarks en The Harps. In 1953 ontstond uit deze muzikanten de groep die uiteindelijk The Harptones zou worden.
De belangrijkste vroege leden waren:
Willie Winfield – lead tenor
Nicky Clark – tenor
William "Dempsey" James – tenor
William "Dicey" Galloway – bariton
Billy Brown – bas
Raoul J. Cita – pianist, songwriter en arrangeur
Vooral de samenwerking tussen Winfield en Cita werd bepalend voor het unieke geluid van de groep.
⭐ Het Apollo Theatre
Een belangrijk moment kwam in november 1953, toen de groep deelnam aan de beroemde amateuravond van het Apollo Theater in Harlem.
Ze zongen "A Sunday Kind of Love", oorspronkelijk geschreven door Louis Prima. Het publiek reageerde enthousiast en The Harptones wonnen de wedstrijd. Een vertegenwoordiger van MGM Records die in de zaal zat, wilde de groep vervolgens laten auditeren.
Maar het liep anders dan verwacht: bij hun bezoek aan MGM werden ze uiteindelijk niet door MGM vastgelegd. Terwijl ze in de gang stonden te wachten, begonnen ze spontaan te zingen. Mensen van het nabijgelegen Bruce Records hoorden hen en raakten geïnteresseerd. Zo kwamen ze uiteindelijk bij Bruce Records terecht.
🎶 Hun typische geluid
Het geluid van The Harptones is wat mij betreft uitstekend herkenbaar binnen de doo-wop.
Je hoort:
zachte, romantische leadzang;
zeer verfijnde achtergrondharmonieën;
jazzinvloeden;
veel aandacht voor melodie;
vaak een wat melancholische sfeer;
de hoge, warme tenor van Willie Winfield.
Raoul Cita speelde hierin een enorme rol. Hij had niet alleen een muzikale achtergrond, maar schreef en arrangeerde ook materiaal voor de groep. Zijn jazzinvloeden, onder andere vanuit The Four Freshmen, gaven The Harptones een wat verfijnder geluid dan veel andere street-cornergroepen.
💿 De belangrijkste platen
Als je The Harptones wilt leren kennen, zou ik met deze nummers beginnen:
"A Sunday Kind of Love" – 1953
Hun grote doorbraak bij het Apollo en een van hun absolute klassiekers.
"My Memories of You" – 1954
Een prachtige, zeer romantische ballad en typisch voorbeeld van het Harptones-geluid.
"Why Should I Love You?" – 1954
Een mooie combinatie van leadzang en rijke achtergrondharmonieën.
"Life Is But a Dream" – 1955
Misschien wel hun beroemdste opname. Het nummer werd geschreven door Raoul Cita en is een echte doo-wopklassieker geworden.
"The Shrine of St. Cecilia" – 1956
Een andere belangrijke ballad uit hun klassieke periode.
"What Will I Tell My Heart" – 1961
Hun enige nummer dat de nationale Billboard-poplijst wist te bereiken; het kwam slechts tot #96, maar het is historisch gezien wel belangrijk.
🎬 The Harptones in de film
In 1956 waren ze ook te horen in de film Rockin' the Blues, waarvoor ze onder andere "Mambo Boogie", "Ou Wee Baby" en "High Flying Baby" opnamen.
En "Life Is But a Dream" kreeg tientallen jaren later opnieuw bekendheid doordat het werd gebruikt in de film Goodfellas uit 1990.
📻 Waarom zijn ze zo belangrijk voor doo-wop?
The Harptones zijn een mooi voorbeeld van een groep die veel belangrijker werd voor de geschiedenis van doo-wop dan hun hitlijstposities doen vermoeden.
Ze hadden geen grote nationale hit, maar hun combinatie van:
Willie Winfields stem + Raoul Cita's arrangementen + vijfstemmige harmonie + romantische ballads
maakte ze tot een favoriete groep van echte doo-wopliefhebbers. De Vocal Group Hall of Fame nam The Harptones in 2002 op.
Maar The Harptones zijn vooral interessant als je houdt van de romantische, jazzy kant van doo-wop. Waar sommige groepen meer nadruk legden op een harde street-cornerbeat, klinken The Harptones vaak warm, elegant en bijna droomachtig.


Thurston Harris
Thurston Harris – een geweldige stem uit de vroege rock-’n-roll en doowop
Thurston Harris (1931–1990) was een Amerikaanse rhythm-and-blueszanger die vooral bekend werd door de enorme hit “Little Bitty Pretty One” uit 1957. Zijn stijl zit precies op het kruispunt van doo-wop, R&B, jump blues en vroege rock-’n-roll.
🎙️ Zijn beginjaren
Harris werd op 11 juli 1931 geboren in Indianapolis, Indiana. Begin jaren vijftig trok hij naar Los Angeles, waar hij zong met de groep The Lamplighters. Die groep ontwikkelde zich later via The Tenderfoots tot The Sharps.
The Sharps zouden later vooral bekend worden als begeleidingsgroep van Harris, maar uiteindelijk veranderden zij opnieuw van naam: zij werden The Rivingtons, bekend van onder andere “Papa-Oom-Mow-Mow”.
⭐ “Little Bitty Pretty One”
In 1957 kreeg Harris een solocontract bij Aladdin Records in Los Angeles. Zijn grote doorbraak kwam met “Little Bitty Pretty One”, een nummer geschreven door Bobby Day.
Harris werd bij de opname begeleid door zijn vroegere groepsgenoten, The Sharps. Ook de beroemde sessiedrummer Earl Palmer speelde mee.
De plaat werd een enorme hit:
🇺🇸 #6 Billboard Hot 100
🇺🇸 #2 R&B
meer dan een miljoen verkochte exemplaren
een van de herkenbaarste doowop/R&B-platen van 1957.
De combinatie van Harris' vrolijke, bijna ondeugende zang en de “doo-wop”-achtergrondzang maakt de plaat bijzonder aanstekelijk.
De single verscheen op Aladdin bovendien met verschillende kleuren labels — onder andere paars, blauw en maroon — iets wat voor verzamelaars interessant is.
🎵 Andere belangrijke nummers
Hoewel Little Bitty Pretty One verreweg zijn bekendste plaat is, maakte Harris meer uitstekend materiaal.
Aanraders om te beluisteren:
Little Bitty Pretty One – 1957 ⭐⭐⭐⭐⭐
Do What You Did – 1958
Runk Bunk – 1959
I Hope You Won't Hold It Against Me
Over and Over
Do What You Did werd in 1958 opnieuw een succes en bereikte de Top 20 van de R&B-hitlijst. Daarna lukte het Harris niet meer om grote landelijke hits te scoren.
🎸 Een interessante link met The Rivingtons
Voor liefhebbers van doowop is Harris extra interessant vanwege zijn verbinding met The Sharps.
De ontwikkeling liep ongeveer zo:
The Lamplighters → The Tenderfoots → The Sharps → The Rivingtons
The Sharps verzorgden de achtergrondzang bij Harris' grote hit. Later zouden dezelfde muzikanten als The Rivingtons zelf een grote hit krijgen met “Papa-Oom-Mow-Mow”.
📻 Zijn muziek na de jaren vijftig
Harris bleef actief opnemen en verscheen later op verschillende labels, waaronder Cub, Dot, Imperial, Intro, Reprise en United Artists. Hij kon het succes van Little Bitty Pretty One echter niet meer evenaren.
Zijn grootste nummer bleef wel voortleven. Het werd later onder andere opgenomen door Frankie Lymon, The Jackson 5 en The Dave Clark Five. De versie van The Dave Clark Five werd in 1965 zelfs een Britse hit.
⚠️ Een tragisch einde
Harris overleed op 14 april 1990, slechts 58 jaar oud, in Pomona, Californië. Volgens de Los Angeles Times overleed hij in zijn slaap aan een hartaanval. Hij was op dat moment bezig opnieuw aandacht voor zijn muziek te krijgen en had zelfs plannen voor nieuwe optredens.
The Heartbeats
The Heartbeats – een van de mooiste balladgroepen uit de doowop
The Heartbeats waren een Amerikaanse doo-wop- en R&B-groep uit Queens, New York, die vooral beroemd werd door de klassieker “A Thousand Miles Away” uit 1956. De groep behoort tot de belangrijke New Yorkse street-corner-groepen uit de jaren vijftig.
🎤 Het begin
De groep ontstond rond 1952/1953 in Jamaica, Queens, aanvankelijk onder de naam The Hearts. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Albert Crump – eerste tenor
Robbie Tatum – tweede tenor
Vernon Sievers – bariton
Wally Roker – bas
Daar kwam James “Shep” Sheppard bij als leadzanger. Zijn hoge, zachte en zeer emotionele stem zou uiteindelijk het kenmerkende geluid van The Heartbeats worden.
Toen bleek dat er ook een vrouwelijke groep The Hearts bestond, veranderden ze hun naam in The Heartbeats.
⭐ “A Thousand Miles Away”
Hun absolute meesterwerk is “A Thousand Miles Away”, geschreven door James Sheppard en William Miller.
De plaat werd in 1956 opgenomen voor Hull Records en verscheen in september/oktober van dat jaar. Het nummer bereikte nummer 5 op de Amerikaanse R&B-hitlijst en ongeveer nummer 52/53 op de Billboard Hot 100.
Het bijzondere aan de plaat is de combinatie van:
Sheppards emotionele leadzang + zachte achtergrondharmonieën + een langzaam R&B-ritme.
Het nummer gaat over een geliefde die ver weg is. Sheppard schreef het nadat een vroegere vriendin naar Texas was verhuisd.
Het is daardoor een prachtig voorbeeld van de romantische kant van doowop: weinig instrumenten, veel vocale harmonie en vooral veel gevoel.
Andere belangrijke nummers
The Heartbeats hadden naast hun grote hit nog een reeks fraaie singles:
Crazy for You (1955)
Darling How Long
People Are Talking
Your Way
I Won't Be the Fool Anymore
500 Miles to Go
After New Year's Eve
Tormented
One Million Years
Down on My Knees
Veel van deze nummers werden geschreven of mede geschreven door Sheppard.
💿 Verschillende platenlabels
The Heartbeats namen in hun korte carrière op voor verschillende labels, waaronder:
Network → Hull → Rama → Gee → Roulette → Guyden
Dat maakt hun discografie voor doowop-verzamelaars extra interessant: hun platen zijn over verschillende labels verspreid.
🎶 De opvolger: Shep & the Limelites
Na het uiteenvallen van The Heartbeats ging James “Shep” Sheppard verder met Shep & the Limelites.
In 1961 hadden zij een enorme hit met “Daddy's Home”. Dat nummer is eigenlijk een soort vervolg op de sfeer van “A Thousand Miles Away” en bereikte zelfs nummer 2 in de Billboard Hot 100.
Dat maakt de twee nummers bijzonder leuk om achter elkaar te draaien:
The Heartbeats – A Thousand Miles Away (1956)
⬇️
Shep & the Limelites – Daddy's Home (1961)
Je hoort duidelijk dezelfde romantische stijl en de karakteristieke stem van Sheppard.
🕯️ James Sheppard
Sheppard werd geboren op 24 september 1935. Hij overleed op 24 januari 1970, slechts 34 jaar oud, nadat hij bij een poging tot beroving op de Long Island Expressway door schoten was getroffen.
Ook Wally Roker, de bassist en een belangrijk organisator achter de groep, bleef jarenlang actief in de muziekindustrie. Hij werkte later als platenbaas, producer, manager en promotor en speelde een belangrijke rol bij het levend houden van de doowoptraditie. Hij overleed in 2015.
❤️ Waarom The Heartbeats zo belangrijk zijn
Voor liefhebbers van pure jaren-50 doowop zijn The Heartbeats interessant omdat ze precies de overgang laten horen tussen:
street-corner harmony → R&B → vroege rock-'n-roll → soul.
Hun muziek is minder wild dan bijvoorbeeld The Cadillacs, maar juist romantischer en vocaal verfijnder. Vooral “A Thousand Miles Away” is een plaat die eigenlijk in iedere serieuze doowopcollectie thuishoort.
Een leuk detail: “A Thousand Miles Away” kreeg in 1973 opnieuw veel aandacht doordat het nummer werd gebruikt in de film American Graffiti.


The Hollywood Flames
The Hollywood Flames
The Hollywood Flames waren een belangrijke Amerikaanse doo-wop- en R&B-groep uit Los Angeles, vooral actief in de jaren 1950 en vroege jaren 1960. Ze kwamen uit Watts, Los Angeles, en ontstonden al in 1949. Hun bekendste nummer is zonder twijfel “Buzz-Buzz-Buzz” uit 1957.
🎙️ Het begin
De groep ontstond toen een aantal jonge zangers elkaar ontmoette tijdens een talentenjacht in het Largo Theater in Watts. De oorspronkelijke bezetting bestond onder andere uit:
Bobby Byrd – bas/lead; later bekend als Bobby Day
David Ford – tenor
Curley Dinkins – bariton
Willie Ray Rockwell – tweede tenor
De bezetting veranderde daarna regelmatig. Dat was overigens heel gebruikelijk in de zeer actieve doo-wopscene van Los Angeles. De Hollywood Flames waren bijzonder omdat zangers regelmatig tussen verschillende groepen en projecten wisselden.
Hun eerste betaalde optreden was in de Barrelhouse Club van Johnny Otis, een belangrijke plek voor de ontwikkeling van de vroege West Coast R&B. In 1950 maakten ze hun eerste opnamen.
⭐ “Buzz-Buzz-Buzz”
Hun grote doorbraak kwam in 1957 met:
“Buzz-Buzz-Buzz” – The Hollywood Flames
Het nummer werd geschreven door John Gray en Bobby Day, met Earl Nelson als leadzanger. Het werd uitgebracht op het onafhankelijke Ebb Records.
Het resultaat:
🇺🇸 #5 R&B
🇺🇸 #11 Billboard Hot 100
een van de bekendste West Coast-doo-wopplaten van 1957
De plaat heeft een opvallend rock-'n-rollachtige drive, waardoor hij iets steviger klinkt dan veel romantische doo-wopballads uit dezelfde periode.
👤 Bobby Day
Een heel belangrijke naam in het verhaal is Bobby Day, geboren als Robert James Byrd. Hij was een van de oprichters van de groep.
Day ging uiteindelijk een eigen carrière tegemoet. Zijn grootste succes kwam in 1958 met:
“Rockin' Robin”
Dat werd een grote pophit. Interessant is dat Day en Earl Nelson later samen verdergingen als Bob & Earl.
👤 Earl Nelson
Earl Nelson was de leadzanger op “Buzz-Buzz-Buzz”. Hij was afkomstig uit Louisiana, maar groeide vanaf zijn jeugd op in Los Angeles. Later werd hij vooral bekend als de “Earl” van Bob & Earl en als solozanger onder de naam Jackie Lee.
Daarmee zijn de Hollywood Flames dus rechtstreeks verbonden met een aantal belangrijke ontwikkelingen van doo-wop → R&B → rock-'n-roll → soul.
🔄 Een wirwar van namen
Dit maakt de groep voor verzamelaars extra interessant. Dezelfde muzikanten waren namelijk onder verschillende namen actief. Je kunt ze tegenkomen als:
The Flames
The Hollywood Flames
The Hollywood Four Flames
The Turks
The Jets
The Sounds
Bobby Day & the Satellites
Earl Nelson & the Pelicans
Daardoor is de discografie behoorlijk ingewikkeld. Er waren bovendien veel personeelswisselingen.
🎵 Andere interessante platen
Naast “Buzz-Buzz-Buzz” zijn onder meer deze opnamen interessant:
“Tabarin”
“I’ll Hide My Tears”
“Peggy”
“Crazy”
“Strollin’ on the Beach”
“Frankenstein’s Den”
“A Little Bird”
“Chains of Love”
“I’ll Be Seeing You”
“Gee”
“Elizabeth”
“Gee” uit 1961 werd hun tweede belangrijke hit en bereikte #26 op de R&B-hitlijst.
🏆 Hun plaats in de doo-wopgeschiedenis
The Hollywood Flames zijn vooral belangrijk omdat ze deel uitmaakten van de gouden West Coast-doo-wopscene rond Los Angeles. Die scene bracht ook groepen voort als The Penguins, The Flairs en vele andere vocal groups.
The Impalas
The Impalas – een bijzondere doo-wopgroep uit Brooklyn
The Impalas waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Brooklyn, New York, die vooral bekend werd door de enorme hit “Sorry (I Ran All the Way Home)” uit 1959. De groep bestond maar enkele jaren, maar die ene plaat maakte hen tot een vaste naam in de geschiedenis van de doo-wop.
🎤 De bezetting
De klassieke Impalas waren:
Joe “Speedo” Frazier – leadzang
Tony Carlucci – eerste tenor
Lenny Renda – tweede tenor
Richard Wagner – bariton
De groep was opvallend omdat het een raciaal geïntegreerd kwartet was: Frazier was de enige zwarte zanger. De andere drie waren blank.
De jongens begonnen als tieners met zingen op straat en in de achterkamer van een snoepwinkel in de wijk Canarsie. Joe Frazier raakte bij hen betrokken en werd uiteindelijk de leadzanger. De naam Impalas was geïnspireerd door de populaire Chevrolet Impala.
⭐ Hun grote hit: “Sorry (I Ran All the Way Home)”
In 1959 kwam hun door Artie Zwirn en Harry/Gino Giosasi geschreven nummer uit op het Cub-label, een dochtermaatschappij van MGM Records.
Het werd een gigantische hit:
Hitlijst Positie
🇺🇸 Billboard Pop #2
🇺🇸 Billboard R&B #14
🇬🇧 UK Singles Chart #28
De plaat stond bovendien op #24 van Billboard's jaarlijst van 1959.
Het nummer is typisch voor de overgangsperiode tussen klassieke street-corner doo-wop en de meer commercieel geproduceerde rock-'n-roll/pop van het einde van de jaren vijftig. De stemmen van de groep worden aangevuld met een orkestrale begeleiding onder leiding van LeRoy Holmes.
Een leuk detail: het onverwachte “Uh-oh!” van Joe Frazier aan het begin van de opname ontstond doordat hij een cue miste. Het werd uiteindelijk gewoon op de definitieve opname gelaten.
🎶 Andere nummers
Na het succes van Sorry verschenen onder andere:
Oh, What a Fool
Fool, Fool, Fool
Sandy Went Away
Chum
Peggy Darling
Cupid
All But the Memory of You
(You Want) Too Much Too Soon
Vooral “Oh, What a Fool” is interessant: het was de opvolger van hun grote hit, maar kon het enorme succes van Sorry niet evenaren.
💿 Het album
In 1959 verscheen hun LP Sorry (I Ran All the Way Home) op Cub. Daarop stonden zowel ballads als wat steviger rockende nummers. De ballads laten volgens recensies vooral goed horen hoe sterk de vierstemmige harmonieën van de groep waren.
🕺 Een korte carrière
Het succes duurde helaas niet lang. De Impalas gingen rond 1961 uit elkaar. Joe “Speedo” Frazier bleef actief in de muziek en nam later ook solowerk op. In de jaren tachtig werd de naam The Impalas opnieuw gebruikt voor een toerende versie van de groep.
🎧 Waarom zijn The Impalas interessant voor doo-wop-liefhebbers?
Vooral vanwege de combinatie van:
street-corner harmonies + romantische tienerballads + vroege rock-'n-roll + een zeer herkenbare leadzanger.
Als je bezig bent met de echte Amerikaanse doo-wop van 1955–1960, horen The Impalas absoluut in hetzelfde rijtje thuis als bijvoorbeeld The Five Satins, The Flamingos, The Harptones, The Cadillacs, The Capris en The Belmonts.


The Impressions
The Impressions zijn een van de belangrijkste Amerikaanse vocale groepen uit de overgang van doo-wop en gospel naar Chicago soul. Voor jouw interesse in doo-wop zijn ze bijzonder interessant, omdat je bij hen heel duidelijk kunt horen hoe het typische jaren-50-groepsgeluid langzaam verandert in de soul van de jaren 60.
🎤 Het begin: The Roosters
De geschiedenis begint in Chicago in 1957, toen de groep nog The Roosters heette. Tot de oorspronkelijke leden behoorden Sam Gooden en de broers Richard en Arthur Brooks. Jerry Butler en de jonge Curtis Mayfield sloten zich bij hen aan.
Ze waren sterk beïnvloed door gospel, maar zongen ook het populaire doo-wop en R&B van die tijd. Dat mengsel zou uiteindelijk het kenmerkende geluid van The Impressions worden.
In 1958 kregen ze een contract bij Vee-Jay Records en werd de naam veranderd in Jerry Butler & the Impressions.
⭐ For Your Precious Love – 1958
Hun grote doorbraak kwam met:
"For Your Precious Love" – 1958
Jerry Butler zong de lead. Het nummer werd een enorme hit:
#3 R&B
#11 Billboard Pop
ongeveer 900.000 exemplaren verkocht.
Dit is een heel belangrijk nummer in de ontwikkeling van soul. Het heeft nog duidelijk de vocale harmonie van de jaren 50, maar de manier waarop Butler het nummer zingt is sterk gospelachtig en emotioneel.
De B-kant, "Sweet Was the Wine", is trouwens interessant voor echte doo-wopverzamelaars: dat nummer ligt veel dichter bij de traditionele vocal-group sound.
🎸 Jerry Butler vertrekt
Jerry Butler besloot al in 1958 een solocarrière te beginnen. Dat bleek achteraf een belangrijke gebeurtenis.
De nieuwe centrale figuur werd Curtis Mayfield.
Mayfield was niet alleen zanger, maar ook:
gitarist
songwriter
arrangeur
producer
belangrijkste creatieve kracht achter de groep.
Fred Cash kwam bij de groep en samen met Sam Gooden vormde hij later de vaste vocale basis van The Impressions.
🌹 De grote doorbraak van Curtis Mayfield
In 1961 kwam "Gypsy Woman" uit.
Dat was een enorm belangrijke plaat voor The Impressions. Het nummer had nog steeds prachtige vocale harmonieën, maar het geluid was inmiddels veel meer Chicago soul geworden.
Mayfield ontwikkelde een herkenbare stijl:
lichte gitaar + zachte drums + gospelharmonieën + falsetto + blazers + sterke melodieën.
Dat werd later een van de fundamenten van de Chicago soul.
💃 It's All Right – 1963
Een van hun grootste klassiekers is:
"It's All Right"
Dit nummer uit 1963 werd hun grootste hit en bereikte:
#1 R&B
#4 Billboard Hot 100.
Het bijzondere is dat het nummer ontzettend vrolijk en ontspannen klinkt. De combinatie van de gitaar, handclaps, bas en de prachtige groepszang maakt het bijna onweerstaanbaar.
Voor iemand die van oude vocal groups houdt, is dit een mooie plaat om de ontwikkeling van doo-wop naar soul te volgen.
✊ People Get Ready – 1965
Dan komen we bij misschien wel hun belangrijkste plaat:
"People Get Ready"
Uitgebracht in 1965 en geschreven door Curtis Mayfield.
Het nummer is sterk beïnvloed door gospel en gaat over hoop, geloof en bevrijding. Het werd daardoor ook belangrijk binnen de Amerikaanse Civil Rights Movement.
Het nummer bereikte:
#3 R&B
#14 Pop
Het werd later talloze keren gecoverd en groeide uit tot een soulklassieker.
De rustige manier waarop Mayfield zingt is kenmerkend: geen agressieve soul, maar juist zachte, bijna predikende zang.
🏆 We're a Winner – 1968
Aan het einde van de jaren 60 werd Curtis Mayfield steeds duidelijker maatschappelijk betrokken.
Een belangrijk voorbeeld:
"We're a Winner" – 1968
Dit was een uitgesproken nummer over Black pride en zelfbewustzijn. Het paste bij de veranderende politieke en maatschappelijke situatie in Amerika.
Daarna kwamen nummers als:
This Is My Country
Choice of Colors
Check Out Your Mind
Mighty Mighty (Spade & Whitey)
Hiermee gingen The Impressions veel verder dan de romantische liedjes waarmee ze waren begonnen.
💿 Belangrijke albums
Als je hun ontwikkeling wilt volgen, zou ik vooral deze albums beluisteren:
Jaar Album Waarom interessant
1963 The Impressions vroege Chicago soul
1964 Keep on Pushing grote stap vooruit
1965 People Get Ready gospel & soul
1966 Ridin' High typische mid-60s Impressions
1968 We're a Winner Black pride & soul
1968 This Is My Country maatschappelijker geluid
1969 The Young Mods' Forgotten Story zeer sterke late-Mayfield-periode
1970 Check Out Your Mind! laatste album met Mayfield
Keep on Pushing bereikte bijvoorbeeld #4 op de R&B-albumlijst, terwijl People Get Ready zelfs #1 R&B werd.
👥 Curtis Mayfield vertrekt
In 1970 verliet Curtis Mayfield The Impressions om zich volledig op zijn solocarrière te richten. De groep ging echter door. Leroy Hutson werd zijn opvolger.
De groep had ook na Mayfield nog successen, onder andere met:
"Finally Got Myself Together (I'm a Changed Man)" – 1974
en
"Same Thing It Took" – 1975.
Maar voor veel liefhebbers ligt de absolute creatieve top bij de periode 1961–1970, toen Curtis Mayfield de belangrijkste kracht achter de groep was.
🎶 Waarom The Impressions zo belangrijk zijn
The Impressions vormen eigenlijk een brug tussen drie tijdperken:
Doo-wop → Chicago soul → sociaal bewuste soul
En dat maakt ze juist voor een doo-wopliefhebber interessant.
Je hoort in hun vroege werk nog duidelijk de street-corner harmonies van groepen als The Flamingos, The Five Keys en The Moonglows. Daarna wordt het steeds meer soul.
Hun invloed is enorm geweest. Curtis Mayfield werd bovendien een van de belangrijkste Amerikaanse soul-songwriters en producers van de jaren 60 en 70.
The Impressions werden in 1991 opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame; de groep werd daarnaast in 2003 opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame.
The Ink Spots
The Ink Spots zijn voor de geschiedenis van de doo-wop ontzettend belangrijk. Ze waren eigenlijk al actief ruim vóór de doo-wop-explosie van de jaren 50 en worden daarom vaak gezien als een van de belangrijkste voorlopers van het genre.
🎙️ The Ink Spots
The Ink Spots ontstonden in de jaren 30 in Indianapolis, Indiana. De oorspronkelijke groep bestond uit Jerry Daniels, Ivory “Deek” Watson, Charlie Fuqua en Orville “Hoppy” Jones. De groep werkte aanvankelijk onder verschillende namen voordat ze uiteindelijk The Ink Spots werden.
De grote verandering kwam in 1936, toen Bill Kenny zich bij de groep voegde als leadzanger. Zijn hoge, zwevende tenorstem zou uiteindelijk hét kenmerkende geluid van The Ink Spots worden.
🎵 Het typische Ink Spots-geluid
Hun stijl was heel bijzonder:
een hoge tenor van Bill Kenny;
daaronder de warme close-harmony van de andere zangers;
een zeer diepe baspartij van Hoppy Jones;
regelmatig een gesproken basregel;
rustige gitaarbegeleiding;
veel aandacht voor romantische ballads.
Vooral de combinatie van de hoge tenor en de diepe, bijna gesproken bas werd later enorm belangrijk voor de ontwikkeling van de doo-wop.
Je kunt het geluid van The Ink Spots daardoor zien als een soort brug tussen de zwarte vocale kwartetten uit de jaren 30/40 en de doo-wopgroepen van de jaren 50.
⭐ If I Didn't Care – 1939
Hun absolute doorbraak was “If I Didn't Care”, opgenomen voor Decca in 1939 met Bill Kenny als leadzanger.
Het nummer werd een enorm succes en verkocht volgens verschillende bronnen meer dan 19 miljoen exemplaren. Het werd daarmee een van de succesvolste singles uit de vroege geschiedenis van de popmuziek.
Dit nummer is voor iemand die de geschiedenis van doo-wop onderzoekt eigenlijk verplichte luisterstof.
🔥 Grote hits
The Ink Spots hadden gedurende hun carrière tientallen hits. Een aantal belangrijke titels:
If I Didn't Care – 1939
Address Unknown – 1939
My Prayer – 1939
Maybe – 1940
We Three (My Echo, My Shadow and Me) – 1940
Java Jive – 1940
I Don't Want to Set the World on Fire – 1941
The Gypsy – 1946
To Each His Own – 1946
Whispering Grass (Don't Tell the Trees)
Into Each Life Some Rain Must Fall
I'm Making Believe
Veel van deze nummers kwamen hoog in de Amerikaanse hitlijsten terecht.
🔥 I Don't Want to Set the World on Fire
Een andere klassieker is “I Don't Want to Set the World on Fire”, opgenomen door The Ink Spots in 1941. Het nummer was oorspronkelijk in 1938 geschreven en de Ink Spots maakten er een van hun bekendste uitvoeringen van.
Het nummer is later opnieuw enorm bekend geworden door onder andere het gebruik in Fallout: New Vegas.
🎤 Samenwerking met Ella Fitzgerald
The Ink Spots werkten ook samen met Ella Fitzgerald. Daaruit kwamen onder andere:
“I'm Making Believe”
en
“Into Each Life Some Rain Must Fall”
Beide nummers werden grote successen in 1944.
Dit is interessant voor je radioprogrammering, omdat je hiermee mooi de verbinding kunt maken tussen vocal harmony, jazz, pop en de latere doo-wop.
🕺 Waarom zijn The Ink Spots zo belangrijk voor doo-wop?
Hoewel je The Ink Spots strikt genomen geen doo-wopgroep uit de jaren 50 kunt noemen, hebben ze de stijl wel sterk beïnvloed.
Hun formule bevatte al veel elementen die later bij groepen als The Ravens, The Orioles, The Dominoes, The Clovers en The Drifters terugkwamen:
hoge leadzanger + close harmony + diepe bas + eenvoudige begeleiding + romantische teksten.
The Ink Spots vormden daarmee een belangrijke blauwdruk voor de zwarte vocal groups van de jaren 40 en 50.
Een mooi voorbeeld is Clyde McPhatter, die later bij The Dominoes en The Drifters zong. Hij gaf aan dat zijn groepen zich op The Ink Spots hadden gebaseerd.
👥 De belangrijkste bezetting
Voor jouw doo-wop-onderzoek zijn vooral deze namen belangrijk:
Bill Kenny – lead tenor
Deek Watson – tenor
Charlie Fuqua – bariton
Hoppy Jones – bas
Jerry Daniels – oorspronkelijke tenor
Hoppy Jones overleed in 1944, waarna de bezetting verschillende keren veranderde. Bill Kenny bleef uiteindelijk de bepalende stem en leider van de groep.
📻 Het einde van de oorspronkelijke groep
The Ink Spots bleven actief tot 1954. Daarna ontstond een ingewikkelde situatie waarbij verschillende voormalige leden groepen onder de naam Ink Spots gingen leiden. Uiteindelijk hebben tientallen groepen zich in de daaropvolgende decennia The Ink Spots genoemd. Daardoor is het bij platen en cd's belangrijk om goed te kijken welke Ink Spots-bezetting je daadwerkelijk hoort.
De oorspronkelijke groep werd in 1989 opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame als een belangrijke vroege invloed.


The Innocents
The Innocents waren een Amerikaans vocaal trio uit Sun Valley, Californië, afkomstig uit de San Fernando Valley bij Los Angeles. Ze waren vooral actief van 1958 tot 1964 en maakten een soepel soort vocale popmuziek met duidelijke invloeden uit de doo-woptraditie.
De drie leden
De bekendste bezetting bestond uit:
Jim (James) West – leadzang / eerste tenor
Darron Stankey – tweede tenor en gitaar
Al Candelaria – bas/bariton
De drie kenden elkaar uit hun jeugd en waren bovendien lid van dezelfde plaatselijke autoclub, die toevallig ook The Innocents heette. Daar kwam uiteindelijk hun groepsnaam vandaan.
Eerst waren ze The Echoes
Het verhaal begint eigenlijk met The Echoes. De groep werd in 1958 gevormd en kwam onder de aandacht van de jonge producer Herb Alpert, die toen nog aan het begin van zijn carrière stond.
Onder de naam The Echoes namen ze materiaal op voor Andex Records. Later werd de groep opnieuw samengesteld en gingen ze verder als The Innocents.
Hun eerste grote succes: Honest I Do
In 1960 kwam hun single "Honest I Do" uit op Indigo Records. Dat werd hun eerste grote hit en bereikte nummer 28 in de Amerikaanse Billboard Hot 100.
Later dat jaar volgde "Gee Whiz", opnieuw goed voor nummer 28 in de Billboard Hot 100; het nummer deed het zelfs nog beter op de R&B-lijst, waar het nummer 11 bereikte.
Andere interessante singles waren onder meer:
Tick Tock – 1960
Honest I Do – 1960
Gee Whiz – 1960
Kathy – 1961
Beware – 1961
Donna – 1961
Pains in My Heart – 1961
Time – 1962
Oh How I Miss My Baby – 1962/63
Come On Lover – 1963
Kathy Young & The Innocents
Voor jouw doo-wopprogramma is vooral hun samenwerking met Kathy Young interessant.
Kathy Young was pas 15 jaar toen ze samen met The Innocents "A Thousand Stars" opnam. De plaat verscheen in 1960 en werd een enorme hit: nummer 3 op de Amerikaanse poplijst en nummer 6 op de R&B-lijst.
Een interessant detail: "A Thousand Stars" was oorspronkelijk een nummer van The Rivileers, een zwarte vocale groep uit New York. Omdat The Innocents deze doo-wopklassieker met Kathy Young opnieuw opnamen, worden The Innocents vaak simpelweg als een doo-wopgroep beschouwd.
Strikt genomen waren ze echter meer een West Coast pop-vocal group met doo-wopinvloeden dan een typische doo-wopgroep. Hun stijl was vrij glad en gepolijst, terwijl veel klassieke doo-wopgroepen sterker uit de R&B- en straatcultuur van New York, Philadelphia, Chicago en andere Amerikaanse steden voortkwamen.
Album: Innocently Yours
In 1961 verscheen hun album Innocently Yours op Indigo Records. Daarop staan onder andere:
Honest I Do – Chiquita – Walking Along – Once In A While – Please Mr. Sun – Girl Of My Dreams – Gee Whiz – Hog For You – It Was A Tear – Donna – My Baby Hully Gullys – I Believe In You.
Daarmee is het album interessant voor liefhebbers van de overgang van jaren-50 doo-wop naar vroege jaren-60 pop.
Wat gebeurde er daarna?
Na hun successen voor Indigo bleef het trio singles opnemen, onder andere voor Reprise en Decca, maar de grote hits bleven uit. Uiteindelijk gingen The Innocents in 1964 uit elkaar. Jim West werkte daarna als soloartiest, terwijl Al Candelaria als sessiemuzikant actief werd. In de jaren negentig kwam de groep nog eenmaal bij elkaar voor reünieoptredens.
The Isley Brothers
The Isley Brothers zijn vooral bekend als soul-, funk- en R&B-groep, maar hun oorsprong ligt heel duidelijk in gospel en doo-wop. Voor jouw doo-wop-overzicht zijn ze daarom een interessante groep, vooral vanwege hun vroege opnamen uit 1957–1960.
🎙️ Beginjaren
De broers O'Kelly Isley Jr., Rudolph Isley en Ronald Isley kwamen uit Cincinnati, Ohio. Ze begonnen oorspronkelijk met gospelmuziek. Hun jongere broer Vernon maakte aanvankelijk ook deel uit van de groep, maar overleed in 1955 bij een verkeersongeluk. Daarna gingen de drie overgebleven broers verder als trio.
In 1957 verhuisden ze naar New York om een professionele carrière te beginnen. Daar namen ze verschillende vroege platen op die sterk beïnvloed waren door de doo-wop van die tijd.
🎵 De vroege doo-wopplaten
Een van hun eerste belangrijke opnamen was:
“The Angels Cried” – een mooie, tenor-gedragen doo-wopballad.
“Don't Be Jealous” – opnieuw een rustige vocal-groupballad.
“The Cow Jumped Over the Moon” – een veel luchtiger voorbeeld uit hun vroege periode.
“The Angels Cried” werd uitgebracht op het kleine Teenage Records en laat goed horen dat de jonge Isleys aanvankelijk veel dichter bij de traditionele vocal-groupstijl stonden dan bij de latere funk waarvoor ze beroemd zouden worden.
🔥 1959: Shout!
Toen kwam de grote doorbraak.
Tijdens optredens zongen de broers onder andere Jackie Wilsons “Lonely Teardrops”. Ronald Isley begon daarbij spontaan een soort vraag-en-antwoordmoment met het publiek: “You know you make me want to shout!” Het publiek reageerde daar enorm enthousiast op.
Dat idee werd vervolgens uitgewerkt tot:
The Isley Brothers – “Shout, Parts 1 & 2” (1959)
De plaat is eigenlijk een geweldige overgang tussen gospel, doo-wop, R&B en vroege rock-'n-roll. Je hoort de meerstemmige achtergrondzang van de vocal-grouptraditie, maar tegelijkertijd een enorme gospelenergie en een veel agressievere manier van zingen.
De single werd opgenomen op 29 juli 1959 in de RCA Victor-studio's in New York en verscheen op RCA Victor. Hij bereikte nummer 47 van de Billboard Hot 100.
🎤 Waarom is “Shout” zo belangrijk voor doo-wop?
“Shout” is niet meer echt klassieke doo-wop zoals bijvoorbeeld The Five Satins, The Flamingos of The Harptones. Maar de plaat komt rechtstreeks voort uit die wereld.
Je hoort:
doo-wop harmonieën → gospel → rhythm & blues → rock-'n-roll
Dat maakt The Isley Brothers bijzonder interessant in de overgang van de jaren 50 naar de jaren 60.
💿 Daarna: “Twist and Shout”
In 1962 hadden ze opnieuw een grote hit met “Twist and Shout”. Die versie bereikte nummer 17 in de Amerikaanse Billboard Hot 100 en nummer 2 op de R&B-hitlijst. Een jaar later maakten The Beatles het nummer opnieuw wereldberoemd met hun versie.
Daarmee begonnen The Isley Brothers zich steeds verder van de traditionele doo-wop te ontwikkelen.
🎸 Van doo-wop naar soul en funk
De ontwikkeling daarna is eigenlijk een verhaal op zichzelf. In de jaren 60 gingen ze richting soul en R&B, onder andere bij Motown. Later kwamen de jongere broers Ernie en Marvin Isley en zwager Chris Jasper erbij. Vanaf de jaren 70 ontwikkelden ze hun karakteristieke funk- en soulgeluid.
Daaruit kwamen klassiekers als “It's Your Thing”, “That Lady”, “For the Love of You” en “Fight the Power” voort.


Jackie & the Starlites
Jackie & the Starlites waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit New York, vooral actief van ongeveer 1960 tot 1963. Ze horen bij de laatste lichting klassieke New Yorkse vocal groups uit het doo-woptijdperk.
🎙️ Jackie LaRue
De centrale figuur was Jackie LaRue, die later ook als Jackie Rue werd aangeduid. Hij had al ervaring opgedaan bij The Five Wings, waarmee hij in 1955 voor King Records opnam. Daarna was hij enige tijd uit beeld voordat hij in 1960 met de Starlites terugkeerde.
De groep bestond onder meer uit:
Jackie LaRue/Rue – leadzang
Alton Thomas – tenor
John Felix – bariton
Billy Montgomery – bas
Darryl York wordt in sommige bronnen eveneens als groepslid genoemd.
⭐ Hun bekendste plaat: Valerie
Hun absolute klassieker is “Valerie”, in sommige bronnen gespeld als “Valarie”. De plaat verscheen in 1960 op Fury Records, het label van producer Bobby Robinson.
Wat deze plaat zo bijzonder maakt, is Jackie Rue's enorm dramatische manier van zingen. Tijdens het nummer lijkt hij letterlijk in tranen uit te barsten vanwege een verloren liefde. Dat theatrale, emotionele zingen gaf Valerie een heel eigen karakter. AllMusic noemt het nummer een voorbeeld van doo-wop dat aan het einde van het klassieke tijdperk verscheen, maar later juist als een soort doo-wop-standaard werd omarmd.
🎵 Andere mooie opnamen
Naast Valerie zijn vooral deze nummers interessant voor een doo-wop-uitzending:
“Way Up in the Sky”
“Ain't Cha Ever Coming Home”
“I'm Coming Home”
“I Found Out Too Late”
“You Put One Over on Me”
“They Laughed at Me”
“For All We Know”
“Silver Lining”
“Walking from School”
“I'll Burn Your Letters”
“I'm Coming Home” is vooral de moeite waard als je van wat ruigere doo-wop houdt: Jackie Rue zingt daar veel rauwer en krachtiger dan op de meer sentimentele ballads.
📻 I Found Out Too Late
In 1961 brachten ze I Found Out Too Late uit. Dit werd hun belangrijkste tweede hit en bereikte volgens de beschikbare discografische bronnen de R&B-hitlijst, waarmee het nummer zelfs beter scoorde dan Valerie.
Daarna namen de Starlites materiaal op voor onder andere Mascot Records en Hull Records. Hun latere werk schoof wat meer richting vroege soul en R&B, terwijl de klassieke doo-wopperiode langzaam ten einde liep.
🎸 Een bijzondere link met Frank Zappa
Een leuk verhaal voor je radioprogramma: Frank Zappa was een bewonderaar van Valarie. Hij nam het nummer op voor zijn album Burnt Weeny Sandwich uit 1969. Daarmee kreeg een relatief obscure doo-wopplaat van Jackie & the Starlites een tweede leven bij een heel ander publiek.
The Jarmels
The Jarmels – doo-wop uit Richmond
The Jarmels waren een Amerikaanse doo-wop- en rhythm-and-bluesgroep uit Richmond, Virginia. Ze werden in 1959 gevormd en zijn vooral bekend geworden door één grote hit: “A Little Bit of Soap” uit 1961.
🎤 Het begin
De groep ontstond aanvankelijk onder de naam The Cherokees. De leden leerden elkaar kennen op school en in de kerk, waar ze al veel met vocale harmonie bezig waren. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Nathaniel Ruff
Paul Burnett
Ray Smith
Earl Christian
Tom Eldridge
De naam Jarmels werd later gekozen, geïnspireerd door een straat in Harlem.
Een belangrijke ontmoeting vond plaats in 1960, toen de groep Ben E. King ontmoette. King hielp hen contacten te leggen in New York, waarna ze uiteindelijk bij Laurie Records terechtkwamen.
⭐ A Little Bit of Soap
Hun grote moment kwam in 1961 met “A Little Bit of Soap”. Het nummer werd geschreven door Bert Berns, die later een belangrijke figuur zou worden in de rhythm-and-blues- en soulwereld.
De single verscheen bij Laurie Records in juli 1961. Het nummer bereikte:
🇺🇸 #12 in de Amerikaanse Billboard Hot 100
#7 op de Amerikaanse R&B-lijst
Daarmee was het een flinke nationale hit.
Het bijzondere aan de opname is dat je duidelijk de overgang hoort van klassieke doo-wop naar vroege soul en R&B. De harmonieën zijn typisch doo-wop, maar de leadzang en het ritme zijn veel energieker en bluesier. AllMusic omschrijft de opname als een combinatie van doo-wop, vroege R&B en soul, met een opvallende Latin-achtige ritmiek.
💿 Andere singles
Voor en na hun hit verschenen verschillende singles:
Little Lonely One – 1961
A Little Bit of Soap – 1961
I'll Follow You – 1961
She Loves to Dance – 1961
Red Sails in the Sunset – 1962
Little Bug – 1962
Come On, Girl – 1963
Geen van deze platen wist het succes van “A Little Bit of Soap” te evenaren.
Interessant voor Nederlandse verzamelaars: “Little Lonely One / She Loves to Dance” en “A Little Bit of Soap / The Way You Look Tonight” verschenen ook op de Nederlandse markt via Artone.
🎶 Invloed van The Drifters
De Jarmels waren geen pure, ouderwetse straat-doowopgroep. Hun stijl werd sterk beïnvloed door de modernere The Drifters uit de periode na 1958. Daardoor klinkt hun muziek als een mooie overgang tussen de klassieke vocal groups van de jaren 50 en de soulmuziek die in de jaren 60 zou doorbreken.
👥 Bezettingswisselingen
Na het succes van “A Little Bit of Soap” kreeg de groep te maken met verschillende personeelswisselingen. Een opvallende latere toevoeging was Major Harris, die later bekend zou worden als lid van The Delfonics.
De groep bleef nog enkele jaren optreden en opnemen en hield uiteindelijk rond 1969 op te bestaan.
En het mooie is: The Jarmels zijn een typisch voorbeeld van een groep die met één plaat onsterfelijk werd in de geschiedenis van de doo-wop.


Jay and the Americans
Jay & the Americans – doo-wop en pop uit New York
Jay & the Americans waren een Amerikaanse vocale groep uit Queens, New York, die eind jaren vijftig ontstond. Ze begonnen duidelijk vanuit de doo-woptraditie, maar ontwikkelden zich in de jaren zestig tot een zeer succesvolle combinatie van doo-wop, rock-'n-roll, Brill Building-pop en dramatische popballads.
Het begin: The Harborlites
De groep ontstond rond 1959 onder de naam The Harborlites. Tot de oorspronkelijke zangers behoorden onder anderen Kenny Vance, Sandy Deanne en Howie Kane. Later kwamen Jay Traynor en gitarist Marty Sanders bij de groep.
De grote doorbraak kwam toen ze auditie deden voor het beroemde producers- en schrijversduo Jerry Leiber en Mike Stoller. Zij zagen mogelijkheden in de harmonieuze zangstijl van de groep en hielpen mee aan hun verdere ontwikkeling.
Een leuk detail: geen van de oorspronkelijke leden heette Jay. De naam Jay kwam doordat zanger John "Jay" Traynor de leadzanger werd.
🎙️ Jay Traynor en "She Cried"
De eerste grote hit kwam in 1962 met:
"She Cried"
Het nummer bereikte in Amerika de 5e plaats van de Billboard Hot 100. Het is een prachtig voorbeeld van de overgang van klassieke doo-wop naar de meer gepolijste vocale pop van de vroege jaren zestig.
Maar Jay Traynor bleef niet lang bij de groep. Hij vertrok en werd vervangen door David Blatt, die zijn artiestennaam veranderde in Jay Black.
⭐ Jay Black
Jay Black werd vervolgens de bekendste leadzanger van Jay & the Americans. Zijn stem was veel dramatischer en krachtiger dan de typische zachte doo-woplead.
Met Jay Black ontstond de herkenbare sound van de groep:
sterke leadzang
hoge harmonieën
diepe baritonpartijen
duidelijke doo-wopachtergronden
orkestrale arrangementen
dramatische popballads
Daarmee werden ze één van de groepen die de vocale traditie van de jaren vijftig levend hielden in de jaren zestig.
"Come a Little Bit Closer" werd in 1964 hun grootste Amerikaanse hit en bereikte nummer 3 in de Billboard Hot 100. Het nummer werd geschreven door Tommy Boyce, Bobby Hart en Wes Farrell en combineerde hun vocale stijl met een Latijns-Amerikaans ritme.
🇮🇹 "Cara Mia"
Voor Nederlandse luisteraars is "Cara Mia" misschien wel het interessantste verhaal.
Het nummer was oorspronkelijk een compositie uit de jaren vijftig en paste eigenlijk helemaal niet vanzelfsprekend bij Jay & the Americans. Nadat ze het nummer op televisie hadden gezongen, kregen ze zoveel verzoeken van kijkers dat het uiteindelijk als single werd uitgebracht.
In 1980 werd "Cara Mia" in Nederland opnieuw uitgebracht en werd het zelfs een nummer 1-hit. De hernieuwde populariteit kwam mede door de aandacht van dj Frits Spits in Avondspits.
Waarom zijn ze interessant voor doo-wop?
Jay & the Americans zijn eigenlijk een mooi voorbeeld van de evolutie van doo-wop:
1950s doo-wop → vroege jaren-60 vocal groups → Brill Building pop → volwassen pop
Ze hadden nog steeds de typische groepsharmonieën van doo-wop, maar de muziek werd professioneler geproduceerd en kreeg grotere orkesten, dramatische arrangementen en commerciële popstructuren. AllMusic beschrijft hen dan ook als een groep die de doo-woptraditie van de jaren vijftig vernieuwde voor het veranderende poplandschap van de jaren zestig.
De groep na 1970
Jay & the Americans gingen in 1973 uit elkaar. Jay Black bleef vervolgens optreden onder de naam Jay & the Americans. Later ontstonden verschillende versies van de groep.
De naam kwam uiteindelijk weer in handen van oorspronkelijke leden, waaronder Sandy Deanne, en Jay & the Americans bleven in verschillende samenstellingen optreden. De groep bestaat ook tegenwoordig nog als optredende formatie.
Kort gezegd: Jay & the Americans zijn voor de geschiedenis van de doo-wop belangrijk omdat ze laten zien hoe de klassieke vocale groepssound uit de jaren vijftig succesvol werd meegenomen naar de commerciële popmuziek van de jaren zestig.
The Jesters
🎙️ Het ontstaan
The Jesters kwamen uit Harlem, New York. De jongens waren leerlingen van Cooper Junior High School en begonnen met zingen op straat, onder andere onder een verhoogde metrolijn rond 120th Street. Vanuit dat typische straat-hoekje groeiden ze door naar optredens tijdens amateuravonden in het beroemde Apollo Theater.
Ze wonnen daar meerdere keren de eerste prijs. Dat trok de aandacht van Paul Winley, eigenaar van Winley Records, die de groep vervolgens een platencontract gaf.
👥 De oorspronkelijke bezetting
De klassieke bezetting bestond uit:
Lenny McKay – lead tenor
Adam Jackson – tenor/falsetto
Jimmy Smith – tweede tenor
Leo Vincent – bariton
Noel Grant – bas
Vooral Adam Jackson was bijzonder vanwege zijn zeer hoge falsetstem. De leadpartijen werden vaak verdeeld tussen Jackson en McKay.
🎵 Hun bekendste nummers
Hun eerste single verscheen in 1957:
“So Strange” / “Love No One But You”
“So Strange” is waarschijnlijk het nummer waarmee je The Jesters het beste kunt herkennen. Het is een typisch langzaam New Yorks DooWop-nummer, met een zwevende falset en een donkere, bijna dromerige sfeer. De single verscheen op Winley 218 in juni 1957.
Daarna volgden onder andere:
“Please Let Me Love You” – 1957
“I'm Falling in Love” – 1957
“The Plea” – 1958
“Oh Baby” – 1958
“Now That You're Gone” – 1958
“I Laughed” – 1958
“The Wind” – 1960
“Sally Green” – 1960
Opvallend is dat ook hun B-kanten vaak erg sterk waren. “I'm Falling in Love” had bijvoorbeeld een Latijns getinte ritmische aanpak, terwijl “Oh Baby” juist een veel steviger jumpnummer was.
⭐ “The Plea”
Een belangrijk nummer in hun repertoire is “The Plea”, oorspronkelijk bekend van The Chantels. De versie van The Jesters verscheen in 1958 en bereikte zelfs nummer 74 op de Amerikaanse poplijst.
🌬️ “The Wind”
Ook interessant voor verzamelaars is hun versie van “The Wind”, oorspronkelijk een nummer van The Diablos uit 1954.
The Jesters namen het nummer opnieuw op met Adam Jackson als belangrijke leadzanger. Deze versie verscheen in 1960 en haalde nummer 110 op de Billboard-hitlijst.
🎚️ Dave “Baby” Cortez
Bij de vroege opnamen speelde arrangeur David Clowney, later bekend als Dave “Baby” Cortez, een belangrijke rol. Hij arrangeerde de eerste singles van The Jesters. Later zou Cortez zelf bekend worden met instrumentale R&B-hits, waaronder “The Happy Organ”.
🎤 The Jesters en The Paragons
Een bijzonder stukje DooWop-geschiedenis is de samenwerking met hun Winley-labelgenoten The Paragons.
In 1959 verscheen:
The Paragons Meet The Jesters
Het concept was gebaseerd op de populaire straat- en theatersfeer waarin vocal groups als het ware tegen elkaar zongen. Het album wordt beschouwd als een belangrijke vroege DooWop/Rock-'n-Roll-compilatie.
📻 Waarom zijn The Jesters belangrijk?
The Jesters zijn vooral interessant vanwege hun typische New Yorkse street-corner sound:
hoge falset → tenorharmonie → bariton → diepe bas → minimale begeleiding.
Hun stijl was minder glad dan de latere commerciële vocal groups. De combinatie van Jacksons hoge stem en de donkere harmonieën geeft nummers als “So Strange” een heel herkenbaar geluid. AllMusic noemt The Jesters bovendien een voorbeeld van de New Yorkse vocal-groupstijl uit het midden van de jaren vijftig die invloed had op latere groepen.


The Jewels
The Jewels – doo-wop
The Jewels was een Amerikaanse R&B-vocale groep uit Los Angeles, Californië, die vooral bekend werd door de oorspronkelijke opname van “Hearts of Stone” uit 1954. Het nummer wordt tegenwoordig beschouwd als een belangrijke plaat uit de vroege doo-wop- en vocal-groupperiode.
🎙️ “Hearts of Stone”
De grote plaat van The Jewels was “Hearts of Stone”, uitgebracht in 1954. De groep maakte hiermee een stevige R&B-versie van het nummer. Kort daarna namen The Charms eveneens “Hearts of Stone” op; hun versie werd een grote hit en bereikte ook de popmarkt.
Dat maakt The Jewels interessant voor de geschiedenis van doo-wop: hun opname laat horen hoe zwarte vocal-group R&B zich in het midden van de jaren vijftig ontwikkelde richting de latere, meer herkenbare doo-wopstijl.
💿 Andere opnamen
Naast “Hearts of Stone” namen The Jewels verschillende minder bekende nummers op. Een titel die regelmatig in verzamelingen van obscure vocal-groupplaten terugkomt is:
A Fool in Paradise
Oh Yes I Know
“A Fool in Paradise” is bijvoorbeeld opgenomen op verschillende doo-wop-verzamelalbums.
⭐ Waarom belangrijk voor doo-wop?
The Jewels behoren tot die groepen die je vooral tegenkomt wanneer je dieper in de jaren-50 vocal-group/R&B duikt. Ze waren niet zo commercieel succesvol als bijvoorbeeld The Flamingos, The Platters, The Five Satins of The Coasters, maar hun platen zijn interessant voor liefhebbers van de vroege West Coast-vocal-group sound.
Hun muziek zit precies op het kruispunt van:
R&B → vocal harmony → vroege doo-wop → rock-’n-roll
Voor een doo-wopprogramma van Delfshavenradio is “Hearts of Stone” van The Jewels daarom een mooie plaat om naast de bekendere versie van The Charms te draaien. Zo kun je luisteraars laten horen hoe één nummer door verschillende groepen werd geïnterpreteerd.
“Voordat The Charms in 1954 succes hadden met ‘Hearts of Stone’, namen The Jewels het nummer al op. Daarmee horen we een stukje van de vroege West Coast R&B-vocal-groupgeschiedenis.”
Let op: er bestaan meerdere Amerikaanse groepen die de naam The Jewels gebruikten. De groep die bekend is van “Hearts of Stone” moet je niet verwarren met de latere Jewels/Four Jewels-acts die in de jaren 60 opnamen maakten.
The Jive Bombers
The Jive Bombers zijn een interessante groep voor liefhebbers van doo-wop, vroege rhythm & blues en vocal harmony. Ze kwamen uit New York City en waren eigenlijk een overgangsgroep tussen de vocale stijl van de jaren 40 en de doo-wop/R&B van de jaren 50.
🎙️ Ontstaan
De groep ontstond uit leden van twee oudere zanggroepen: Sonny Austin & the Jive Bombers en the Palmer Brothers. Aanvankelijk namen ze in 1949 op als The Sparrows voor Coral Records. In 1952 gingen ze verder als The Jive Bombers en namen ze op voor Citation Records.
De belangrijkste bezetting rond hun bekendste periode bestond uit:
Clarence Palmer – leadzang
Earl Johnson – tenor
Al Tinney
William "Pee Wee" Tinney
Clarence Palmer was vooral bepalend voor het geluid van de groep. Zijn nogal merkwaardige, bijna stotterende manier van zingen werd uiteindelijk het handelsmerk van hun grote hit.
⭐ "Bad Boy"
Hun absolute klassieker is "Bad Boy", opgenomen voor Savoy Records en uitgebracht in december 1956. Het nummer werd in 1957 een grote hit:
#7 R&B
#36 Billboard Hot 100
hun enige Top 40-hit
Wat "Bad Boy" bijzonder maakt, is de combinatie van oude swing/R&B, close-harmony en de merkwaardige "la-la-la"-vocalen van Clarence Palmer. Het klinkt daardoor anders dan de meer romantische doo-wopgroepen zoals The Flamingos of The Five Satins.
🎵 Een bijzonder verhaal achter "Bad Boy"
"Bad Boy" was eigenlijk helemaal geen nieuw nummer. Het werd geschreven door Lil Hardin Armstrong en Avon Long. Lil Hardin Armstrong was bovendien de voormalige echtgenote van jazzlegende Louis Armstrong. Het nummer bestond al in een eerdere vorm onder de titel "Brown Gal".
Clarence Palmer had het nummer al jaren eerder gezongen. In 1949 werd zijn uitvoering opgenomen als "Brown Boy", uitgebracht onder de naam Al Sears and the Sparrows. Daarna volgde in 1952 opnieuw een versie als Jive Bombers. Pas de nieuwe opname uit 1956, nu getiteld "Bad Boy", zorgde voor hun grote doorbraak.
💿 Andere interessante nummers
Naast "Bad Boy" zijn onder andere deze opnamen interessant voor een doo-wopprogramma:
When Your Hair Has Turned to Silver
Cherry
You Took My Love
All of Me
It's a Blue World
Stardust
The Blues Don't Mean a Thing
Just Around the Corner
"Bad Boy" en "When Your Hair Has Turned to Silver" verschenen samen op Savoy 1508; de laatste had Pee Wee Tinney als leadzanger.
📻 Invloed en latere bekendheid
Hoewel de Jive Bombers na "Bad Boy" geen tweede grote hit kregen, bleef de groep actief in het clubcircuit. Ze bleven zelfs tot in de jaren 60 optreden, met verschillende personeelswisselingen. In 1963 verschenen ze nog met "Anytime"/"Days of Wine and Roses".
"Bad Boy" kreeg later een tweede leven door uitvoeringen van onder andere Ringo Starr, Sha Na Na, Mink DeVille en anderen. Het nummer werd ook gebruikt in de film Cry-Baby uit 1990.


The Jive Five
The Jive Five – belangrijke doo-wopgroep uit Brooklyn
The Jive Five waren een Amerikaanse vocal group uit Brooklyn, New York, die vooral bekend werd door de enorme doo-wop/R&B-hit “My True Story” uit 1961. Ze zijn interessant omdat ze precies op het snijpunt zaten van de klassieke jaren-50 doo-wop en de opkomende soul van de jaren 60.
🎙️ De oorspronkelijke bezetting
De klassieke formatie bestond uit:
Eugene Pitt – leadzanger
Jerome Hanna – tenor
Richard Harris – tenor
Billy Prophet (Thurmon Prophet) – bariton
Norman Johnson – bas
Eugene Pitt was de centrale figuur van de groep en schreef ook mee aan hun grootste hit.
⭐ “My True Story” – de grote doorbraak
Hun grote moment kwam in 1961 met “My True Story”, uitgebracht op Beltone Records. Het nummer werd geschreven door Eugene Pitt samen met Oscar Waltzer en Joe Rene.
De plaat bereikte:
#1 – Billboard R&B
#3 – Billboard Hot 100
drie weken op nummer 1 van de R&B-hitlijst.
Het bijzondere aan de opname is de emotionele leadzang van Pitt, gecombineerd met de typische meerstemmige harmonieën en het beroemde “cry, cry, cry”-gedeelte. Daardoor klinkt de plaat nog duidelijk als doo-wop, maar tegelijkertijd al moderner en soulvoller.
YouTube video link
💿 Andere mooie Jive Five-opnamen
Voor een doo-wopprogramma zou ik zeker ook zoeken naar:
My True Story – 1961
Never, Never – 1961
Hully Gully Callin' Time – 1962
What Time Is It? – 1962
Beggin' You Please – 1962
These Golden Rings – 1962
I'm a Happy Man – 1965
Sugar (Don't Take Away My Candy) – 1968
“These Golden Rings” werd in 1962 nog een bescheiden R&B-hit, maar geen van hun latere platen kon het succes van “My True Story” evenaren.
🎵 Van doo-wop naar soul
Toen de klassieke doo-wopperiode begin jaren 60 langzaam veranderde, probeerden The Jive Five mee te bewegen. Rond 1964 ontwikkelden ze zich meer richting soul. Ze kwamen vervolgens bij United Artists Records terecht en scoorden in 1965 nog een hitje met “I'm a Happy Man”. Later volgde onder meer “Sugar (Don't Take Away My Candy)” in 1968.
In 1970 gebruikten ze zelfs tijdelijk de naam The Jyve Fyve, in een poging moderner over te komen.
📻 Een verrassend tweede leven
The Jive Five bleven veel langer actief dan veel andere doo-wopgroepen. In de jaren 80 kregen ze zelfs een bijzondere nieuwe rol: ze werkten mee aan a-capella jingles en herkenningsmuziek voor Nickelodeon. Hun doo-wopachtige stemmen werden daardoor bij een nieuwe generatie televisiekijkers bekend.
De groep werd in 2007 opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame.
🎙️ Eugene Pitt
Eugene Pitt bleef de belangrijkste constante factor binnen The Jive Five. Hij overleed in juni 2018, op 80-jarige leeftijd.
The Jiving Juniors
The Jiving Juniors zijn een bijzonder interessante groep binnen de geschiedenis van de Jamaicaanse doo-wop. Ze vormen namelijk een mooie brug tussen Amerikaanse doo-wop en de vroege Jamaicaanse R&B, bluebeat en uiteindelijk ska.
The Jiving Juniors
The Jiving Juniors werden in 1958 op Jamaica opgericht door studenten van Excelsior en Kingston Colleges. De oorspronkelijke bezetting bestond uit Derrick Harriott, Eugene Dwyer, Herman Sang en Maurice Winter.
Vooral Derrick Harriott werd later een zeer belangrijke Jamaicaanse zanger, producer en platenbaas. Zijn vroege carrière begon dus bij The Jiving Juniors.
Hun geluid
Hun muziek was sterk gebaseerd op de Amerikaanse doo-wop van de jaren vijftig. Je hoort duidelijke invloeden van vocale groepen zoals Frankie Lymon & the Teenagers: een jonge leadzanger, hoge falsetstem, romantische teksten en achtergrondzang die de lead omringt.
Maar The Jiving Juniors maakten er iets Jamaicaans van. Hun platen combineerden:
🎤 Amerikaanse doo-wop-harmonieën
❤️ romantische ballads
🎸 Jamaicaanse R&B
🥁 vroege ska-invloeden
🎶 bluebeat
🎷 een lichte Jamaicaanse ritmiek
Daarom zijn ze voor een doo-wopverzamelaar extra interessant: het is doo-wop, maar dan vanuit Jamaica bekeken.
Belangrijke nummers
Een aantal platen die je zeker moet kennen:
“Lollipop Girl”
Een van hun bekendste nummers. De plaat werd door Duke Reid uitgebracht en werd rond 1960 een grote Jamaicaanse hit.
“My Heart's Desire”
Een prachtige romantische doo-wop/R&B-ballad en een goed voorbeeld van de zachte kant van de groep.
“Over the River” / “I'll Be Here When He Comes”
Misschien wel een van hun interessantste nummers voor liefhebbers van de overgang van doo-wop naar ska. Het nummer heeft een sterk vocaal doo-wopkarakter, maar de gitaar en het ritme wijzen al duidelijk richting de Jamaicaanse muziek die daarna zou ontstaan.
“Sugar Dandy”
Hun laatste grote succes en een schitterend voorbeeld van hun latere doo-wopstijl. Het nummer werd opgenomen in Mirasound Studios in New York. De zangarrangementen doen sterk denken aan Frankie Lymon & the Teenagers.
Andere interessante titels zijn “Ooh! Pretty Girl”, “Beautiful Doll”, “Tu-Woo-Up-Tu-Woo”, “Sweet as an Angel”, “Slop 'N' Mash”, “Valerie” en “Andrea”.
Van doo-wop naar ska
Hier wordt The Jiving Juniors historisch bijzonder.
Rond 1960–1961 begon de Jamaicaanse muziekwereld steeds meer richting ska te bewegen. “Over the River” wordt gezien als een belangrijk voorbeeld van die overgang: het nummer heeft een ontspannen boogiegevoel, maar de sterk geaccentueerde gitaar op de offbeat klinkt al bijna als vroege ska.
Ook Rico Rodriguez speelt een interessante rol: volgens de bronnen bevat “Over the River” mogelijk zijn eerste solo op een opname.
Het einde van de groep
In 1962 viel de groep uit elkaar, precies op het moment dat Jamaica onafhankelijk werd en ska de dominante nieuwe muziekstijl werd. The Jiving Juniors maakten daardoor zelf nooit de grote overstap naar de ska zoals bijvoorbeeld The Skatalites dat deden.
Derrick Harriott ging vervolgens solo verder en werd later een belangrijke zanger en producer in de Jamaicaanse muziek. Hij richtte onder andere zijn eigen Crystal-label op.


Johnnie & Joe
Johnnie & Joe – bijzondere doo-wop uit New York
Johnnie & Joe was een Amerikaans zangduo uit The Bronx, New York, bestaande uit Johnnie Louise Richardson en Joe Rivers. Ze begonnen professioneel samen te zingen in 1957 en werden vooral bekend door één van de grote romantische doo-wopballads van de jaren vijftig: “Over the Mountain; Across the Sea”.
🎙️ Johnnie Louise Richardson
Johnnie Richardson werd geboren op 29 juni 1935 in Montgomery, Alabama. Zij was de dochter van Zelma “Zell” Sanders, een belangrijke figuur in de New Yorkse R&B- en doo-wopwereld. Sanders was eigenaar van J&S Records en had eerder een rol gespeeld bij de meidengroep The Hearts.
🎙️ Joe Rivers
Joe Rivers, geboren op 20 maart 1937 in Charleston, South Carolina, vormde samen met Johnnie het duo. Zijn stem paste prachtig bij die van Richardson, vooral in de langzame, romantische nummers waarvoor het duo bekend werd. Rivers overleed op 26 augustus 2025 in Suffern, New York.
⭐ De grote klassieker: “Over the Mountain; Across the Sea”
Hun bekendste plaat verscheen in 1957 op J&S Records en werd voor de landelijke markt door Chess Records uitgebracht. Het nummer werd geschreven door Rex Garvin, die ook betrokken was bij de muzikale begeleiding en achtergrondzang.
De plaat bereikte:
#3 – Billboard R&B Best Sellers
#8 – Billboard Top 100
#6 – Most Played R&B by Jockeys
Het is een prachtig voorbeeld van de langzame, romantische kant van doo-wop. Geen snelle street-corner rocker, maar een gedragen ballad met veel nadruk op de stemmen, harmonie en het verlangen naar een geliefde die ver weg is.
Een bijzonder onderdeel is het gesproken einde/fade-out, waardoor de plaat nog dramatischer wordt.
Andere belangrijke nummers
Johnnie & Joe namen in hun korte hitperiode onder andere op:
“Feel Alright”
“I'll Be Spinning”
“My Baby's Gone, On, On”
“I Was So Lonely”
“It Was There”
“There Goes My Heart”
“Who Do You Love?”
“Darling”
“False Love Has Got to Go”
“I'll Be Spinning” was al vroeg succesvol in New York; daarna zorgde “Over the Mountain; Across the Sea” voor hun grote nationale doorbraak.
💿 J&S Records en Chess
Het verhaal van Johnnie & Joe is ook interessant vanwege Zelma Sanders. Zij richtte in 1956 haar eigen J&S Records op en behoorde tot de relatief zeldzame vrouwelijke platenlabel-eigenaren uit die periode. Johnnie was haar dochter.
De eerste grote hit van J&S was vervolgens precies de plaat van Johnnie & Joe. Chess Records nam de distributie over, waardoor het nummer buiten New York een veel groter publiek bereikte.
🎵 Een tweede leven
Hoewel hun grootste succes in 1957 lag, verdwenen Johnnie & Joe niet volledig uit de muziekwereld. Ze werkten later opnieuw samen en traden in de jaren zeventig en tachtig op tijdens oldies- en doo-wopconcerten. In 1982 verscheen het album Kingdom of Love.
Johnnie Richardson overleed op 25 oktober 1988, als gevolg van complicaties na een beroerte.
The King Khan & BBQ Show
The King Khan & BBQ Show is een heel bijzondere groep als je kijkt naar de moderne kant van doo-wop. Ze maken geen traditionele doo-wop zoals The Five Satins of The Flamingos, maar gebruiken de zangharmonieën, romantiek en melodieën van de jaren 50 en gooien daar garagepunk, rock-'n-roll, soul en rauwe rhythm-and-blues overheen.
🎙️ Wie zijn The King Khan & BBQ Show?
Het duo bestaat uit:
King Khan – echte naam Arish Ahmad Khan – zang en gitaar
BBQ – Mark Sultan – zang, gitaar en percussie
De twee kenden elkaar al uit de Canadese garagerockband The Spaceshits. Nadat die band uit elkaar ging, kwamen ze opnieuw samen en begonnen ze in 2002 als duo muziek te maken.
Een opvallend onderdeel van hun livegeluid is dat BBQ met een zeer eenvoudige drum/percussie-opstelling tegelijk kan zingen en gitaar spelen. Daardoor klinkt het soms alsof je naar een complete band luistert, terwijl er in feite maar twee muzikanten op het podium staan.
🎵 Hun doo-wop
Hun doo-wop is vooral gebaseerd op de sfeer en zangstijl van de jaren 50:
meerstemmige zang
romantische melodieën
eenvoudige akkoordenschema's
doo-wop-achtige achtergrondzang
vroege R&B
rock-'n-roll
soulballads
Daartegenover staat een bewust vuile, primitieve garagerocksound. Het resultaat is eigenlijk alsof een oude doo-wopgroep uit 1957 een garagepunkband uit de jaren 70/80 is tegengekomen. AllMusic omschrijft hun muziek dan ook als een combinatie van doo-wop, punk en soul.
Een mooi voorbeeld is “Why Don't You Lie?”, dat sterk naar zoete jaren-50-doowop neigt, terwijl andere nummers veel ruwer en agressiever zijn.
💿 Belangrijke albums
The King Khan & BBQ Show – 2004
Hun eerste album en waarschijnlijk het beste startpunt als je hun combinatie van doo-wop en garage wilt leren kennen. Het album verscheen in 2004 en werd later opnieuw uitgebracht.
What's for Dinner? – 2006
Hier wordt de mix nog breder: doo-wop, soul, R&B, rock-'n-roll en punk komen allemaal voorbij. Het nummer “Too Much in Love” laat bijvoorbeeld duidelijk hun belangstelling voor klassieke soul- en doo-wopzang horen.
Invisible Girl – 2009
Een album waarop de doo-wopinvloeden opnieuw duidelijk aanwezig zijn, naast garage en psychedelische elementen.
Bad News Boys – 2015
Hierop staan onder andere “Alone Again” en “Ocean of Love”, twee nummers waarin hun liefde voor oude doo-wop en R&B goed naar voren komt.
⭐ Een nummer dat je zeker moet kennen
“Love You So” is waarschijnlijk hun bekendste nummer. Het verscheen in de jaren 2000 en kreeg later onverwacht een enorme tweede bekendheid via TikTok.
Ze zijn dus geen klassieke doo-wopgroep uit de jaren 50, maar een moderne band die bewust teruggrijpt op de stijl. Samen met bijvoorbeeld The Almighty Defenders laten ze zien dat de doo-woptraditie ook in de 21e eeuw nog steeds wordt gebruikt.


The Knockouts
The Knockouts – doo-wop
The Knockouts waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit North Bergen/Bayonne, New Jersey, actief vanaf het einde van de jaren vijftig. Ze zijn vooral bekend geworden met één echte nationale hit: “Darling Lorraine” uit 1959.
Bezetting
De oorspronkelijke groep bestond uit:
Bob D’Andrea – leadzang
Eddie Parente – gitaar
Bob Collada – piano
Harry Venuta – drums
In 1960 werd drummer Harry Venuta vervangen door Pierre LaSalle (Bob Catucci).
“Darling Lorraine”
Het belangrijkste nummer van The Knockouts is “Darling Lorraine”, opgenomen in 1959 op het Shad-label. De andere kant van de single was “Riot In Room 3C”.
“Darling Lorraine” werd eind 1959 een behoorlijke hit en bereikte ongeveer de #45-positie in de Amerikaanse hitlijst. Het nummer heeft een typisch late-jaren-50-geluid: een eenvoudige begeleiding, vocale harmonieën en een wat rauwe, bijna jongensachtige presentatie.
Het is juist dat wat “Darling Lorraine” interessant maakt voor liefhebbers van obscure doo-wop: het klinkt minder gepolijst dan bijvoorbeeld The Flamingos of The Five Satins.
Andere platen
Na hun eerste succes namen The Knockouts verschillende singles op:
Jaar Nummer
1959 Darling Lorraine / Riot In Room 3C
1960 Rich Boy – Poor Boy / Please Be Mine
1961/62 You Can Take My Girl / Fever
1964 Mo Jo Part 1 / Mo Jo Part 2
1964 What's On Your Mind / Tweet-Tweet
1964 Don't Say Goodbye / Ecuador
1965 Falling From Paradise / Ecuador
Er verschenen bovendien enkele opnamen die lange tijd moeilijk te vinden waren, waaronder “Stormy Weather”.
Een bijzondere groep voor verzamelaars
The Knockouts zijn typisch zo'n groep die veel bekender is onder doo-wopverzamelaars dan bij het grote publiek. AllMusic beschrijft hen als een New York/New Jersey-doowopgroep waarvan “Darling Lorraine” de grootste hit was; daarna volgden verschillende kleinere releases.
Hun muziek wordt daarom vaak gezocht op verzamelalbums met rare, obscure en lesser-known doo-wop.
Een interessante compilatie is The Knockouts Meet the Genies, waarop de opnamen van The Knockouts worden gecombineerd met die van The Genies.
Voor jouw doo-wopprogramma
Kort gezegd: The Knockouts zijn een mooi voorbeeld van de enorme hoeveelheid kleine Amerikaanse vocal groups die eind jaren 50 probeerden door te breken. Ze hadden één opvallende nationale hit, maar maakten daarnaast een aantal zeer interessante platen die vooral voor de echte doo-wopliefhebber de moeite waard zijn.
Richard Lanham
Richard Lanham is een interessante, maar tegenwoordig vrij obscure naam uit de Amerikaanse doowopgeschiedenis. Hij werd vooral bekend als de jeugdige leadzanger van The Tempo-Tones uit Hempstead, Long Island/New York.
Richard Lanham & The Tempo-Tones
Richard Lanham begon al op zeer jonge leeftijd met zingen. In 1957 was hij pas 12 jaar oud toen hij met zijn broers Albert, Danny en Wallace Lanham en vrienden Steve Stewart en Birdie Brewster de groep The Tempo-Tones vormde.
De groep maakte een aantal singles voor het kleine Acme-label. De bekendste is:
Richard Lanham & The Tempo-Tones – "On Your Radio"
"Dance of Love"
Acme 712, 1957
"On Your Radio" is vooral bijzonder vanwege de zeer jonge stem van Lanham. Het is typisch voor de zogenaamde "kiddie lead" binnen de doowop: een jonge zanger die boven de harmonieën van een volwassen klinkende vocale groep uitkomt.
Een leuke rariteit voor verzamelaars: op sommige eerste exemplaren werd "Radio" verkeerd gespeld als "Raido". Daardoor zijn die eerste persingen tegenwoordig gewilde verzamelaarsobjecten.
De Tempo-Tones
Naast "On Your Radio" namen The Tempo-Tones verschillende andere nummers op, waaronder:
Find Yourself Another Fool
Get Yourself Another Fool
Ride Along
In My Dreams
My Boy Sleepy Pete
Come Into My Heart
Somewhere There Is Someone
"Get Yourself Another Fool" wordt nog steeds op doowop-verzamelalbums uitgebracht en is een mooi voorbeeld van de minder bekende New Yorkse doowop uit de tweede helft van de jaren vijftig.
Optredens
Ondanks zijn jonge leeftijd kreeg Lanham behoorlijk wat aandacht. Met de Tempo-Tones trad hij op bij onder andere het Apollo Theater in Harlem en verscheen hij bij American Bandstand en de Alan Freed Show.
Dat maakt hem interessant binnen dezelfde bredere jeugdige doowoptraditie waarin bijvoorbeeld Frankie Lymon zo belangrijk was.
Van doowop naar jazz
Het mooie aan het verhaal van Richard Lanham is dat zijn carrière niet bij doowop eindigde.
Als tiener ontwikkelde hij zich verder als zanger en kwam hij terecht in de New Yorkse jazzwereld. Hij zong zelfs met de ritmesectie die met Miles Davis werkte: pianist Wynton Kelly, bassist Paul Chambers en drummer Jimmy Cobb. Later werkte hij onder meer met King Curtis, The Drifters, The Cadillacs en The Ink Spots.
Daarmee maakte Lanham een opmerkelijke muzikale ontwikkeling door:
kinder-doowop → rhythm & blues → soul/jazz → volwassen jazzzanger
In 2013 verscheen uiteindelijk zijn jazzalbum Thou Swell, waarop hij jazzstandards zingt. Het album was al ongeveer vijftien jaar eerder opgenomen voordat het daadwerkelijk werd uitgebracht.


The Larks
The Larks – belangrijke pioniers van de doo-wop
The Larks waren een Amerikaanse vocale R&B-groep uit New York die vooral rond 1950–1952 actief was. Ze behoren tot de vroege groepen die de overgang van gospel en rhythm-and-blues naar wat later doo-wop zou worden, mede vormgaven. Hun bekendste plaat is “My Reverie”, uitgebracht op het label Apollo Records in 1951.
De bezetting
De klassieke bezetting bestond onder andere uit:
Gene Mumford – tenor en leadzang
Thermon Ruth – bariton
Allen Bunn – bariton, leadzang en gitaar
David McNeil – bas
Raymond “Pee Wee” Barnes – tenor
Deze combinatie gaf The Larks een bijzonder rijk laag basfundament en een opvallend harmonieuze groepsklank.
Allen Bunn werd later beter bekend als Tarheel Slim, een naam waaronder hij een belangrijke carrière in blues en R&B zou hebben.
⭐ “My Reverie”
Hun bekendste opname is zonder twijfel “My Reverie”. De plaat verscheen in mei 1951 op Apollo 1184, met “Let's Say a Prayer” op de andere kant.
Het nummer was oorspronkelijk een popstandard van Larry Clinton, gebaseerd op Debussy's Rêverie. The Larks maakten er een veel intiemere vocale R&B-versie van, met Gene Mumford als leadzanger.
Juist dit soort oude pop- en jazzstandards die door zwarte vocale groepen opnieuw werden geïnterpreteerd, is kenmerkend voor de vroege ontwikkeling van doo-wop.
“Eyesight to the Blind”
Een andere zeer belangrijke opname was “Eyesight to the Blind”. Hier nam Allen Bunn de leadzang voor zijn rekening en speelde hij gitaar. Het was een bijzondere doo-wopbewerking van een bluesnummer van Sonny Boy Williamson.
De opname werd een Top 5 R&B-hit en behoort tot de bekendste nummers uit de korte carrière van The Larks.
Andere interessante nummers
Voor een radio-uitzending over vroege doo-wop zijn ook deze titels interessant:
My Reverie
Eyesight to the Blind
Little Side Car
Let's Say a Prayer
I Live True to You
Stolen Love
Lucy Brown
Ooh... It Feels So Good
Rockin' in the Rocket Room
Honey from the Bee
Coffee, Cigarettes & Tears
📻 Optredens op televisie
The Larks waren voor een vroege vocale R&B-groep behoorlijk succesvol. Ze verschenen onder andere in televisieprogramma's van Perry Como en Arthur Godfrey. Bij Arthur Godfrey's Talent Scouts wisten ze zelfs te winnen met hun versie van “Tennessee Waltz”.
Dat is belangrijk: doo-wop was in deze periode nog niet de nostalgische jaren-50-stijl die we tegenwoordig kennen. Het was toen moderne zwarte populaire muziek, rechtstreeks verbonden met gospel, blues, jazz en R&B.
Het einde van de eerste Larks
In 1952 verliet Allen Bunn de groep om solo verder te gaan. The Larks bleven nog enige tijd opnemen, maar het succes nam af en uiteindelijk viel de groep uiteen.
Er kwamen later opnieuw groepen met de naam The Larks, waardoor er nogal eens verwarring ontstaat. De groep die “My Reverie” en “Eyesight to the Blind” maakte, is de oorspronkelijke New Yorkse Apollo-groep. Er bestond bijvoorbeeld later ook een Larks-groep uit Los Angeles die niets met deze formatie te maken had.
🎙️ Waarom zijn The Larks belangrijk voor doo-wop?
The Larks zitten eigenlijk aan het begin van het klassieke doo-woptijdperk. Hun harmonieën laten goed horen hoe de stijl zich ontwikkelde uit eerdere vocale groepen zoals The Ink Spots en The Ravens, maar ook uit gospel en blues.
Een bijzonder interessant detail is dat hun baszanger David McNeil een zeer diepe vocale bas gebruikte. Volgens een historische Billboard-publicatie beïnvloedden The Larks later groepen als The Harptones en The Moonglows.
Lillian Leach & the Mellows
illian Leach & The Mellows – bijzondere vrouwelijke stem in de doo-wop
Lillian Leach & The Mellows behoren tot de interessante en tegenwoordig zeer gewaardeerde groepen uit de vroege New Yorkse doo-wop. Bijzonder is vooral dat een vrouw, Lillian Leach, de leadzangeres was van een verder mannelijk vocaal kwartet. Dat was in de jaren vijftig behoorlijk ongewoon.
🎙️ Lillian Leach
Lillian Leach werd geboren op 20 december 1936 in Harlem, New York, en groeide op in de Bronx. Ze zong als kind in de kerk en deed mee aan talentenjachten.
Rond 1953/1954, toen ze ongeveer 16 à 17 jaar oud was, ontmoette ze tijdens een feestje drie jongens die samen aan het zingen waren. Ze zong mee en werd uiteindelijk gevraagd om zich bij hen aan te sluiten. Zelf vond ze dat opmerkelijk, omdat vocale groepen in die tijd vooral uit jongens en mannen bestonden.
Haar stem werd het handelsmerk van The Mellows: warm, zacht, melancholiek en zeer expressief. Vooral de combinatie van haar vrouwelijke leadstem met de mannelijke achtergrondharmonieën geeft de groep een heel eigen geluid.
🎵 De oorspronkelijke Mellows
De bekendste vroege bezetting bestond uit:
Lillian Leach – leadzang
John "Tiny" Wilson – eerste tenor
Harold Johnson – tweede tenor/gitaar
Norman "Polecat" Brown – bas
De groep kwam uit Morrisania in de Bronx, een buurt waar in die periode opvallend veel doo-wopgroepen actief waren.
De naam The Mellows paste bij hun voorkeur voor rustige, melodieuze ballads.
⭐ "Smoke From Your Cigarette"
Hun beroemdste opname is zonder twijfel:
"Smoke From Your Cigarette" – 1954/1955
Lillian was pas 17 jaar oud toen ze het nummer opnam. De opname verscheen op het kleine Jay-Dee-label, van producer en platenbaas Joe Davis.
Het nummer werd vooral bekend in New York en aan de Amerikaanse oostkust. Het werd bovendien regelmatig gedraaid in het programma van de invloedrijke radio-dj Alan Freed en bereikte de regionale R&B-hitlijsten.
Muzikaal is het een prachtig voorbeeld van de vroege doo-wop: een romantische ballad, vierstemmige harmonie, een emotionele leadzang en instrumentale begeleiding met onder andere saxofoon en piano.
💿 Andere belangrijke nummers
The Mellows namen in korte tijd een aantal mooie platen op:
Jaar Nummer
1954 How Sentimental Can I Be
1954 Nothin' To Do
1955 Smoke From Your Cigarette
1955 Pretty Baby, What's Your Name?
1955 I Was A Fool To Let You Go
1955 I Still Care
1955 Yesterday's Memories
1955 Lovable Lily
1956 Lucky Guy
1956 My Darling
1956 I'm Yours
1956 Sweet Lorraine
Deze discografie laat mooi zien dat The Mellows zowel ballads als wat vlottere vocale nummers maakten.
✍️ Lillian als songwriter
Een extra interessant detail voor je doo-wopprogramma: Lillian Leach schreef "I Still Care". Dat was haar eerste en, voor zover bekend, enige songwriting-credit.
🎤 Waarom waren The Mellows zo bijzonder?
In de vroege jaren vijftig waren mannelijke straat- en schoolgroepen zoals The Orioles, The Ravens, The Clovers en The Spaniels heel belangrijk voor de ontwikkeling van de doo-wop.
The Mellows draaiden dat beeld gedeeltelijk om: een mannelijke achtergrondgroep met een jonge vrouwelijke leadzangeres.
Dat maakt Lillian Leach een belangrijke figuur in de geschiedenis van de vocale R&B. Vrouwelijke doo-wop-leadzangeressen waren relatief schaars; Leach wordt daarom genoemd als iemand die de weg hielp banen voor latere vrouwelijke groepen en zangeressen, waaronder The Chantels en The Shirelles.
🎧 Een favoriet van Lou Reed
Een mooi detail voor muziekliefhebbers: Lou Reed was een groot liefhebber van The Mellows. Hij noemde "Smoke From Your Cigarette" later als een van zijn favoriete nummers en prees specifiek de stem van Lillian Leach.
Dat zegt veel over de blijvende aantrekkingskracht van de plaat: The Mellows hadden geen grote nationale hit zoals bijvoorbeeld The Platters of Frankie Lymon & The Teenagers, maar onder kenners van doo-wop werd hun werk zeer gewaardeerd.
Lillian Leach overleed op 26 april 2013, op 76-jarige leeftijd. Haar laatste publieke optreden was in 2006, toen ze met de Cliftonaires optrad tijdens een UGHA-doo-wopshow.
Kort gezegd: The Mellows waren geen grote nationale hitmachine, maar Lillian Leach gaf de groep een unieke plaats in de doo-wopgeschiedenis. Haar warme, enigszins droevige stem boven de mannelijke harmonieën maakt "Smoke From Your Cigarette" tot een echte klassieker voor liefhebbers van jaren-50 doo-wop.


Little Anthony and the Imperials
Little Anthony & the Imperials – Doowop
Little Anthony and the Imperials behoort tot de belangrijkste Amerikaanse vocale groepen uit de overgang van doo-wop naar soul en rhythm-and-blues. De groep kwam uit Brooklyn, New York, en werd vooral bekend door de karakteristieke hoge, emotionele stem van Little Anthony, geboren als Anthony Gourdine.
🎤 Het begin
De groep ontstond in de eerste helft van de jaren vijftig onder de naam The Chesters. De oorspronkelijke bezetting bestond onder anderen uit:
Anthony Gourdine – leadzang
Ernest Wright – tenor
Clarence Collins – bariton
Tracy Lord – bas
Ze zongen aanvankelijk vooral op straat, in buurten en op kleine podia in New York. Hun muziek was typisch voor de klassieke New Yorkse doowop: meerstemmige harmonieën, een sterke leadzanger en eenvoudige maar zeer effectieve arrangementen.
⭐ "Tears on My Pillow"
Hun grote doorbraak kwam in 1958 met:
"Tears on My Pillow"
Het nummer werd geschreven door Sylvester Bradford en Al Lewis en verscheen op het End Records-label.
De combinatie van Little Anthony's zeer hoge, bijna huilende falsetstem en de achtergrondharmonieën van de Imperials maakte het nummer onmiddellijk herkenbaar.
Het werd een enorme hit en bereikte de Top 10 van de Amerikaanse Billboard Hot 100.
Voor liefhebbers van klassieke doowop is dit een absolute klassieker.
🎶 Andere belangrijke doowop-opnamen
Naast Tears on My Pillow zijn vooral deze nummers interessant:
"So Much" (1958)
"Wishful Thinking" (1958)
"Shimmy, Shimmy, Ko Ko Bop" (1960)
"I'm Alright" (1960)
"Goin' Out of My Head" (1964)
Met name "Shimmy, Shimmy, Ko Ko Bop" laat horen hoe de groep zich langzaam verwijderde van de pure doowop en meer richting vroege soul en pop ging.
🎵 Van doowop naar soul
Dat maakt Little Anthony & the Imperials interessant in de muziekgeschiedenis. Ze bleven niet uitsluitend een doowopgroep.
In de jaren zestig veranderde hun geluid. De harmonieën bleven belangrijk, maar de producties werden moderner en kregen meer invloeden uit soul, R&B en pop.
Een belangrijk moment was "Goin' Out of My Head" uit 1964. Dit nummer werd geschreven door Teddy Randazzo en Bobby Weinstein en werd een van hun grootste successen.
Ook "Hurt So Bad" uit 1964 is een zeer bekende opname.
👑 Little Anthony
Anthony Gourdine was een opvallende leadzanger binnen de doowopwereld. Zijn stem was heel anders dan die van veel andere mannelijke doowopzangers.
Waar sommige groepen vooral op diepe baspartijen en krachtige tenorstemmen vertrouwden, had Little Anthony een hoog, kwetsbaar en emotioneel geluid. Dat paste perfect bij liefdesliedjes en heartbreak-ballads.
Daardoor kun je hem gemakkelijk herkennen wanneer je veel doowop achter elkaar draait.
Kort gezegd: Little Anthony & the Imperials zijn een uitstekende brug tussen de klassieke New Yorkse doowop van de jaren 50 en de soul/pop van de jaren 60. Tears on My Pillow hoort zonder twijfel thuis in een verzameling essentiële doowopplaten.
Little Caesar & the Romans
Little Caesar & the Romans
Little Caesar & the Romans was een Amerikaanse vocale groep uit Los Angeles, actief rond 1961-1962. Hun muziek wordt gerekend tot doo-wop en vroege R&B. De groep bestond uit:
Carl Burnett – leadzang
David "Caesar" Johnson – bariton/lead
Johnny O'Simmons – tenor
Early Harris – tenor
Leroy Sanders – bas
De geschiedenis van de groep gaat overigens verder terug. De muzikanten waren eerder actief als The Cubans en vervolgens The Upfronts, voordat de naam Little Caesar & the Romans werd gebruikt.
🎵 Hun grote hit: "Those Oldies But Goodies"
Hun bekendste nummer is zonder twijfel:
"Those Oldies But Goodies (Remind Me of You)" – 1961
Het nummer werd een grote Amerikaanse hit en bereikte nummer 9 in de Billboard Hot 100 en nummer 28 op de R&B-hitlijst.
Het is een prachtige, nostalgische doo-wopballad met piano en harmonieën. De stijl doet denken aan groepen als The Five Satins en Little Anthony & the Imperials.
Het bijzondere is dat het woord "oldies" toen nog lang niet dezelfde betekenis had als tegenwoordig. In 1961 waren de rock-'n-roll- en doo-wopjaren immers nog maar een paar jaar oud. Het nummer keek dus eigenlijk terug naar de muziek van slechts enkele jaren daarvoor.
📺 American Bandstand
Het succes bracht de groep ook op televisie. Op 23 mei 1961 verschenen Little Caesar & the Romans in American Bandstand, waar ze "Those Oldies But Goodies" uitvoerden.
Dat was belangrijk: American Bandstand was in die periode een van de belangrijkste Amerikaanse muziekprogramma's voor jongeren.
💿 Andere platen
Na hun grote hit kwamen onder andere:
Hully Gully Again – 1961
Memories of Those Oldies But Goodies – 1961
C.C. Rider
The Ten Commandments of Love
Popeye One More Time – 1962
"Hully Gully Again" werd opnieuw een Amerikaanse hit en bereikte nummer 54. "Memories of Those Oldies But Goodies" kwam tot nummer 101.
💿 Album
In 1961 verscheen bij Del-Fi Records het album:
Memories of Those Oldies But Goodies
Daarop stonden onder andere:
Those Oldies But Goodies
I Need You So
Ten Commandments of Love
Little Star
Adorable
Memories of Those Oldies But Goodies
Hully Gully Again
Work With Me Annie / Annie Had a Baby
Searchin'
Fever
C.C. Rider
Dat album is interessant omdat je daarop goed kunt horen dat de groep niet uitsluitend zachte doo-wopballads maakte. Sommige nummers zijn duidelijk ruwere, uptempo R&B, vergelijkbaar met de muziek van andere Los Angeles-groepen zoals The Olympics.
👑 Waarom "Little Caesar"?
Een leuk stukje geschiedenis is dat David Johnson de bijnaam "Caesar" droeg. Hij kwam oorspronkelijk uit Chicago en had een achtergrond in gospelmuziek voordat hij zich met doo-wop ging bezighouden.
Er ontstond later zelfs onenigheid binnen de groep over wie nu eigenlijk de echte "Little Caesar" was: David Johnson of leadzanger Carl Burnett. Dat conflict speelde uiteindelijk mee bij het uiteenvallen van de groep in 1962.
🏛️ Plaats in de doo-wopgeschiedenis
Little Caesar & the Romans zijn vooral interessant omdat ze op het allerlaatste moment van de oorspronkelijke doo-wopperiode succesvol waren. In 1961 veranderde de Amerikaanse popmuziek snel: soul, surf, girl groups, dance records en de Britse invasie kwamen eraan.
Toch wisten zij met "Those Oldies But Goodies" nog één keer een echte doo-wophit in de Top 10 te krijgen. AllMusic beschrijft de groep dan ook als een van de groepen die aan het einde van het doo-woptijdperk nog succes hadden.


The Little Dippers
The Little Dippers
The Little Dippers waren actief in de klassieke periode van de Amerikaanse vocal-group/doowop, toen jonge zanggroepen vooral in New York en andere grote steden opnamen maakten voor kleine onafhankelijke labels.
Hun muziek past in de traditie van:
close-harmony zang
romantische ballads
zachte tenorpartijen
bas- en baritonachtergronden
de typische “doo-wop”-vocalen
Een van de titels die met de groep wordt genoemd is “Lonely”, gekoppeld aan “I Wonder, I Wonder, I Wonder”. De originele 45 is tegenwoordig vooral interessant voor verzamelaars van obscure doowop.
The Little Dippers behoren tot die enorme groep relatief onbekende vocal groups die nooit de bekendheid kregen van bijvoorbeeld The Flamingos, The Five Satins, The Moonglows of The Jive Five. Juist dit soort groepen maakt de verzameling van obscure doowop zo interessant: veel singles verschenen in kleine oplagen en zijn tegenwoordig moeilijk te vinden.
Let op: er bestaat ook een groep die The Du Droppers heette. Die wordt soms door zoekresultaten of platenlijsten verkeerd gelezen als “Little Drippers”. The Du Droppers waren een belangrijke New Yorkse vocal group, actief vanaf 1952, met onder anderen J.C. Ginyard als leadzanger.
Frankie Lymon
Frankie Lymon – een wonderkind van de doo-wop
Frankie Lymon was een van de opvallendste stemmen uit de gouden periode van de doo-wop. Hij werd op slechts 13-jarige leeftijd wereldberoemd als leadzanger van Frankie Lymon & the Teenagers. Zijn hoge, bijna jongensachtige tenor werd een van de herkenbaarste geluiden van de vroege rock-'n-roll.
🎤 Beginjaren
Frankie Lymon werd geboren in 1942 in New York en groeide op in Washington Heights, vlak bij Harlem. Muziek zat al vroeg in zijn leven: zijn familie zong gospel en Frankie zong zelf ook in de kerk.
In 1954 kwam hij in contact met een plaatselijke vocal group. Die groep veranderde verschillende keren van naam en zou uiteindelijk uitgroeien tot The Teenagers. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Frankie Lymon – leadzang
Herman Santiago
Jimmy Merchant
Sherman Garnes
Joe Negroni
Ze zongen veel op straat en in de buurt van 165th Street en Amsterdam Avenue in New York.
⭐ "Why Do Fools Fall in Love"
Het grote moment kwam in 1955. Herman Santiago en Jimmy Merchant hadden samen met de groep gewerkt aan een nummer dat aanvankelijk "Why Do Birds Sing So Gay?" heette.
Tijdens een auditie bij producer George Goldner kon Santiago niet optreden. De jonge Frankie stapte naar voren en zong de lead. Goldner was onder de indruk van zijn uitzonderlijk hoge stem en besloot de groep op te nemen. Het nummer werd omgedoopt tot "Why Do Fools Fall in Love".
De plaat verscheen in januari 1956 op Gee Records en werd onmiddellijk een enorme hit:
Hitlijst Hoogste positie
Billboard R&B #1
Billboard Pop #6
Verenigd Koninkrijk #1
De plaat stond bovendien vijf weken bovenaan de Amerikaanse R&B-lijst.
Het bijzondere was dat de leadzanger nog maar 13 jaar oud was.
🎶 De typische Frankie Lymon-sound
Wat de Teenagers zo bijzonder maakte, was het contrast tussen de stemmen. Frankie zong met zijn extreem hoge tenor boven de harmonieën van de andere jongens.
Je hoort:
hoge leadzang + close harmony + basstem + handclaps + eenvoudige rock-'n-roll-beat
Dat werd een blauwdruk voor veel latere vocal groups.
Zijn stijl had invloed op latere groepen en zangers in de soul, R&B, pop en rock. Zijn hoge zangstijl wordt bijvoorbeeld vaak in verband gebracht met de ontwikkeling van de vocal-group sound die later bij groepen als The Temptations en andere soulacts te horen was.
📻 Andere belangrijke Teenagers-platen
Na "Why Do Fools Fall in Love" volgden verschillende mooie doo-wopklassiekers:
I Want You to Be My Girl – 1956
I Promise to Remember – 1956
Who Can Explain? – 1956
The ABC's of Love – 1956
I'm Not a Juvenile Delinquent – 1956
Teenage Love – 1957
Out in the Cold Again – 1957
Goody Goody – 1957
"I Want You to Be My Girl" werd opnieuw een grote hit en bereikte nummer 13 op de Amerikaanse poplijst.
🇬🇧 Ook populair in Engeland
Frankie Lymon & the Teenagers waren niet alleen in Amerika populair. "Why Do Fools Fall in Love" bereikte nummer 1 in Groot-Brittannië. De groep trad onder andere op in het London Palladium en maakte deel uit van de grote rock-'n-rollshows van DJ Alan Freed.
💿 Frankie als soloartiest
In 1957 werd Frankie uit de groep gehaald en begon hij aan een solocarrière. Hij nam platen op voor Roulette Records.
Onder zijn solowerk vinden we onder andere:
My Girl
Little Girl
Thumb Thumb
Portable on My Shoulder
Buzz Buzz Buzz
Little Bitty Pretty One
Jailhouse Rock
Silhouettes
I Put the Bomp
Zijn solocarrière wist echter niet het enorme succes van de Teenagers te evenaren.
⚠️ Een tragisch einde
Het verhaal van Frankie Lymon kreeg helaas een zeer donkere wending. De enorme roem op zo'n jonge leeftijd, de overgang naar een volwassen artiestenleven en problemen met drugs hadden grote gevolgen.
Frankie Lymon overleed op 28 februari 1968, slechts 25 jaar oud, aan een overdosis.
Hij had daardoor maar ongeveer twaalf jaar in de muziekindustrie gezeten, maar zijn invloed op de ontwikkeling van doo-wop en vroege rock-'n-roll was enorm.
"Why Do Fools Fall in Love" werd na Frankie Lymons dood nog verschillende keren opnieuw opgenomen. Onder andere The Diamonds, The Beach Boys en Diana Ross brachten succesvolle versies uit. Diana Ross had in 1981 een grote hit met haar versie.


Johnny Maestro & the Brooklyn Bridge
Johnny Maestro & The Brooklyn Bridge
Johnny Maestro & The Brooklyn Bridge is een bijzonder belangrijke groep als je kijkt naar de overgang van doo-wop en rhythm & blues naar de popmuziek van eind jaren zestig. De groep werd in 1968 opgericht rond zanger Johnny Maestro en werd vooral bekend door de grote hit “The Worst That Could Happen”.
Johnny Maestro
Johnny Maestro werd geboren als John Peter Mastrangelo op 7 mei 1939 in New York. Hij begon al in de jaren vijftig als zanger bij de beroemde doo-wopgroep The Crests.
Met The Crests zong hij in 1958 de klassieker “16 Candles”, die de tweede plaats van de Amerikaanse Billboard Hot 100 bereikte. Andere bekende nummers waren “Step by Step”, “The Angels Listened In”, “Six Nights a Week” en “Trouble in Paradise”.
Daarmee was Maestro dus al een gevestigde naam voordat The Brooklyn Bridge überhaupt bestond.
Van The Del-Satins naar The Brooklyn Bridge
In de jaren zestig kwam Maestro bij The Del-Satins terecht. Deze groep was onder meer bekend als begeleidingsgroep van Dion.
In 1968 werden The Del-Satins samengevoegd met de Long Island-groep The Rhythm Method. Uit deze combinatie ontstond een grote, elfkoppige groep: The Brooklyn Bridge.
De bezetting was opvallend omdat er zowel zangers als een complete instrumentale sectie in zaten. Tot de oorspronkelijke leden behoorden onder anderen:
Johnny Maestro – leadzang
Fred Ferrara – zang
Les Cauchi – zang
Mike Gregorio – zang
Richie Macioce – gitaar
Jimmy Rosica – bas
Carolyn Wood – orgel
Shelly Davis – trompet
Joe Ruvio – saxofoon
Artie Cantanzarita – drums
Tommy Sullivan – muzikale leiding/arrangementen
Het resultaat was een interessante combinatie van doo-wop-harmonieën, pop, soul, R&B en blazers.
“The Worst That Could Happen”
Hun grote doorbraak kwam met “The Worst That Could Happen”, geschreven door Jimmy Webb.
Het nummer was eerder opgenomen door The Fifth Dimension, maar de versie van Johnny Maestro & The Brooklyn Bridge werd een enorme hit. In 1968/69 bereikte de single nummer 3 in de Billboard Hot 100 en werd het een gouden plaat.
Het is eigenlijk een prachtig voorbeeld van de verandering die rond 1968/1969 in de Amerikaanse popmuziek plaatsvond: de oude doo-wop-zanger Johnny Maestro zingt een modern, dramatisch popnummer, terwijl de groep daar grote vocale harmonieën en een uitgebreid arrangement omheen bouwt.
Andere bekende nummers
Na hun grote succes kwamen er verschillende andere singles:
“Blessed Is the Rain” – 1969
“Welcome Me Love” – 1969
“Your Husband, My Wife” – 1969
“You'll Never Walk Alone” – 1969
“Down by the River” – 1970
“Free as the Wind” – 1970
“Day Is Done” – 1970
Geen van deze nummers wist het enorme succes van “The Worst That Could Happen” helemaal te evenaren.
Albums
Het debuutalbum Brooklyn Bridge verscheen rond de jaarwisseling 1968/69 op Buddah Records. Het bevatte naast “The Worst That Could Happen” onder andere “Blessed Is the Rain”, “Welcome Me Love”, “Which Way to Nowhere” en een versie van “Piece of My Heart”.
Daarna verschenen onder andere:
The Second Brooklyn Bridge – 1969
The Brooklyn Bridge – 1970
Day Is Done – 1970
Bridge in Blue – 1972
De groep bleef daarna vooral als live-act actief.
Een bijzonder aspect: de oude doo-wop bleef aanwezig
Hoewel The Brooklyn Bridge vaak als popgroep wordt gezien, bleef de achtergrond van Johnny Maestro duidelijk hoorbaar.
Maestro had zijn carrière immers opgebouwd met The Crests, terwijl verschillende andere Brooklyn Bridge-leden afkomstig waren uit de New Yorkse vocale-groepenscene. Daardoor bleven de meerstemmige zang en de typische harmonieën een belangrijk onderdeel van het geluid.
Dat maakt The Brooklyn Bridge interessant voor liefhebbers van doo-wop: je hoort eigenlijk de jaren 50 terugkomen in een productie die helemaal thuishoort in de late jaren 60.
Johnny Maestro na 1970
Maestro bleef tientallen jaren optreden met verschillende versies van The Brooklyn Bridge. Ook toen de oorspronkelijke bezetting langzaam veranderde, bleef zijn stem het herkenbare middelpunt.
In 2005 werd The Brooklyn Bridge opgenomen in de Vocal Group Hall of Fame; in 2006 volgde opname in de Long Island Music and Entertainment Hall of Fame.
Johnny Maestro overleed op 24 maart 2010, 70 jaar oud, in Florida.
The Majors
The Majors – de geschiedenis
The Majors ontstonden rond 1959 in Philadelphia. De groep gebruikte aanvankelijk de naam The Premiers. Omdat er al een groep met die naam op het betreffende platenlabel zat, namen ze voor hun eerste plaat de naam The Versatiles aan. In 1960 verschenen onder die naam onder andere “Lundee Dundee” en “I’ll Whisper in Your Ear”.
Rond 1961/1962 kwamen ze opnieuw bij elkaar en gingen ze verder als The Majors. De bezetting bestond onder meer uit:
Ricky Cordo – leadzang
Eugene Glass
Frank Troutt
Ronald Gathers
Idella Morris
Idella Morris was de enige vrouw in de groep. Opvallend is dat juist Ricky Cordo de zeer hoge falsetto zong. Zijn stem was zo hoog dat luisteraars soms dachten dat Idella Morris de leadzang deed.
“A Wonderful Dream”
De grote plaat van The Majors werd “A Wonderful Dream”, uitgebracht in 1962 op Imperial Records.
De producer was Jerry Ragovoy, een belangrijke figuur in de ontwikkeling van de Philadelphia R&B- en soulscene. Hij zag dat Cordo's uitzonderlijk hoge stem de groep een eigen geluid gaf.
“A Wonderful Dream” werd een behoorlijke Amerikaanse hit:
#22 Billboard Hot 100
#23 Billboard R&B
1962
Imperial Records 5855
Het nummer is interessant omdat je er nog duidelijk doo-wop-harmonieën in hoort, maar tegelijkertijd al de veel gepolijster klinkende pop/R&B van de vroege jaren zestig. De hoge falsetto van Cordo maakt de opname direct herkenbaar.
Andere platen
Na het succes van “A Wonderful Dream” volgden verschillende singles, waaronder:
“She's a Troublemaker” – 1962
“A Little Bit Now (A Little Bit Later)”
“Anything You Can Do” – 1963
“Tra La La” – 1963
“One Happy Ending” – 1963
“Your Life Begins (At Sweet Sixteen)” – 1963
“I'll Be There (To Bring You Love)” – 1964
De groep wist daarna echter geen nieuwe grote hit van het formaat van “A Wonderful Dream” meer te behalen.
Interessant voor doo-wopverzamelaars
Voor verzamelaars is vooral de overgang Premiers → Versatiles → Majors interessant. De vroege Versatiles 45 uit 1960 is behoorlijk gezocht. De nummers “Lundee Dundee” en “I’ll Whisper in Your Ear” worden door verzamelaars gezien als bijzondere vroege voorbeelden van de groep.
Er bestaat bovendien een compilatie waarop het vroege materiaal en de opnamen uit de eerste Majors-periode zijn samengebracht, waaronder “A Wonderful Dream”, “Anything You Can Do”, “Tra La La” en “One Happy Ending”.
Waarom zijn The Majors belangrijk?
The Majors zijn vooral interessant omdat ze precies op een keerpunt in de Amerikaanse zwarte popmuziek zaten. Hun muziek begon bij de straatgerichte harmonieën van doo-wop, maar schoof richting de vroege Philly soul en commerciële pop.
En de invloed van hun geluid is opvallend: de hoge falsetto van Ricky Cordo vormde een vroege voorloper van de hoge-tenorstijl die later zo belangrijk werd in Philadelphia, onder andere bij zangers als Eddie Holman.
Kort samengevat: The Majors waren een Philadelphia vocal group met een zeer karakteristieke hoge falsetto van Ricky Cordo. Hun grootste moment was “A Wonderful Dream” uit 1962, een Top 30-hit die mooi laat horen hoe doo-wop zich ontwikkelde richting soul en pop.


Barry Mann
🎹 Barry Mann
Barry Mann werd geboren als Barry Imberman op 9 februari 1939 in Brooklyn, New York. Hij leerde al jong piano spelen en kon als kind populaire liedjes op gehoor naspelen. Aanvankelijk studeerde hij architectuur, maar na een zomer als zanger in de Catskills koos hij definitief voor de muziek.
Zijn eerste grote succes als songwriter kwam in 1959 met:
The Diamonds – "She Say (Oom Dooby Doom)"
Dat nummer is bijzonder interessant vanuit doo-wopperspectief: de titel en de klank spelen duidelijk met de nonsenslettergrepen en vocale stijl die zo kenmerkend waren voor de doo-wopperiode. Het nummer werd een Top 20-hit.
💿 Barry Mann als zanger
Mann was niet alleen songwriter. In 1961 had hij zelf een grote hit met:
"Who Put the Bomp (In the Bomp, Bomp, Bomp)"
Hij schreef het nummer samen met Gerry Goffin. Het was eigenlijk een humoristische knipoog naar de doo-wopcultuur: allerlei typische klanken als bomp, bomp, bomp en ba-bomp-a-bomp worden onderdeel van het lied.
Het nummer bereikte de Amerikaanse Top 40 en werd later een echte oldiesklassieker.
Voor een radioprogramma over doo-wop is dit dus een heel leuk brugnummer tussen de klassieke doo-wop en de Brill Building-pop.
✍️ Barry Mann & Cynthia Weil
De belangrijkste samenwerking in zijn carrière was met Cynthia Weil. Ze ontmoetten elkaar bij Aldon Music, het bedrijf van Don Kirshner en Al Nevins dat gevestigd was in het beroemde Brill Building in New York.
Mann schreef voornamelijk de melodieën, terwijl Weil de teksten schreef. Ze trouwden in 1961 en vormden vervolgens een van de succesvolste songwritingteams uit de Amerikaanse muziekgeschiedenis.
Andere bekende Brill Building-teams waren onder meer:
Gerry Goffin & Carole King
Neil Sedaka & Howard Greenfield
Jeff Barry & Ellie Greenwich
Jerry Leiber & Mike Stoller
⭐ Een indrukwekkende lijst hits
Barry Mann en Cynthia Weil schreven of co-schreven onder andere:
The Crystals – "Uptown"
The Drifters – "On Broadway"
The Righteous Brothers – "You've Lost That Lovin' Feeling"
The Animals – "We Gotta Get Out of This Place"
The Drifters – "On Broadway"
The Crystals – "He's Sure the Boy I Love"
The Ronettes – "Walking in the Rain"
Paul Revere & the Raiders – "Kicks"
Eydie Gormé – "Blame It on the Bossa Nova"
The Righteous Brothers – "Soul and Inspiration"
Dolly Parton – "Here You Come Again"
James Ingram – "Just Once"
Linda Ronstadt & Aaron Neville – "Don't Know Much"
"Somewhere Out There" uit An American Tail.
📻 "You've Lost That Lovin' Feeling"
Het absolute hoogtepunt is waarschijnlijk "You've Lost That Lovin' Feeling", geschreven door Barry Mann, Cynthia Weil en Phil Spector.
De versie van The Righteous Brothers uit 1964/65 werd een enorme klassieker. Volgens de Rock & Roll Hall of Fame werd het nummer het meest gedraaide nummer uit de twintigste eeuw; de officiële Mann-Weil-biografie vermeldt meer dan 14 miljoen geregistreerde radio-airplays.
🏆 Erkenning
Mann en Weil werden in 1987 opgenomen in de Songwriters Hall of Fame. In 2010 volgde hun opname in de Rock & Roll Hall of Fame. In 2011 ontvingen ze gezamenlijk de prestigieuze Johnny Mercer Award, een van de hoogste onderscheidingen van de Songwriters Hall of Fame.
The Marcels
The Marcels – een van de opvallendste doo-wopgroepen
The Marcels waren een Amerikaanse doo-wop- en rhythm-and-bluesgroep uit Pittsburgh, Pennsylvania, opgericht in 1959. Ze werden wereldberoemd door hun spectaculaire versie van “Blue Moon” uit 1961.
De oorspronkelijke bezetting
De eerste Marcels bestonden uit:
Cornelius “Nini” Harp – leadzang
Fred Johnson – bas
Ronald “Bingo” Mundy – tenor
Gene Bricker – tenor
Richard Knauss – bariton
Bijzonder voor die tijd was dat de groep racemixed was: drie zwarte en twee witte zangers.
De naam Marcels kwam van de zogenaamde marcel wave, een golvende haarstijl die in die jaren populair was.
⭐ “Blue Moon” – hun grote doorbraak
Het verhaal achter “Blue Moon” is prachtig voor een radioprogramma.
De Marcels waren in februari 1961 in New York voor een opnamesessie bij Colpix Records. Producer Stu Phillips wilde aanvankelijk dat ze “Heart and Soul” zouden opnemen, maar de groep kende dat nummer niet goed. Daarom werd gekozen voor “Blue Moon”.
Het bijzondere intro kwam eigenlijk uit een ander nummer: “Zoom” van The Collegians. Bassist Fred Johnson zette dat karakteristieke geluid neer:
“Bomp-baba-bomp-ba-bomp…”
Daarna valt de groep in met “Blue Moon”. Het resultaat was totaal anders dan de oorspronkelijke romantische ballad. Het werd een razendsnelle, vrolijke en zeer herkenbare doo-wopversie.
En het nummer werd vrijwel onmiddellijk een enorme hit.
“Blue Moon” bereikte:
🇺🇸 #1 Billboard Hot 100
🇺🇸 #1 R&B
🇬🇧 #1 in Groot-Brittannië
meer dan één miljoen verkochte exemplaren
een gouden plaat
De opname werd zelfs opgenomen in de lijst “500 Songs That Shaped Rock and Roll” van de Rock & Roll Hall of Fame.
Een legendarische radio-anekdote
Een promotiemedewerker van Colpix liet de opname horen aan de beroemde New Yorkse dj Murray “the K” Kaufman.
Hij was er zo enthousiast over dat hij “Blue Moon” naar verluidt 26 keer tijdens één radioprogramma draaide. Dat hielp de plaat enorm bij het bereiken van een groot publiek.
Andere nummers
Na “Blue Moon” hadden The Marcels nog verschillende singles. De bekendste daarvan was:
“Heartaches” (1961) – deze bereikte zelfs nummer 7 in de Amerikaanse Billboard Hot 100.
Ook interessant voor een doo-wopprogramma zijn:
Summertime
My Melancholy Baby
Footprints in the Sand
Twistin' Fever
Friendly Loans
Lollipop Baby
That's All Right, Okay, You Win
Merry Twist-Mas
Goodbye to Love
De groep nam bovendien verschillende bekende oudere songs opnieuw op in hun eigen doo-wopstijl.
The Marcels in de film
In 1961 verschenen The Marcels in de rock-'n-rollfilm Twist Around the Clock, samen met onder anderen Dion en Chubby Checker.
Het einde van de oorspronkelijke groep
Het succes bracht ook veranderingen. In augustus 1961 verlieten Richard Knauss en Gene Bricker de groep. Zij werden vervangen door Allen Johnson, de broer van Fred Johnson, en Walt Maddox.
Daarna veranderde de bezetting meerdere keren. De groep bleef onder verschillende samenstellingen optreden en opnemen. In de jaren zeventig kwam er zelfs een korte reünie van oorspronkelijke leden.
Waarom zijn The Marcels zo belangrijk voor doo-wop?
The Marcels zijn interessant omdat ze lieten horen hoe je een oude popstandard volledig kon ombouwen tot rock-'n-roll en doo-wop. Hun succes kwam niet alleen door de melodie, maar vooral door:
basstem + vocale harmonieën + handclaps + ritme + nonsense-syllables + rock-'n-rolltempo.
“Blue Moon” klinkt daardoor bijna als een compleet nieuw nummer.
Leuke radioweetje: de oorspronkelijke opname van “Blue Moon” was in slechts twee takes klaar.


The Marvelettes
The Marvelettes – Motown met een vleugje doo-wop
The Marvelettes waren een Amerikaanse meidengroep uit Inkster, Michigan, die in 1961 doorbrak bij Motown. Hun muziek wordt meestal omschreven als early Motown, R&B, girl-group pop en soul, maar hun eerste werk heeft duidelijk kenmerken van doo-wop: meerstemmige zang, eenvoudige hooks, call-and-response en een jeugdige vocale stijl.
Het begin: de Casinyets
De groep ontstond op Inkster High School. Gladys Horton verzamelde meisjes uit de school om mee te doen aan een talentenjacht. De oorspronkelijke groep bestond uit onder anderen:
Gladys Horton – leadzang
Katherine Anderson
Georgeanna Tillman
Juanita Cowart
Georgia Dobbins
Ze noemden zichzelf aanvankelijk The Casinyets, een grapje gebaseerd op “can't sing yet”. Ze werden vierde bij de talentenjacht, maar een lerares vond hen goed genoeg om toch een auditie bij Motown te regelen.
Motown-baas Berry Gordy wilde echter eerst een eigen nummer horen. Georgia Dobbins werkte daarop samen met William Garrett aan “Please Mr. Postman”. Dobbins verliet de groep vervolgens en werd vervangen door Wanda Young. Motown veranderde daarna de groepsnaam in The Marvelettes.
“Please Mr. Postman” – een historische plaat
In augustus 1961 verscheen “Please Mr. Postman” op Tamla, een Motown-label. De plaat werd een enorm succes en bereikte in december 1961 de nummer 1 van de Billboard Hot 100.
Daarmee schreven The Marvelettes geschiedenis: “Please Mr. Postman” was de allereerste nummer 1-pophit voor Motown.
Het nummer heeft precies die overgang die voor jouw doo-wop-onderzoek interessant is: de harmonieën en zangstijl komen sterk uit de doo-wop- en R&B-traditie, terwijl de productie al duidelijk vooruitwijst naar de klassieke Motown Sound.
Waarom klinkt het als doo-wop?
Bij The Marvelettes hoor je onder andere:
vrouwelijke close harmony;
korte vocale antwoorden achter de leadzangeres;
eenvoudige, pakkende melodieën;
een sterke bas- en ritmesectie;
R&B-achtige zangfrasering;
een jeugdige girl-group uitstraling.
Daarom worden The Marvelettes ook in muziekhistorische bronnen naast Doo Wop, Early R&B, Girl Groups en Motown geplaatst.
Ze zijn dus een mooi voorbeeld van hoe klassieke doo-wop geleidelijk overging in de girl-group- en Motownsound van de vroege jaren zestig.
Andere belangrijke hits
Na “Please Mr. Postman” volgden verschillende grote hits:
Jaar Nummer Billboard Hot 100
1961 Please Mr. Postman #1
1962 Twistin' Postman #34
1962 Playboy #7
1962 Beechwood 4-5789 #17
1963 Locking Up My Heart #44
1963 Too Many Fish in the Sea #25
1967 Don't Mess With Bill #7
1967 The Hunter Gets Captured by the Game #13
1968 My Baby Must Be a Magician #17
Motown noemt onder meer “Playboy”, “Beechwood 4-5789”, “Too Many Fish in the Sea”, “Don't Mess With Bill” en “My Baby Must Be A Magician” als belangrijke platen uit hun carrière.
“Playboy”
Bijzonder is “Playboy” uit 1962. Het nummer werd geschreven door Gladys Horton, waarmee een van de Marvelettes zelf dus een belangrijke bijdrage aan hun repertoire leverde. Het bereikte nummer 7 in Amerika.
“Beechwood 4-5789”
Ook interessant voor muziekliefhebbers is “Beechwood 4-5789”, mede geschreven door een jonge Marvin Gaye. Het werd opnieuw een Top 20-hit.
The Beatles namen hen mee naar Europa
Een van de mooiste voorbeelden van de invloed van The Marvelettes is The Beatles. Zij namen “Please Mr. Postman” op voor hun album With The Beatles uit 1963. De Beatles-versie laat goed horen hoe Amerikaanse girl-group- en R&B-platen rechtstreeks invloed hadden op de Britse beatmuziek.
Later werd het nummer opnieuw een enorme hit voor The Carpenters: hun versie bereikte in 1975 zelfs opnieuw nummer 1 in Amerika.
De bezetting veranderde
De oorspronkelijke Marvelettes waren:
Gladys Horton – Katherine Anderson – Georgeanna Tillman – Juanita Cowart – Wanda Young
In de loop van de jaren veranderde de bezetting. Juanita Cowart, Georgeanna Tillman en later Gladys Horton verlieten de groep; Ann Bogan werd onder meer toegevoegd. Wanda Young werd uiteindelijk een belangrijke leadzangeres binnen de groep.
De groep bleef nog tot het einde van de jaren zestig platen maken en werd uiteindelijk rond 1970 ontbonden.
The Marvelows
The Marvelows – doo-wop en soul uit Chicago
The Marvelows waren een Amerikaanse vocale groep uit Chicago Heights, Illinois, die eind jaren vijftig werd opgericht. Hun muziek bevindt zich precies op het interessante kruispunt van doo-wop, rhythm & blues en vroege soul.
🎤 Het ontstaan
De groep ontstond rond 1959. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Melvin Mason
Frank Paden – bas
Johnny Paden – tenor en leadzang
Willie “Sonny” Stephenson – tenor
Jesse Smith
Daarvoor traden ze korte tijd op onder de naam The Mystics, maar om verwarring met andere groepen te voorkomen veranderden ze hun naam in The Marvelows.
Een belangrijke persoon in hun carrière was Johnny Pate, die bij ABC/Paramount als A&R-man werkte. Via Pate kregen de Marvelows een platencontract.
⭐ “I Do” – hun grote klassieker
Hun bekendste nummer is zonder twijfel “I Do”, uitgebracht in 1965 op ABC-Paramount.
Het leuke verhaal achter deze plaat is dat “I Do” oorspronkelijk helemaal niet bedoeld was als hit. De groep gebruikte het nummer als een soort vocale warming-up voordat ze gingen zingen. Uiteindelijk werd besloten het op te nemen – en dat bleek een gouden beslissing.
De plaat bereikte:
#7 – Billboard R&B
#37 – Billboard Hot 100
Top 40 in de Amerikaanse pophitlijst.
Het nummer heeft een vrolijk, stuwend ritme en veel herhaalde vocale “do-do-do”-figuren. Daardoor klinkt het sterk als klassieke doo-wop, maar de productie en het ritme zijn duidelijk verbonden met de soul van het midden van de jaren zestig.
🎶 Is “I Do” echt doo-wop?
Dat is een interessante discussie.
Strikt genomen kwam “I Do” uit in 1965, toen de klassieke doo-wopperiode van de jaren vijftig grotendeels voorbij was. Toch gebruikt het nummer duidelijk de belangrijkste kenmerken van doo-wop:
meerstemmige zang
vocale achtergrondpartijen
herhaalde lettergrepen
een leadzanger met antwoordende achtergrondzang
een eenvoudige romantische tekst
een sterk gevoel voor groepsharmonie
Daarom wordt The Marvelows vaak gezien als een overgangsgroep tussen doo-wop en soul. Apple Music omschrijft “I Do” eveneens als een soort terugblik op de doo-wopperiode van het voorgaande decennium.
💿 Andere nummers
Voor liefhebbers van doo-wop zijn ook deze opnamen interessant:
“A Friend”
“My Heart”
“Hey Hey Baby”
“Your Little Sister”
“The Shim Sham”
“Fade Away”
“You're Breaking My Heart”
“Wait Be Cool”
“In the Morning”
De eerste vier nummers werden opgenomen voor ABC/Paramount; “I Do” werd daarvan de grote uitschieter.
The Mighty Marvelows
Later veranderden ze hun naam in The Mighty Marvelows. Dat gebeurde om verwarring te voorkomen met de eveneens bestaande groep The Marvellos.
In 1966 verliet Jesse Smith de groep en werd hij vervangen door Andrew Thomas. Als The Mighty Marvelows hadden ze in 1968 nog een R&B-hitje met “In the Morning”, dat nummer 24 op de R&B-lijst bereikte.
In 1968 verscheen ook het album The Mighty Marvelows.
Een jaar later, in 1969, viel de groep uiteen. In 1974 was er nog een korte reünie.
🎸 De invloed van “I Do”
“I Do” kreeg later een tweede leven dankzij The J. Geils Band. Zij namen het nummer op en brachten het opnieuw uit; hun liveversie bereikte in 1982 zelfs nummer 24 van de Billboard Hot 100, hoger dan het origineel van The Marvelows.
Kort samengevat: The Marvelows waren geen typische jaren-50-doowopgroep, maar juist een interessante late doo-wop/soulgroep uit Chicago. Hun “toevallige” warming-upnummer “I Do” maakte hen in 1965 beroemd en groeide uit tot een van de herkenbaarste vocale soulplaten uit die periode.


Marvin & Johnny
Marvin & Johnny is een bijzonder duo binnen de vroege doo-wop, vooral omdat “Johnny” eigenlijk geen vaste persoon was. Dat maakt hun geschiedenis wat ingewikkelder dan die van bijvoorbeeld The Marcels of The Jive Five.
Marvin & Johnny – het verhaal
Marvin & Johnny ontstond in Los Angeles en was actief vanaf het begin van de jaren vijftig. De centrale figuur was Marvin Phillips, geboren op 23 oktober 1931 in Guthrie, Oklahoma. Hij was zanger én saxofonist en speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de West Coast R&B.
Het opmerkelijke is dat Marvin Phillips steeds verschillende zangers de naam “Johnny” gaf. Emory “Johnny” Perry was uiteindelijk de belangrijkste en langst verbonden partner, maar er waren ook andere zangers die als Johnny opnamen maakten.
De eerste belangrijke samenwerking: Jesse Belvin
Voordat Marvin & Johnny echt vorm kreeg, werkte Phillips samen met Jesse Belvin. Onder de naam Jesse & Marvin namen zij in 1952 Dream Girl op voor Specialty Records.
Dat werd een behoorlijke R&B-hit en bereikte hoge posities in de R&B-hitlijsten. Belvin en Phillips hadden daarmee al laten horen hoe sterk hun stemmen bij elkaar pasten.
Belvin ging vervolgens zijn eigen weg, maar zou later opnieuw als “Johnny” naast Phillips verschijnen.
Emory “Johnny” Perry
De belangrijkste “Johnny” was Emory Perry. Phillips en Perry hadden elkaar al rond 1949 leren kennen toen ze allebei saxofonist waren bij de Richard Lewis Band in Los Angeles.
Perry was niet alleen zanger; hij kon ook saxofoon spelen. Dat hoor je terug in verschillende opnamen van Marvin & Johnny.
Met Perry ontstond de combinatie die we tegenwoordig het sterkst met de naam Marvin & Johnny associëren.
Specialty Records
In 1953 kwamen Marvin & Johnny bij Specialty Records terecht.
Een belangrijke vroege plaat was:
“Baby Doll” / “I'm Not A Fool” – 1953
Daarna volgden onder andere:
“Jo Jo”
“How Long She Been Gone”
“School of Love”
“Boy Loves Girl”
“Day In – Day Out”
De platen laten mooi horen hoe de muziek zich ontwikkelde van stevige West Coast R&B richting vroege doo-wop.
De overstap naar Modern Records
In juli 1954 tekenden Marvin & Johnny bij Modern Records, het label van de gebroeders Bihari. Daar kwam hun bekendste single vandaan:
🎵 “Tick Tock” / “Cherry Pie” – Modern 933
“Tick Tock” werd de grote hit en bereikte ongeveer de 9e plaats op de R&B-hitlijst. De plaat maakte van Marvin & Johnny een veel bekendere act en zorgde ervoor dat ze buiten Los Angeles konden gaan optreden.
Het mooie is dat de twee kanten van de single eigenlijk heel verschillend zijn.
“Tick Tock” is een veel steviger, bijna rock-'n-rollachtige R&B-plaat, met prominent piano- en saxofoonwerk.
“Cherry Pie” is daarentegen een langzamere, romantische vocale plaat.
En juist die B-kant werd uiteindelijk misschien wel hun bekendste opname.
🍒 “Cherry Pie”
“Cherry Pie” werd in 1954 oorspronkelijk opgenomen door Marvin & Johnny en geschreven door Joe Josea. Het nummer was aanvankelijk de B-kant van Tick Tock.
Jaren later kreeg het nummer een tweede leven.
In 1960 namen Skip & Flip het opnieuw op. Hun versie bereikte:
#11 Billboard Hot 100
#27 R&B
en werd een veel grotere commerciële hit dan het oorspronkelijke exemplaar van Marvin & Johnny.
Dat maakt Marvin & Johnny interessant voor verzamelaars: zij waren dus de oorspronkelijke uitvoerders van een nummer dat later een grotere hit werd in een andere uitvoering.
Waarom horen ze bij de doo-wop?
Marvin & Johnny waren geen typische straatgroep zoals sommige New Yorkse doo-wopgroepen.
Hun muziek komt sterk voort uit:
blues → jump blues → rhythm & blues → vroege doo-wop → rock-'n-roll
Hun zang heeft die typische korrelige West Coast-klank. De harmonieën zijn vaak eenvoudiger en ruwer dan bij de latere, meer gepolijste doo-wopgroepen. Spotify omschrijft hun muziek eveneens als een belangrijke overgang tussen West Coast jump blues, R&B en de vroege doo-wop.
Daarom zou ik ze voor jouw doo-wop-overzicht vooral zien als pioniers van de vroege West Coast doo-wop/R&B.
En wie was dan precies “Johnny”?
Dit is misschien wel het leukste stukje geschiedenis.
Marvin Phillips gebruikte de naam Marvin & Johnny als een soort groepsnaam, terwijl verschillende zangers de rol van Johnny konden vervullen. Onder anderen:
Emory Perry
Carl Green
Jesse Belvin
andere zangers die bij verschillende sessies betrokken waren
De uitgebreide discografische research van Marv Goldberg laat zelfs zien dat sommige platen die als Marvin & Johnny werden uitgebracht niet altijd simpelweg een opname van Marvin Phillips + één vaste partner waren.
Daarom moet je bij het samenstellen van een nauwkeurige Marvin & Johnny-discografie eigenlijk per plaat bekijken wie er daadwerkelijk zingt.
Meghan Trainor
Meghan Trainor
Meghan Trainor is een Amerikaanse zangeres, songwriter en muzikante, geboren op 22 december 1993 in Nantucket, Massachusetts. Ze brak in 2014 wereldwijd door met “All About That Bass”, een vrolijke popsong met duidelijke invloeden uit doo-wop, jaren-50/60-pop en bubblegum pop.
🎤 Haar doorbraak: All About That Bass
“All About That Bass” verscheen in 2014 en werd een enorme internationale hit. Het nummer is vooral interessant voor liefhebbers van oude muziek omdat Trainor bewust elementen uit de doo-woptraditie gebruikte. De combinatie van een moderne popproductie met ouderwetse achtergrondzang, een eenvoudige melodie en een retro uitstraling maakte het nummer herkenbaar.
Trainor schreef het nummer samen met Kevin Kadish. Volgens Trainor kwam de uiteindelijke song heel snel tot stand: tijdens de schrijfsessie werd in korte tijd de basis gelegd voor de hit.
De tekst draait vooral om zelfacceptatie en lichaamsbeeld. Het nummer kreeg daarvoor veel waardering, hoewel er ook kritiek was op sommige teksten over vrouwen met verschillende lichaamstypes. Trainor heeft zelf aangegeven dat de boodschap vooral bedoeld was om mensen aan te moedigen zichzelf te accepteren.
🏆 Grammy Award
Het succes bleef niet beperkt tot de hitlijsten. “All About That Bass” kreeg nominaties voor Record of the Year en Song of the Year bij de Grammy Awards van 2015.
In 2016 won Trainor de Grammy voor Best New Artist.
💿 Belangrijkste albums
Haar debuutalbum Title verscheen in 2015 en kwam in de Amerikaanse albumlijst binnen op nummer 1. Naast “All About That Bass” bevatte het onder andere:
“Lips Are Movin”
“Dear Future Husband”
“Like I'm Gonna Lose You” – met John Legend
“Title”
Het album leverde haar een tweede grote succesperiode op.
Daarna volgden onder andere:
Thank You – 2016
Treat Myself – 2020
A Very Trainor Christmas – 2020
Takin' It Back – 2022
Timeless – 2024
🎶 Nog een grote hit: Marvin Gaye
Een andere belangrijke hit was “Marvin Gaye”, samen met Charlie Puth. Het nummer bereikte de eerste plaats in het Verenigd Koninkrijk.
Ook “Made You Look” uit 2022 werd opnieuw een grote internationale hit. Het nummer verscheen op Takin' It Back en groeide mede dankzij sociale media uit tot een enorme hit.
📻 Interessant voor jouw doo-wopprogramma
Voor jouw onderzoek naar doo-wop is Meghan Trainor eigenlijk een leuke moderne artiest om erbij te zetten. Ze is geen traditionele doo-wopzangeres uit de jaren 50, maar gebruikt het genre duidelijk als inspiratie.
Bij “All About That Bass” hoor je bijvoorbeeld:
moderne pop → + doo-wopachtige achtergrondzang → + jaren-50/60-retrogevoel → + moderne beat/productie.
Trainor vertelde bovendien dat haar muzikale smaak al vroeg werd beïnvloed door doo-wop, naast reggae, soca en kaiso.
Dat maakt haar interessant als voorbeeld van hoe de oude doo-wopstijl via moderne popmuziek opnieuw bij een jong publiek terechtkwam.


The Mello-Kings
The Mello-Kings – klassieke New Yorkse doo-wop
The Mello-Kings waren een Amerikaanse doo-wopgroep uit Mount Vernon, New York, die vooral bekend werd door de klassieker “Tonite, Tonite” uit 1957. Hoewel ze landelijk eigenlijk maar één grote hit hadden, groeide dat nummer uit tot een van de geliefdste oldies uit de doo-wopperiode.
🎤 Het ontstaan
De groep ontstond in 1956 op een middelbare school in Mount Vernon. De oorspronkelijke bezetting bestond uit:
Bob Scholl – tenor en leadzang
Jerry Scholl – hoge tenor
Eddie Quinn – tweede tenor
Neil Arena – bariton
Larry Esposito – bas
Ze begonnen onder de naam The Mellotones. Pianist en arrangeur Dick Levister ontdekte de groep en werd hun manager. Via Levister kwamen ze terecht bij Herald Records, een belangrijk onafhankelijk platenlabel uit New York.
De naam moest vervolgens worden veranderd omdat er al een andere groep met de naam Mellotones bestond. Zo ontstonden de Mello-Kings.
⭐ “Tonite, Tonite”
Hun grote moment kwam in 1957 met:
“Tonite, Tonite”
Het nummer werd geschreven door Billy Myles, een songwriter die voor Herald Records werkte. De plaat werd vooral in het noordoosten van de Verenigde Staten een grote regionale hit en bereikte uiteindelijk nummer 77 in de Amerikaanse poplijst.
Interessant is dat het nummer tegenwoordig veel belangrijker wordt gevonden dan de oorspronkelijke hitnotering doet vermoeden. “Tonite, Tonite” is uitgegroeid tot een echte doo-wop evergreen en staat op talloze compilaties.
De typische ingrediënten zijn duidelijk hoorbaar: een romantische leadzang, zachte achtergrondharmonieën en het kenmerkende “ooh-wah”-achtige groepsgeluid van de late jaren vijftig.
📻 Bekend op televisie
Het succes bracht de Mello-Kings ook op televisie. Ze traden onder meer op in programma's rond Dick Clark, waaronder American Bandstand. Ze gingen daarnaast mee op zogenaamde package tours met bekende groepen uit de doo-wop- en R&B-scene, waaronder The Channels, The Dells, The Flamingos en The Spaniels.
💿 Andere belangrijke nummers
Hoewel “Tonite, Tonite” hun bekendste opname bleef, maakten ze behoorlijk wat mooie platen:
Jaar Nummer
1957 Tonite, Tonite
1957 The Chapel on the Hill
1957 Baby Tell Me Why, Why, Why
1958 Valerie
1958 She's Real Cool
1959 Chip Chip
1959 Running to You
1960 Our Love Is Beautiful
1960 Kid Stuff
1961 Penny
1961 Love at First Sight
1962 But You Lied
1962 Walk Softly
Vooral “Valerie” is interessant voor verzamelaars: het werd geen grote nationale hit, maar groeide uit tot een geliefde New Yorkse regionale doo-wopplaat.
🎬 The Mello-Kings in Sweet Beat
De groep verscheen ook in de film Sweet Beat uit 1959. Beelden van de groep met “Tonite, Tonite” werden in de film gebruikt.
🔄 Personeelswisselingen
Na de eerste succesvolle periode veranderde de bezetting verschillende keren. Neil Arena en later Larry Esposito verlieten de groep. Louis Jannacone en Tony Pinto kwamen erbij.
In de jaren zestig bleven verschillende formaties van de Mello-Kings actief. De groep bleef daardoor veel langer bestaan dan hun ene grote hit zou doen vermoeden.
🕺 De revival van de jaren 60 en 70
Toen de belangstelling voor oude rock-'n-roll en doo-wop eind jaren zestig weer toenam, kwamen de Mello-Kings opnieuw voor het voetlicht. Ze traden op tijdens revivalshows en bleven daarna nog vele jaren optreden.
Bob Scholl, de oorspronkelijke leadzanger, overleed op 27 augustus 1975 bij een bootongeluk. Zijn broer Jerry Scholl zette de groep voort en bleef tientallen jaren verbonden aan de Mello-Kings.
Jerry Scholl overleed in 2019. De naam Mello-Kings bleef daarna verbonden aan optredens en de doo-wop-revivalwereld.
🎙️ Waarom zijn ze belangrijk voor doo-wop?
De Mello-Kings zijn een mooi voorbeeld van een groep waarbij één plaat veel groter werd dan de oorspronkelijke hitnotering. “Tonite, Tonite” wordt door liefhebbers nog steeds gezien als een typisch voorbeeld van de romantische New Yorkse vocal-group sound van 1957.