
Wat is een Crooner?
De charme van Crooners
Crooners zijn artiesten die ballades en romantische nummers zingen, vaak met een gevoelige stem. Deze stijl van zingen heeft zijn oorsprong in de vroege twintigste eeuw en heeft een blijvende impact gehad op de muziekgeschiedenis. Crooners weten hun publiek te raken met hun emotionele interpretaties en unieke zangtechnieken, waardoor hun muziek ons nog steeds fascineert. Bij Delfshavenradio verkennen we de betekenis en invloed van crooners in onze uitzendingen. Ontdek samen met ons de tijdloze muziek van deze legendarische artiesten.
Informatie en de artiesten 1
Hier vindt u meer informatie over dit muziekgenre en de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Crooner
Een crooner is een zanger, die een ontspannen en intieme houding heeft en zingt met een zachte, lage stem. Vaak zijn de teksten wat sentimenteel.
Het Engelse werkwoord to croon is terug te vinden in kreunen (kermen, klagen) dat in het middeleeuws-Nederlands bestond als cronen.
Deze manier van zingen werd mogelijk met de uitvinding van de microfoon. Voor die tijd moest een zanger namelijk ver reiken met zijn stem. Daarvoor was een behoorlijke stemtechniek en een behoorlijk volume nodig. Met elektrische versterking konden ook zangers zonder een sterke, getrainde stem populaire artiesten worden. Vanaf de jaren 30 van de twintigste eeuw werd deze zangstijl populair, vooral in de Verenigde Staten, en hij bleef dat tot de jaren 60. Een bekend voorbeeld van een Nederlandse crooner is Lee Towers.

Paul Anka
Paul Albert Anka (Ottawa, 30 juli 1941) is een Canadese singer-songwriter, songwriter en filmacteur die sinds 1990 de Amerikaanse nationaliteit heeft.
Levensloop
Zijn ouders hadden een restaurant in Ottawa. Zijn vader was van Syrische en zijn moeder van Libanese afkomst. Anka zong in het koor van de Grieks-orthodoxe kerk, waarvan de dirigent hem muziektheorie bijbracht. Ook had hij pianoles. Op de middelbare school richtte hij met twee vrienden het trio The Bobby Soxers op.
In 1955, toen hij veertien was, nam hij zijn eerste single op, I Confess. In 1957 ging hij naar New York met 100 dollar die hij van zijn oom gekregen had. Hij kreeg er van Don Costa, de baas van de ABC-studio's, de kans om Diana op te nemen, waarmee hij in één klap beroemd werd. Het nummer schoot naar de hoogste top van de hitparade en ging negen miljoen keer over de toonbank. Ook zijn opvolgers werden hits en Anka werd een tieneridool.
Anka schreef ook hits voor anderen: It Doesn't Matter Anymore voor Buddy Holly, She's a Lady voor Tom Jones en de tekst van My Way (op de melodie van Comme d'habitude van Jacques Revaux) voor zijn goede vriend Frank Sinatra. Anka wordt ook wel een jongere versie van Frank Sinatra genoemd.
Hij begon ook te acteren. Een van zijn bekendste films is The Longest Day uit 1962 , waarvoor hij ook de titelsong schreef. Na enkele jaren zonder een hit zong hij een duet met Odia Coates in 1974: (You're) Having My Baby. In 2005 kreeg hij een ster op Canada's Walk of Fame.
Paul Anka treedt nog regelmatig op. Zo was hij in 2007 te zien en horen op het North Sea Jazz Festival in Rotterdam. Ook verscheen in dat jaar het dubbelalbum Classic Songs - My Way om zijn vijftigjarig jubileum in het vak te vieren. Op dit album brengt hij wederom jazzversies van bekende nummers, maar waar op Rock Swings rocknummers worden bewerkt, zijn het deze keer popklassiekers. Ook staan op het album duetten, zoals My Way met Bon Jovi en You Are My Destiny met Michael Bublé. Van de laatste heeft Anka het debuutalbum geproduceerd.
Paul Anka schreef samen met Michael Jackson ook diens nummer This Is It, dat in 2009 na Jacksons dood werd uitgebracht. In 2014 verscheen Love Never Felt So Good, een bewerkte vorm van het nummer dat Anka en Jackson in 1983 geschreven hebben.

Charles Aznavour
Charles Aznavour, pseudoniem van Chahnour Varinag Aznavourian (Armeens: Շահնուր Վաղինակ Ազնավուրյան), (Parijs, 22 mei 1924 – Mouriès, 1 oktober 2018) was een Franse zanger, componist, liedjesschrijver en acteur van Armeense afkomst, die vanaf 2008 ook de Armeense nationaliteit had.
Leven
Aznavour werd geboren in 1924 als zoon van Micha Aznavourian, een in Georgië geboren Armeniër en Knar Baghdassarian, een in Smyrna (nu İzmir) opgegroeide Armeense. Zijn ouders verbleven, in afwachting van een visum voor de Verenigde Staten, op doorreis in Parijs, maar vestigden zich in die stad na zijn geboorte. Zijn vader trad als zanger op in restaurants en opende later zelf een Kaukasisch restaurant.
Aznavour trouwde drie keer: in 1946 met Micheline Rugel, in 1956 met Evelyn Plessis en in 1967 met de meer dan 20 jaar jongere Zweedse Ulla Thorsell. Uit zijn huwelijken zijn vier kinderen geboren: Séda (1947), Katia (1969), Mischa (1972) en Nicolas (1977). Daarnaast had Aznavour een buitenechtelijke zoon Patrick (1951). Deze zoon overleed op 25-jarige leeftijd aan overmatig drugsgebruik.[bron?] Met zijn vrouw Ulla woonde hij zes maanden per jaar in Zuid-Frankrijk en de rest van het jaar in Genève in Zwitserland. In Saint-Sulpice, aan het Meer van Genève, lieten ze in 2012 een nieuw huis bouwen.
In december 2008 werd hem het Armeense staatsburgerschap toegekend.
Charles Aznavour overleed op 1 oktober 2018 op 94-jarige leeftijd.
Werk
Al vroeg introduceerden Aznavours artistieke ouders hem in de wereld van het theater. Op negenjarige leeftijd begon Chahnour (Charles) met acteren en dansen. In de jaren veertig vormde hij samen met Pierre Roche een muzikaal duo en spoedig koos hij de podiumnaam Aznavour.
Aznavour was een van de bekendste Franse zangers. Van hem zijn in de loop van zijn carrière 180 miljoen platen verkocht. Hij heeft opgetreden in Carnegie Hall en andere belangrijke zalen in de wereld. Hij wordt vaak omschreven als de 'Frank Sinatra van Frankrijk'. Hij bracht meer dan honderd albums uit en speelde in zestig films. Hij heeft meer dan duizend liederen en musicals geschreven waarvoor hij veelal zelf de muziek componeerde. Bijna al zijn liederen gaan over de liefde.
Zijn grote doorbraak kwam toen de zangeres Édith Piaf hem hoorde zingen en hem op tournee meenam door Frankrijk en de VS. Daarna ging de reis naar Quebec, waar het grote succes hem wachtte: veertig weken lang mocht hij in enkele clubs spelen, met elf shows per week. In 1953 brak Charles, beïnvloed door Piaf, met Roche.
In 2002 speelde Aznavour in de film Ararat, waarin hij Edward Saroyan, een filmregisseur, speelde.
In 2009 werd hij ambassadeur van Armenië in Zwitserland.
Aznavour zong in verschillende talen: Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans, Portugees, Russisch en Armeens. In 2017 nam hij, samen met de Algerijnse zanger Idir, bovendien een versie van La bohème in het Kabylisch op. Hij gaf zijn laatste concert op 19 september 2018 in Osaka, twee weken voor zijn dood.

Chet Baker
Chesney (Chet) Henry Baker jr. (Yale, Oklahoma, 23 december 1929 – Amsterdam, 13 mei 1988) was een Amerikaans trompettist en zanger.
Levensloop
Baker werd in 1929 geboren als zoon van Ierse ouders in het plaatsje Yale in Oklahoma. Hij ontwikkelde zich tot jazztrompettist en zoetgevooisde zanger. Baker heeft als kenmerk de zachte melancholieke toon die hij in zijn zang en spel op dezelfde manier gebruikt: "hij zingt zoals hij speelt".
Begin jaren vijftig was Baker een van de sterren van het Gerry Mulligan Quartet. Met het Chet Baker Quartet maakte hij westcoastjazz. Hij is een exponent van de cooljazzschool van de Amerikaanse westkust in de jaren vijftig. Vooral de platen waarop hij zowel trompet speelt als zingt maakten hem tot een idool. In 1955 gaf hij, toen hij voor het eerst in Europa tourde, concerten in het Concertgebouw en het Kurhaus. Zijn muzikale loopbaan was getekend door een heroïneverslaving. Hij werd een aantal keren opgepakt voor overtredingen van de narcoticawet. Nadat hij in elkaar was geslagen en zijn voortanden had verloren, stopte hij langere tijd met spelen.
Door zijn overmatig drugsgebruik, vroege dood en charismatische uitstraling staat Baker ook bekend als "de mooie jongen met wie het verkeerd afliep". Niettemin bleef hij musiceren, vaak op een zeer hoog niveau. In brede kring wordt de dubbel-cd Chet Baker in Tokyo (1987, Evidence Records) beschouwd als een van zijn beste live-albums. In de nacht van donderdag 12 op vrijdag 13 mei 1988 viel hij, waarschijnlijk onder invloed van drugs, uit een raam van het Hotel Prins Hendrik op de Prins Hendrikkade 55, nabij de hoek van de Warmoesstraat met de Zeedijk, te Amsterdam. Hij belandde met zijn achterhoofd op een stenen paaltje en overleed ter plekke. Baker werd 58 jaar oud. In Amsterdam zijn er twee eerbetonen:
het vernoemde in 1990 een straat naar hem;
Roman Zhuk maakte de Plaquette Chet Baker (1999)
Zijn eerste biografie werd geschreven door de Nederlandse auteur Jeroen de Valk: Herinneringen aan een lyrisch trompettist (Van Gennep, 1989). Het boek was verkrijgbaar in vijf talen (Duits, Engels, Hongaars, Japans, Nederlands). In 2017 verscheen een nieuwe Engelstalige editie, grondig geactualiseerd en uitgebreid: Chet Baker, his life and music (Uitgeverij Aspekt). Hierin zet de auteur een aantal wijdverspreide misverstanden recht; zo gebruikte Baker begin jaren vijftig al drugs, op het toppunt van zijn roem. Hij verloor bij het beruchte gevecht in 1966 maar één deel van één tand en speelde daarna nog enige tijd door, aanvankelijk op een zeer acceptabel niveau. Hij werd niet van de werkloosheid gered dankzij de veel aandacht trekkende film Let's Get Lost, aangezien hij er tot op het laatst een 'volle tournee- en opnameagenda' op nahield. Zijn spel was gewoonlijk geïnspireerder dan wat op de soundtrack is te horen. De Valk ontkracht tevens de 'indianenverhalen' rond Bakers overlijden.

Harry Belafonte
Harold George Belafonte (New York, 1 maart 1927 – aldaar, 25 april 2023) was een Amerikaans zanger en acteur. Hij kreeg de bijnaam "King of Calypso" omdat hij de calypsomuziek internationale bekendheid gaf. Hij werd bekend met zijn hit Banana Boat Song en zijn werk als Unicef-ambassadeur.
Levensloop
Belafonte werd met Bellanfanti als achternaam geboren in New York en groeide op in Harlem. Zijn geboortenaam was afkomstig van zijn Nederlands-joodse grootvader Belinfante, deze was naar de Caraïben geëmigreerd en later is de spelling bijgesteld tot Belafonte. Van 1935 tot 1940 woonde hij bij zijn grootmoeder in Jamaica. Na zijn terugkeer naar New York volgde Belafonte de George Washington High School. Vervolgens ging hij bij de Amerikaanse marine, waar hij diende tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aan het eind van de jaren veertig nam hij acteerlessen. Hij begon zijn carrière als jazzzanger in nachtclubs, waar ook muzikanten als Charlie Parker, Miles Davis en Max Roach actief waren. Met zijn goede vriend en gitarist Millard Thomas maakte hij zijn debuut in de Village Vanguard. Later raakte Belafonte steeds meer geïnteresseerd in de traditionele volksmuziek. In 1952 tekende hij een contract bij platenmaatschappij RCA Victor.
Belafonte was van 1948 tot 1957 getrouwd met psychologe Marguerite Byrd. Samen kregen zij twee dochters. In 1957 trouwde hij met actrice en danseres Julie Robinson. Zij kregen samen een zoon en een dochter. Na een huwelijk van 47 jaar gingen Belafonte en Robinson in 2004 uit elkaar. In april 2008 trouwde Belafonte voor de derde keer, nu met fotografe Pamela Frank.
Belafonte overleed aan hartfalen, op 25 april 2023, in zijn woonplaats New York.
Burgerrechten
Begin jaren vijftig was hij (een vroeg) lid van de burgerrechtenbeweging. Dit leidde tot een diepe en blijvende vriendschap met Martin Luther King. Toen Belafonte in 1968 een week lang talkshow-host mocht zijn bij The Tonight Show, stond hij erop dat King in die show te gast was. Toen Belafonte in 1968 in een tv-show van Petula Clark optrad, lachte Clark tijdens het zingen en raakte ze Belafontes arm aan. In die dagen was dit beeld erg uitzonderlijk op de Amerikaanse televisie. Vriendschappelijke aanrakingen tussen verschillende rassen waren 'not done'. Het leidde tot veel ongenoegen en protest bij de sponsor Plymouth Motors, niettemin ging de show door. Belafonte was in 1985 medeorganisator van het Live Aid-concert, alsook van We are the world van USA for Africa, waarbij We are the world een poging was van talloze artiesten om geld in te zamelen voor Afrika.
In 1987 werd hij benoemd tot goodwill-ambassadeur bij Unicef. Hij wijdde een lied aan King op zijn album "Belafonte '89, international version (1989)". Belafonte is bekend om zijn steun aan John Kennedy en aan Robert Kennedy. Tevens is hij bekend om zijn aversie tegen Colin Powell en Condoleezza Rice, die hij in 2002 als "huisslaven" bestempelde omdat ze niet in opstand kwamen tegen het besluit van George W. Bush om ten oorlog te trekken tegen Irak. In 2005 noemde hij zwarte republikeinen "tirannen" en vergeleek de leden van de Bush-regering met nazi's.
Belnem, Bonaire
Belafonte heeft vaak het eiland Bonaire bezocht. Samen met de ondernemer Maurice Neme uit Oranjestad had hij het plan opgevat om een luxe privé-wijk te stichten op Bonaire. Op 3 juni 1966 werd begonnen met de aanleg van Belnem, genoemd naar Belafonte en Neme. De wijk wordt beheerd door de Bel-Nem Caribbean Development Corporation waarvan Belafonte een van de eerste directeuren was. In 2021 telde Belnem 881 inwoners.
Latere leeftijd
De New Yorkse wijk Harlem heeft sinds zijn 90e verjaardag de Harry Belafontebibliotheek ('Harry Belafonte-115th Street Library').
Hij was in 2018 nog te zien in de film BlacKkKlansman; hij was toen de 90 al gepasseerd.

Tony Bennett
Tony Bennett, geboren als Anthony Dominick Benedetto (New York, 3 augustus 1926 – aldaar, 21 juli 2023), was een Amerikaans zanger, van zowel populaire muziek als jazz.
Zijn artistieke carrière duurde ruim zeventig jaar, met twintig Grammy Awards, waaronder een Lifetime Achievement Award in 2001, heeft hij een bijzonder respectabel palmares. Hij wordt beschouwd als de laatste grote crooner uit het gouden tijdperk van onder andere Frank Sinatra en Dean Martin, en was een vooraanstaand vertolker van het Great American Songbook.
Biografie
Reeds op tienjarige leeftijd trad hij op bij festiviteiten ter gelegenheid van de opening van Triborough Bridge in zijn geboorteplaats. Tot 1942 studeerde hij aan de High School of Industrial Art (met hoofdvakken muziek en schilderen) en daarna verdiende hij – om zijn familie te ondersteunen – de kost als "zingende ober" in Italiaanse restaurants in Queens.
In 1944 moest hij het leger in en was gedurende het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog gelegerd in nazi-Duitsland, waar hij meehielp aan de bevrijding van een concentratiekamp in Landsberg.
Na de oorlog zong hij bij een militaire band onder de artiestennaam Joe Bari. Na zijn terugkeer in de VS behield hij aanvankelijk deze naam en bekwaamde hij zich verder in het belcanto, werkte hij in talrijke kleinere muziekclubs en trad hij op in het voorprogramma van Pearl Bailey, waar hij door Bob Hope werd ontdekt, op wiens aanraden hij zich voortaan Tony Bennett liet noemen.
In 1950 nam hij een demo op en werd daarop door Mitch Miller gecontracteerd voor Columbia Records. Miller adviseerde hem Frank Sinatra (die net Columbia Records verliet) niet te gaan imiteren, maar met een eigen geluid te komen. Bennett begon daarom zijn carrière als croonerzanger met populaire commerciële muziek. Zijn eerste grote hit was Because of You (1951), een oorspronkelijk instrumentaal nummer uit 1940 van Arthur Hammerstein en Dudley Wilkinson, in een arrangement van Percy Faith en geproduceerd door Mitch Miller. Het nummer won aan populariteit doordat het in veel jukeboxen te vinden was en belandde op de eerste plaats in de lijst van tophits en hield die plaats 10 weken vast. Er werden meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. Later dat jaar bracht Bennett Hank Williams' Cold, Cold Heart in een speciaal arrangement uit, dat ook een toppositie bereikte en niet alleen Hank Williams, maar ook de countrymuziek in het bijzonder, bij een breder publiek introduceerde. Bennetts opname van Blue Velvet was zo populair dat het horden schreeuwende teenagerfans aantrok bij concerten in het Paramount Theater in New York. Bennett moest zeven concerten per dag geven (vanaf 10.30 uur 's morgens) om al zijn fans in de gelegenheid te stellen zijn concerten bij te wonen.
In 1952 trouwde Bennett met kunststudente en jazzliefhebster Patricia Beech, die hij een jaar eerder tijdens een nachtcluboptreden in Cleveland (Ohio) had ontmoet. Tijdens de huwelijksvoltrekking in Saint Patrick's Cathedral verzamelden zich buiten tweeduizend rouwende, in het zwart geklede vrouwelijke fans. Het paar kreeg twee zonen.
Verschillende belangrijke standards en veel gecoverde hits werden door Bennett geïntroduceerd: The Good life (Engelse versie), The Best Is Yet to Come, alsook de filmsong The Shadow of Your Smile (won zowel een Grammy "Song of the Year" als een Academy Award) en I Left My Heart in San Francisco.
Na gouden successen in de jaren vijftig en zestig verging het Bennett commercieel minder goed in de twee decennia erna. Hij werd geconfronteerd met contractuele, financiële en persoonlijke problemen.
Eind jaren zeventig ging het Bennett, behalve door geldproblemen, ook emotioneel zwaar door de dood van zijn moeder. Hierdoor ging hij steeds meer drugs gebruiken. Dit drugsgebruik kostte hem bijna zijn leven, nadat hij na het nemen van een overdosis cocaïne flauwviel in zijn bad en bijna verdronk. Hij werd net op tijd gevonden door zijn toenmalige vrouw, die hem naar het ziekenhuis bracht. Dankzij zijn zoon werd zijn carrière opnieuw opgepakt, werden zijn geldproblemen opgelost en was hij gestopt met het gebruiken van drugs.
In deze minder succesvolle periode wordt wel de samenwerking met de legendarische jazzpianist Bill Evans als een artistiek hoogtepunt beschouwd: The Tony Bennett Bill Evans Album (1975) en Together Again (1977). Slechts begeleid door piano, komt Bennett er tot de puurste vorm van zijn zangkunst en interpretaties.
Vanaf 1990 kwam er een comeback in zijn carrière, zijn albums wonnen opnieuw Grammy Awards, en in 1994 boorde hij een nieuw publiek aan dankzij een MTV Unplugged-sessie – het livealbum werd bekroond door de Grammy Awards in 1995 als Album of the Year.
Al was Bennett een uitstekende crooner (intieme, zachte stijl van zingen), hij stond ook bekend om zijn krachtige stem, met zijn getrainde belcanto, noodzakelijk in het tijdperk voor de microfoon zijn intrede deed in concertzalen.
In september 2011 bracht Bennett Duets II uit, een vervolg op zijn eerste duetalbum, ter ere van zijn 85ste verjaardag. Deze cd, met nummers met onder anderen Amy Winehouse, Norah Jones en Michael Bublé, maakte Bennett de oudste nog in leven zijnde artiest met een nummer 1-positie in de Billboard 200. Dit record werd in september 2013 door de 96-jarige Fred Stobaugh verbroken. De eerste single werd Body and Soul, dit was een samenwerking met de zangeres Amy Winehouse, het zou de laatste opname zijn voor haar overlijden, dit duet won een Grammy Award. Voor de tweede single schakelde hij de hulp in van Lady Gaga: The Lady Is a Tramp. Het nummer kreeg van critici lovende kritieken. In 2014 ging hij opnieuw de samenwerking met deze popdiva aan wat het jazzalbum Cheek to Cheek opleverde.
Op 12 februari 2012 won hij zijn 15e en 16e Grammy's tijdens de 54e uitreiking van deze muziekprijzen. Op 8 februari 2015 won hij de Grammy voor "Best pop album vocal" voor zijn duetalbum Cheek to cheek samen met Lady Gaga. In december 2015 trad hij nog op tijdens "Sinatra 100 — An All-Star GRAMMY Concert" met een lied van en voor Frank Sinatra (ter ere van diens honderdste geboortedag).
In 2021 maakte zijn echtgenote bekend dat bij Bennett in 2016 de ziekte van Alzheimer werd vastgesteld. Op 30 september 2021 verscheen Love for Sale als het tweede gezamenlijke album van Bennett en Lady Gaga. Het werd uitgebracht door Columbia en Interscope Records. Het was het eenenzestigste studioalbum van Bennett en Gaga's zevende. Ter gelegenheid van zijn 95e verjaardag traden beide artiesten in augustus 2021 op in de Radio City Music Hall.
Bennett stond ook bekend als filantroop en kunstschilder. Hij overleed in 2023 op 96-jarige leeftijd.
De artiesten 2
Hier vindt u meer informatie over de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Brook Benton
Brook Benton, geboren als Benjamin Franklin Peay (Lugoff, 19 september 1931 – New York, 9 april 1988), was een Amerikaanse pop- en r&b-zanger en componist.
Jeugd en carrière
Benton bezocht tot 1947 de Jackson High School in Camden, South Carolina. Tijdens deze periode zong hij vervolgens in het Efucus-Methodist Church Choir en vervoegde zich later bij het gospelkoor Camden Jubilee Singers. In 1948 verhuisde hij naar New York om daar als vrachtwagenchauffeur te gaan werken. Hij werd lid van de Jerusalem Stars, een door het latere Drifters-lid Bill Pinkney geleid gospelkoor. In 1955 richtte hij de r&b-groep The Sandmen op, waarmee hij ook twee platen opnam bij Okeh Records, die werden geproduceerd door de toentertijd 22-jarige Quincy Jones. In 1956 bracht hij, onder zijn eigen naam Brook Benton, zijn eerste solosingle Bring Me Love / Some Of My Best Friends uit. In hetzelfde jaar werkte hij samen met Little Richard en Chuck Berry in de muziekfilm Mr. Rock n Roll. Er volgden twee singles bij Epic Records en in 1957 en 1958 vier publicaties bij het label Vik Records. Bij Vik had hij met het nummer A Million Miles From Nowhere (1958) zijn rentree in de Billboard Hot 100 met de hoogste notering op de 82e plaats.
Terzelfder tijd werd Benton lid van het songwriterteam van Clyde Otis en schreef het succesnummer Looking Back voor Nat King Cole (Billboard, 6e plaats) en A Lover's Question voor Clyde McPhatter. Verder zorgde hij met talrijke demoversies voor een bijverdienste. Na een kort tussenspel met een plaatopname bij het label RCA Victor tekende Benton aan het eind van 1958 een langdurig contract bij Mercury Records. Reeds zijn eerste single werd een groot succes, met het door het Otis-team geschreven nummer It's Just A Matter Of Time scoorde hij een 3e plaats bij de Hot 100 en een 1e plaats in de r&b-hitlijst. Van de single werden meer dan een miljoen exemplaren verkocht. Met het nummer Endlessly (1959) veroverde Benton de Britse hitlijsten, bij New Musical Express kwam hij tot de 28e plaats. In 1960 verschenen twee singles met de populaire jazz- en blueszangeres Dinah Washington, die zich nestelden in de Top 100.
Het nummer Baby belandde op de 5e plaats en A Rockin' Good Way bereikte de 7e plaats. In de r&b-hitlijst veroverden beide nummers de toppositie. Een verder miljoenensucces had Benton met het uitgebrachte nummer The Boll Weevil Song (1961). Met zijn versie van een oud folklied kwam hij bij de Hot 100 op de 2e plaats, de beste notering in zijn carrière, bij r&b noteerde hij eveneens een 2e plaats. In Groot-Brittannië behaalde The Boll Weevil Song een 28e plaats. Dankzij zijn hitnoteringen in Groot-Brittannië, had hij daar meerdere publieke optredens, waaronder in de Beatles-tv-show Saturday Night At The London Palladium en in de Greatest Record Show of 1963. Een jaar later trad hij voor 25.000 dollar een week lang op in het New Yorkse Apollo Theatre. Daarnaast had hij talrijke optredens in Amerikaanse tv-series.
Tot 1965 kon Benton zich met 44 titels regelmatig plaatsen in de Hot 100. Zijn vooralsnog laatste Hot 100-succes was het nummer Mother Nature, Father Time (58e plaats), nog eens een coproductie van Benton-Otis. De single was reeds bij RCA Victor verschenen, nadat Bentons contract bij Mercury Records na zeven jaar was beëindigd. Ondertussen had de zogenaamde Britse invasie met hun popbands Noord-Amerika bereikt en de platen van Benton en andere Amerikaanse sterren verkochten zich niet meer. Nadat zich bij RCA geen verdere successen aandienden, wisselde Benton in een snelle volgorde de labels (Reprise Records, Cotillion Records, MGM Records en andere). Bij Cotillion had hij in 1970 met Rainy Night in Georgia (4e plaats, Hot 100; 1e plaats r&b-hitlijst) nog eens een succesvol nummer, die tot een miljoenenhit uitgroeide. Met zijn ontspannen stijl en een omvangrijk repertoire werd Brook Benton een van de succesvolste balladezangers in de Verenigde Staten.
Overlijden
Brook Benton overleed in 1988 op 56-jarige leeftijd, verzwakt door een longontsteking, aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking in het New Yorkse Mary Immaculate Hospital

Pat Boone
Charles Eugene Patrick (Pat) Boone (Jacksonville (Florida), 1 juni 1934) is een Amerikaanse zanger en acteur. Aanvankelijk maakte hij rock-'n-roll, later in zijn carrière stapte hij over op gospelmuziek.
Biografie
Boone groeide op in Nashville, de hoofdstad van Tennessee en een belangrijke muziekstad. In 1954 begon hij platen op te nemen voor Republic Records. In 1955 bracht hij een cover uit van de single Ain't That a Shame van Fats Domino, en verbrak de verkooprecords van de originele uitvoering aanzienlijk. Het is representatief voor de beginperiode van Boones loopbaan, die vooral gericht was op toegankelijke versies van rhythm-and-blues-hits, waardoor de rock-'n-roll-deuntjes een veel groter publiek bereikten. Dit ging echter niet ten koste van de originele uitvoerenden, want ook hen bracht hij onder de aandacht. Bluesartiest Little Richard zei ooit: "het was Pat Boone die me miljonair maakte".
Boone had het imago van een frisse vlotte jongen, die zowel tieners als hun ouders aansprak. Zijn zangstijl, met een volle bariton, volgde in de lijn van zijn idool Bing Crosby. Meer en meer ging hij dan ook over op het zingen van ballads.
In populariteit moest Pat Boone eind jaren 50 alleen Elvis Presley boven zich dulden. En net als Elvis deed hij een poging tot wat acteerwerk.
Zijn opname voor de titelsong van de film April Love uit 1957 werd genomineerd voor een Oscar. Pat schreef ook de titelsong voor de film Exodus.
Omdat hij zichzelf zag als een devote wedergeboren christen, weigerde hij muziek en filmrollen die tegen zijn morele standaarden ingingen, inclusief rollen met toenmalig sekssymbool Marilyn Monroe. Verdere activiteiten behelsden het presenteren van televisieprogramma's eind jaren 50, en in de jaren 60 startte hij met schrijven van zelfhulpboeken voor pubers.
Door een invasie van Britse rock-'n-roll-artiesten als The Rolling Stones, The Beatles en The Kinks eindigde Boones carrière als hitmachine, hoewel hij in de jaren 60 nog steeds muziek uitbracht. In de jaren 70 stapte hij over op gospelmuziek en country en bleef hij optreden in andere media, met name op de radio. Begin 21ste eeuw was hij diskjockey van een populaire Amerikaanse gouwe-ouwe-zender en runde hij zijn eigen platenmaatschappij, die plaatjes uit de jaren 50, die geen plek meer kregen binnen de grote platenlabels, opnieuw uitbracht.
Boone trouwde in 1953 met Shirley Lee Foley, dochter van Red Foley, en kreeg met haar vier dochters: Cherry, Lindy, Debby en Laury. In de jaren 60 en 70 toerde de familie rond als gospelartiesten en maakten ze gospelalbums als The Pat Boone Family en The Family Who Prays.
In 1997 bracht Boone een album uit met de titel No More Mr. Nice Guy, met daarop een collectie van heavy-metalcovers in zijn stijl.
In 2003 werden zijn gospelopnamen door de Gospel Music Association van Nashville erkend en toegevoegd aan de Gospel Music Hall of Fame.

Michael Bublé
Michael Steven Bublé (Burnaby (Canada), 9 september 1975) is een Canadese jazzzanger en acteur. Hij is woonachtig in zowel Canada als in Italië. Bublé heeft wereldwijd meer dan 25 miljoen albums verkocht en verschillende hitsingles gehad. In Nederland was zijn grootste hit Haven't Met You Yet, die in 2009 de 4e plek in de Nederlandse Top 40 bereikte.
Zijn manager is Bruce Allen, ook de manager van Bryan Adams. In 2018 kreeg hij een ster op de Hollywood Walk of Fame.
BiMichael Bublé werd geboren in Burnaby, in Brits-Columbia. Tijdens zijn jeugd luisterde hij veel naar zijn opa’s jazzalbums. Op zijn website staat dat zijn grootvader zijn beste vriend was, en degene die de wereld van muziek opende die eigenlijk aan zijn generatie was voorbijgegaan. Door hem wilde Bublé zanger worden. Hij groeide op met muziek van onder anderen Ella Fitzgerald en Frank Sinatra.
Bublés opa bracht hem naar een talentenjacht in Vancouver, waar hij won maar later werd gediskwalificeerd omdat hij te jong was. Hierdoor werd hij niet ontmoedigd; hij won toen hij 17 jaar was de eerste prijs bij de Canadian Youth Talent Search.
De jaren daarna had hij een muzikale carrière die niet echt van de grond kwam. Hij speelde Elvis in een dinnershow en zong in een revue genaamd Forever Swing. Hij nam een paar albums op, één als cadeau voor zijn opa. In 2000 ontving hij twee Genie Award-nominaties voor de twee nummers die hij schreef voor de film Here’s to Life met onder anderen de Canadees Eric McCormack.
Doorbraak
Een optreden tijdens een bedrijfsfeest zorgde voor Michael Bublés doorbraak. Tijdens dit feest gaf hij een cd aan Michael McSweeney, een kennis van de voormalige minister-president van Canada, Brian Mulroney. McSweeney gaf de cd aan de minister, waarna Bublé werd uitgenodigd als zanger op de bruiloft van zijn dochter in 2000. Daar zong hij het nummer Mack the Knife van Kurt Weill. De zanger werd daar voorgesteld aan David Foster, een bekend producer. Hij tekende een contract waardoor hij terechtkwam bij het label 143. Daar bracht hij in 2003 zijn eerste titelloze album Michael Bublé uit.
Op het album staan veel bekende nummers als The Way You Look Tonight en Moondance (Van Morrison). In het nummer How Can You Mend a Broken Heart (origineel van de Bee Gees) zingt Barry Gibb de achtergrondzang. Michael Bublé kwam snel in de Canadese albumlijst terecht. Het album bereikte de platina status en behaalde de nummer 1-positie in Australië. Zijn nummers Kissing'Fool (origineel George Michael) en How Can You Mend a Broken Heart haalden de top 30 in Amerika. Zijn derde single Sway behaalde in een remixversie van Junkie XL de top 20 in Australië.
Op de Juno Awards van 2004 won Bublé de prijs voor beste nieuwkomer. Zijn album was genomineerd voor Album of the Year, maar won deze prijs niet.
Hij bracht in 2003 een kerst-cd uit, Let it Snow. Het titelnummer haalde de top 40 van Australië. Ook volgde een live-album, met een video die de top 10 behaalde in de Amerikaanse videohitlijst.
Hierop volgde een wereldtournee en verscheen hij verschillende malen op televisie, onder andere in de Today Show van NBC, waarin hij een duet zong met de gastvrouw Katie Couric.
It's Time
Bublés tweede album, It's Time, zorgde voor groot succes. Het behaalde de nummer 7 in de Amerikaanse albumlijst. Ook in Nederland was het album succesvol; het behaalde de tweede positie. Op het album staan covers van The Beatles en Ray Charles, en ook de hitsingle Home.
Call Me Irresponsible
Bublés derde album Call Me Irresponsible kwam uit op 1 mei 2007. De eerste single, Everything, werd een top 10-hit in de Nederlandse hitlijsten.
Crazy love
Bublés vierde studioalbum, Crazy love, verscheen op 13 oktober 2009. Op dit album staat de hit Haven't met you yet. In Nederland kwam deze single op de vierde plaats in de Top 40.
Christmas
Op 24 november 2011 lanceerde Michael Bublé zijn vijfde studioalbum, Christmas. Op dit album staat onder meer een duet met Shania Twain.
To Be Loved
Op 12 april 2013 verscheen Michael Bublés zesde studioalbum, To Be Loved, hij kreeg er op 26 januari 2014 een Grammy Award voor "Best Traditional Pop Vocal Album.ografie

Nat King Cole
Nathaniel Adams Coles (Montgomery, 17 maart 1919 – Santa Monica, 15 februari 1965) was een Amerikaanse jazzzanger, pianist en songwriter. Cole wordt algemeen beschouwd als een van de beste mannelijke vocale jazz- en balladvertolkers van de jaren vijftig en zestig.
Levensloop
Nat "King" Cole, zoals hij meestal genoemd wordt, werd in Montgomery (Alabama) geboren. Op vierjarige leeftijd verhuisde het gezin naar Chicago. Nats vader was slager en diaken in de True Light Baptist Church. De jonge Nat werd door zijn moeder, die organist was in de kerk, gestimuleerd om muziek te gaan studeren. Vanaf zijn twaalfde jaar bespeelde ook Nat het kerkorgel en zong hij kerkliederen. Zijn echte interesse ging echter al snel uit naar de jazzmuziek. Zijn ouders konden de belangstelling voor de jazzmuziek niet echt waarderen; jazz werd immers in de nachtclubs gespeeld. De oudste broer van Nat, Eddie, had toen al een bekende jazzband: de 'Rogues of Rhythm'. Nats jongste broer, Freddie, werd later eveneens zanger.
In 1936 vertrok Nat naar Los Angeles. Van 1936 tot 1946 gaf hij zijn naam aan The King Cole Trio (in eerste formatie met Oscar Moore en Wesley Prince). In 1943 nam hij het nummer 'Straighten Up and Fly Right' op, dat zijn eerste nationale hitsong werd. Het nummer baseerde hij op een van zijn vaders preken en op een bekend zwart volksverhaal. Cole werd door zijn trio-opnamen als een van de groten uit de jazzwereld beschouwd.
Vanaf 1945 besloot Nat zijn bijzondere stem ook buiten de jazz te laten horen. Hij ontwikkelde zich meer en meer als (jazz)balladzanger. Zijn herkenbare baritonstem zorgde voor een miljoenenomzet bij platenmaatschappij Capitol. Cole was de superster van de jaren vijftig, en niet alleen in de Verenigde Staten. Vanwege de vele inkomsten die Nat King Cole voor het bedrijf verwierf kreeg de Capitol Records Building aan de Hollywood Walk of Fame de bijnaam The house that Nat built.
Met Charlie Chaplins song Smile haalde hij de 10e plaats in de Billboard Hot 100 en de 2e in de UK Singles Chart.
Met zijn in 1956 uitgebrachte cover van When I Fall in Love bereikte hij in het daaropvolgende jaar opnieuw een tweede plaats in de Britse hitlijsten.
Toen hij in 1948 als eerste zwarte Amerikaan een huis kocht in de blanke buurt Hancock Park in Los Angeles vertelden de eigenaren hem dat ze geen "ongewensten" in de buurt wilden. Cole antwoordde: "Ik ook niet. En als ik een ongewenst iemand zie komen, ben ik de eerste die klaagt."
In de jaren veertig was Cole de eerste Afro-Amerikaan met een eigen radioprogramma en in de jaren 1956-1957 had hij als eerste zwarte Amerikaan een eigen wekelijkse televisieshow bij NBC. Onder anderen waren daarin Ella Fitzgerald, Peggy Lee, Sammy Davis jr. en het orkest van Nelson Riddle te gast. De show was populair, maar adverteerders schrokken terug voor de verbinding met een Afro-Amerikaan, wat hem de uitspraak ontlokte "Madison Avenue is afraid of the dark".
Hij trad herhaaldelijk als filmacteur op, onder andere in St. Louis Blues.
Hij was getrouwd met Marie Ellington en had vijf kinderen. Zijn dochter Natalie Cole was zangeres. In de jaren negentig nam zij de cd Unforgettable op, gevuld met liedjes die eerder door haar vader gezongen werden. In het titelnummer worden oude en nieuwe opnamen gemengd zodat Nat en Natalie een duet zingen.
Cole rookte drie pakjes Kool-mentholsigaretten per dag. Volgens Cole droegen de sigaretten ertoe bij dat zijn stem voldoende laag bleef. Om die reden rookte hij voor iedere plaatopname meestal drie sigaretten achter elkaar. In het najaar van 1964 merkte Cole dat hij gewicht verloor. In oktober 1964 werd bij hem longkanker geconstateerd. De verschillende behandelingen, waaronder een kobalttherapie, sloegen niet aan en Nat King Cole overleed begin 1965 op 45-jarige leeftijd in het St. John's Hospital in Santa Monica (Californië). Nat King Cole werd begraven op Forest Lawn Memorial Park in Glendale (Californië).
Eerbetoon
In 1985 werd hij postuum opgenomen in de Alabama Music Hall of Fame, als een van de eerste drie die in deze erehal werden opgenomen.

Perry Como
Pierino (Perry) Como (Canonsburg (Pennsylvania), 18 mei 1912 – Jupiter Inlet Colony (Florida), 12 mei 2001) was een Amerikaanse zanger. Van zijn platen werden in totaal meer dan 60 miljoen exemplaren verkocht.
Hoewel hij altijd al graag zong, was zijn grootste wens om kapper te worden. Na het behalen van zijn middelbareschooldiploma opende hij een kapsalon. In 1933 trouwde hij met zijn jeugdliefde, Roselle Belline.
Como ging in 1933 zingen bij de band van Freddy Carlone in Ohio. Drie jaar later werkte hij bij Ted Weems' Orchestra waarmee hij ook voor het eerst platen opnam. Het eerste nummer heette You Can't Pull the Wool over My Eyes, en werd opgenomen bij Decca Records.
Toen Weems in 1942 zijn band ophief ging Como naar CBS, waar hij gedurende enkele jaren zonder veel succes voor bleef opnemen. Rond die tijd had de voormalige kapper besloten terug te keren naar Canonsburg, zijn familie en zijn kapsalon. Net toen hij op het punt stond zijn zangcarrière er definitief aan te geven, haalden twee producers van NBC hem over voor de NBC Supper Club te gaan optreden. Daarna oogstte hij meer en meer succes in theaters en nachtclubs.
In 1943 tekende hij een exclusief contract met RCA Victor en bleef bijna 50 jaar bij dat bedrijf.
In 1945 nam hij de popballade 'Til the End of Time op, een lied gebaseerd op Chopins Polonaise in As, en dat bleek het begin van een zeer succesvolle carrière. Como was de eerste artiest die van 10 platen elk meer dan een miljoen exemplaren wist te verkopen. Zijn televisieshows trokken meer kijkers dan die van enige andere zanger. In 2010 gebruikte postbedrijf TNT Post zijn lied Magic Moments in de kerstcommercial van het bedrijf.
In een lijst van Joel Whitburn staan veertien van zijn liedjes die nummer 1 in de Amerikaanse hitlijsten geworden zijn:
Till the end of time (1945)
Prisoner of love (1946)
Surrender (1946)
Chi-Baba, Chi-Baba (1947)
'A' you're adorable (1949)
Some enchanted evening (1949)
Hoop-de-doo (1950)
If (1951)
Don't let the stars get in your eyes (1952)
No other love (1953)
Wanted (1954)
Hot Diggity (Dog Ziggity Boom) (1956)
Round and round (1957)
Catch a falling star (1958)
Op 14 maart 1958 werd Como's hit Catch a Falling Star door de RIAA tot haar eerste gouden plaat uitgeroepen. Zijn laatste hit was een cover van Don McLeans And I Love You So, opgenomen in 1973.

Harry Connick jr.
Joseph Harry Fowler Connick jr. (New Orleans, 11 september 1967) is een Amerikaans zanger, pianist, en acteur.
Levensloop
Connick is geboren en getogen in New Orleans, begon op driejarige leeftijd met pianospelen en zat al op zijn tiende in een jazzband. Als hij op zijn negentiende zijn eerste album opneemt, heeft hij diverse pianocompetities in het beroemde French Quarter gewonnen. Zijn grote doorbraak komt in 1989 met de filmmuziek van When Harry Met Sally..., waarvan het album meermaals platina wordt. Inmiddels heeft Connick behalve diverse gouden en multiplatina-albums ook meerdere Grammy Awards op zijn palmares staan, waaronder die voor Best Jazz Male Vocal Performance.
Begin 2007 verscheen het derde deel in de Connick on piano-serie Chanson Du Vieux Carré. Van dit album is een deel van de opbrengst bestemd voor de New Orleans Habitat Musicians Village, een project dat de crooner samen met saxofonist Branford Marsalis heeft opgezet om de muzikanten te helpen die getroffen zijn door de orkaan Katrina in 2005. Ook een deel van de opbrengsten van de cd Oh My New Orleans, in september 2007 in Nederland en België verschenen, zijn hiervoor bestemd.
Op zondag 28 oktober 2007 gaf Connick in het kader van de Oh My New Orleans-tournee een concert in het World Forum Theater in Den Haag.
In 2019 kreeg Connick een ster op de Hollywood Walk of Fame.
De artiesten 3
Hier vindt u meer informatie over de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Paolo Conte
Paolo Conte (Asti, 6 januari 1937) is een Italiaanse zanger, componist en tekstschrijver van liedjes voor andere zangers en later voor zichzelf. Zijn schorre stem verleent een speciale charme aan zijn treurige, soms melancholische teksten. Hij componeerde filmmuziek en een musical, Razmataz. Als beeldend kunstenaar had hij tentoonstellingen in Londen van zijn grafiek en schilderijen. Paolo Conte studeerde rechten en was advocaat.
Biografie
Jazzmusicus en componist-tekstdichter
Hij was de zoon van een notaris en een telg uit een familie van landeigenaren. Voor zijn vierde kreeg hij al pianoles, samen met zijn broer Giorgio, die ook zanger en liedjesschrijver zou worden. Hij leerde daarnaast de vibrafoon en de kazoo bespelen. Van jongs af aan was Paolo Conte al geïnteresseerd in de diverse stromingen binnen de jazzmuziek. In zijn studententijd speelde hij als vibrafonist in het jazzorkest Taxi For Five. Met zijn Paul Conte Quartet maakt hij zonder succes zijn eerste grammofoonplaat in 1962, een ep voor RCA Italiana. Andere jazzplaten volgden. In de jaren zestig zong hij aanvankelijk niet zelf maar was hij (deels samen met zijn broer) liedjesschrijver voor Bruno Lauzi en Adriano Celentano, en verder vertolkten ook Patty Pravo, Johnny Halliday en Shirley Bassey zijn nummers.
Van muzikant naar zanger
Pas in de jaren 70 kwam Paolo Conte ertoe om zelf te zingen en te spelen. Zelf vond hij zijn zang op proefopnames verre van geweldig, maar producer Lilly Greco hoorde echter wel degelijk het talent van de praktiserend advocaat en hielp hem op weg. Het eerste studioalbum verscheen in 1974 heette eenvoudigweg Paolo Conte. In 1979 werd Un Gelato al Limone (citroenijs) een grote hit maar de wereldwijde doorbraak kwam met Max (1987) waarin hij een pas overleden vriend bezingt.
De teksten vol associaties en impressionisme gezongen met een monotone (brommende en mompelende) stem, soms sober dan weer uitbundig begeleid door zijn muzikanten spreken vele mensen aan. Er volgt een lange reeks van studio- en livealbums. In 2005 komt de dvd 'Arena di Verona' uit, opgenomen in dezelfde stad waarin Paolo Conte op 18 december 1976 voor zo'n tweehonderd geïnteresseerden zijn eerste concert geeft.
In 2008 verscheen een nieuw album, Psiche, wat aanleiding was voor een kleine tournee begin 2009 waarbij hij ook Nederland en België aandeed.

Bing Crosby
Harry Lillis (Bing) Crosby, Jr. (Tacoma (Washington), 3 mei 1903 – Alcobendas, Madrid, 14 oktober 1977) was een populaire Amerikaanse zanger en acteur.
Crosby's grootste hit is zijn opname van het door Irving Berlin gecomponeerde lied White Christmas. Deze plaat bracht hij verschillende malen uit en is de meest verkochte aller tijden.
Jonge jaren
Bing Crosby groeide op met Al Rinker, de jongere broer van de zangeres Mildred Bailey. Crosby en Rinker hebben gebruikgemaakt van Baileys verbindingen in de muziekwereld en na afloop van hun schooltijd werden zij dan ook lid van Paul Whitemans Rhythm Boys. Crosby bezocht een jezuïetencollege en studeerde rechten. Terwijl hij met collega's op zakenreis was, zong hij in bars en verklaarde dat hij hiermee veel meer verdiende dan in zijn baan als advocaat. Hierop besloot hij zijn carrière als advocaat voor altijd op te geven en zich uitsluitend op zijn zangcarrière te storten.
Successen
Zijn grootste hit was zijn versie van Irving Berlins song "White Christmas", een van de grootste verkoopsuccessen aller tijden en na Candle in the Wind van Elton John op nummer 2 in de eeuwige bestsellerlijst. Crosby won 21 keer goud, bijvoorbeeld voor "I'll Be Home for Christmas", "Too-Ra-Lo-Ra-Loo-Ral" en "Swinging on a Star". Hij speelde ook in tal van films in de jaren 1930 tot 1960. In 1956 kreeg het door Cole Porter gecomponeerde, samen met Grace Kelly gezongen liefdesduet "True Love" uit de film "High Society" een Oscarnominatie en werd een evergreen.
Bandrecorder
In 1945 werd een Duitse bandrecorder van AEG in onderdelen naar de VS gebracht en door Ampex verder ontwikkeld. Bing Crosby financierde dit project, omdat hij in de bandrecorder grote voordelen zag voor geluidsregistratie.
Privéleven
Crosby is twee keer getrouwd geweest. In 1930 trouwde hij met actrice en danseres Dixie Lee, met wie hij vier zonen kreeg: Gary, Dennis en Philip (een tweeling) en Lindsay. Lee overleed aan eierstokkanker in 1952. Aangezien zijn tweede vrouw, de actrice Kathryn Grant, aanzienlijk jonger was dan Crosby, had hij ook nog op latere leeftijd kinderen. Zijn kinderen uit beide huwelijken behoorden daarom tot verschillende generaties. Na het overlijden van Bing Crosby schreef zijn oudste zoon uit het eerste huwelijk, Gary, een omstreden biografie, waarin hij zijn vader als autocratisch beschrijft. Twee van Crosby's kinderen, Lindsay en Dennis, pleegden zelfmoord. De actrices Mary Crosby en Denise Crosby zijn respectievelijk een dochter en een kleindochter van Bing Crosby.
Bing Crosby – een fanatiek golfer – stierf in 1977 na een rondje golf (dat hij won) in Spanje: hij was ingestort vanwege een zware hartkwaal. Hij werd op de begraafplaats Holy Cross in Culver City, Californië begraven. Crosby had vlak voordat hij naar Spanje vloog nog in Groot-Brittannië zijn laatste concerten, zijn laatste album en een tv-special (waarin hij een duet met David Bowie zong) opgenomen. Enige onzekerheid bestaat er nog steeds over de geboorteplaats en het geboortejaar van Bing Crosby. De meeste bronnen geven het geboortejaar met 1903 aan, maar op zijn grafsteen staat – op aanwijzing van zijn familie – als geboortejaar het jaartal 1904.

Jamie Cullum
Jamie Cullum (Rochford (Essex), 20 augustus 1979) is een Brits zanger en multi-instrumentalist. Hij begeleidt zichzelf voornamelijk op piano, maar doet dit soms ook met andere instrumenten, zoals drums of gitaar. Tussen 1999 en 2014 bracht hij zeven studioalbums uit, waarvan Interlude de laatste is.
Sinds april 2010 presenteert Cullum wekelijks een jazzshow op BBC Radio 2.
Biografie
Jeugdjaren
Cullum werd geboren in Rochford, Essex. Hij groeide op in Hullavington, Wiltshire.
Zijn moeder, Yvonne, is een secretaresse van Anglo-Birmaanse afkomst, wier familie zich in Noord-Engeland vestigde nadat Birma onafhankelijk werd verklaard. Zijn Britse vader, John Cullum, werkte in financiën. Zijn grootvader van vaders kant was een Britse legerofficier en zijn grootmoeder van vaders kant was een Joodse vluchteling uit Pruisen, die in Berlijn in nachtclubs zong.
Op dertienjarige leeftijd begon hij met het maken van muziek. Zijn eerste baantje was als pianist bij de lokale Pizza Express.
Cullum volgde een opleiding aan de Grittleton House School, een onafhankelijke school in het dorp Grittleton, vlak bij het stadje Chippenham in Wiltshire. Daarna ging hij naar de Sheldon School, een scholengemeenschap in hetzelfde graafschap. In tegenstelling tot wat soms wordt beweerd, kreeg hij geen plaats aangeboden aan universiteit van Oxford. Hij ging Engelse literatuur en Filmwetenschappen studeren aan de Universiteit van Reading, waaraan hij afstudeerde met een First Class Honours, de hoogste academische beoordeling in het Britse onderwijssysteem.
Begin van muziekcarrière
Met een budget van £48 produceerde Cullum in 1999, op negentienjarige leeftijd, zijn eerste album, Jamie Cullum Trio-Heard it All Before, waarvan een beperkte oplage werd gemaakt. Vanwege hun zeldzaamheid worden de originele exemplaren tegenwoordig verkocht voor een bedrag tot wel £600 op eBay. Dankzij dit album kwam hij in contact met bassist Geoff Gascoyne[8], waarna hij op Gascoynes album Songs of the summer meespeelde.
Na zijn afstuderen aan de Universiteit van Reading bracht Cullum zijn eerste studioalbum uit, Pointless Nostalgic. Dit album trok de aandacht van grote spelers in de muziekwereld, onder wie Michael Parkinson en Melvyn Bragg. Na zijn eerste televisieoptreden, in april 2003, tekende hij een platencontract voor 1 miljoen Britse pond met Universal Records, voor de productie van drie studioalbums.
Doorbraak en tournees
Het tweede studioalbum, Twentysomething, werd een jaar later, in 2004, uitgebracht. Dit album behaalde de platinum-status en stond wekenlang op de hoogste positie van de Britse hitlijsten. Het album was tevens het bestverkochte studioalbum aller tijden van een jazzmuzikant in het Verenigd Koninkrijk, en zorgde ervoor dat Cullum, volgens de verkoopcijfers, de meest succesvolle jazzartiest van 2003 was.
Het derde album, Catching Tales, werd het daaropvolgende jaar uitgebracht. Dit album werd, net zoals zijn vorige album, geproduceerd door Stewart Levine. Het album werd in het Verenigd Koninkrijk en in Nederland uitgebracht op 26 september 2005, en in de Verenigde Staten twee weken later, op 11 oktober. Het nummer Fascinating Rhythm staat niet op de Amerikaanse en Franse versie van het album.
Cullum speelde in de jaren daarna op talloze festivals en werkte met de grootste artiesten ter wereld samen. Hij stond onder andere meerdere malen op het Glastonbury Festival (in 2004[9] en 2009), het New Orleans Jazz & Heritage Festival (in 2005), Coachella (2005), het North Sea Jazz Festival (2004, 2009, 2013), het Playboy Jazz Festival (2006) en het Jakarta International Java Jazz Festival (2007). Daarnaast werkte hij met een aantal bekende artiesten, onder wie Kylie Minogue, de Sugababes, rapper Will.i.am, Burt Bacharach en The Heritage Orchestra.
Op 29 april 2006 speelde Cullum voor een menigte van meer dan een miljoen toeschouwers tijdens de festiviteiten voor Koninginnedag op het Museumplein in Amsterdam. Als statement droeg hij een T-shirt van zangeres Anouk, die hij zeer bewondert.
Een nieuw album en de vervolgjaren
Na een jarenlange periode van optredens en festivals richtte Cullum zich weer op de productie van een nieuw studioalbum. Zijn twee vaste bandleden, Geoff Gasgoyne en Sebastiaan de Krom, hadden na zeven jaar hetzelfde repertoire zin in wat anders en verlieten de band van Cullum. Percussionist Tom Richards bleef wel. Met nieuwe muzikanten en een nieuwe producer maakte Jamie het album The Pursuit, waarop hij voor het eerst gebruik maakte van meer elektronische muziek. Het album kwam in 2009 uit. Het werd opgenomen op verschillende plaatsen, waaronder Cullums keuken, een studio in Los Angeles en Terrified Studios (zijn eigen studio in Shepherd's Bush).
Sinds 2010 presenteert Cullum elke dinsdagavond een jazzshow op BBC Radio 2.. In 2011 werkte hij samen met de rapgroep Stereo MC's in het nummer Boy.
Op 17 mei 2013 werd zijn studioalbum, Momentum, uitgebracht. Het album bevat nummers van meer dan tien componisten, onder wie Cullum zelf, zijn broer Ben Cullum en Cole Porter. Zijn aanpak bij dit album was volledig anders dan die bij zijn vorige platen. Hij maakte gebruik van thuisdemo's en gebruikte allerlei instrumenten en gadgets tijdens het opnameproces, waaronder iPhone-Apps en allerlei prullaria, zoals cassetterecorders en kringloopmaterialen.
Op 6 oktober 2014 kwam zijn album Interlude uit. Met dit album gaat Cullum terug meer de jazz-kant op.

Vic Damone
Vic Damone, geboren als Vito Rocco Farinola (Brooklyn, 12 juni 1928 - Miami Beach, 11 februari 2018) was een Amerikaanse zanger en acteur.
Voorgeschiedenis
Zijn interesse aan de muziek had Vito Farinola van zijn ouders. Zijn vader was van beroep elektrotechnicus en zong en speelde gitaar, zijn moeder was pianolerares. Al vroeg begon Vito zijn favoriete zanger Frank Sinatra te imiteren. Binnen de kortste keren nam hij ook zangonderricht. Nadat zijn vader een arbeidsongeval had gehad, moest Vito zelf geld verdienen en werkte hij als plaatsaanwijzer en liftboy in het Paramount-theater in Manhattan.
Carrière
De jaren 1940
Op zekere dag trad Perry Como op in het Paramount en Vito benutte de mogelijkheid om bij hem voor te zingen. De ster nam hem onder zijn hoede en bemiddelde hem als zanger bij een big band in New York. Vanaf dan wijzigde Vito zijn naam in Vic Damone naar zijn moeders achternaam. In april 1947 nam hij deel aan de talentenjacht in de show Talent Scouts van Arthur Godfrey, die door hem werd gewonnen. Zoals vele winnaars voor hem, zong hij regelmatig in Godfrey's shows. Kort daarna bezorgde Milton Berle hem optredens in de aangekondigde nachtclub La Martinique en binnen enkele maanden was hij weer in het Paramount, deze keer echter als zanger met Stan Kenton en zijn band. Midden 1947 tekende Damone een platencontract bij Mercury Records.
Vic Damones eerste plaat I Have but One Heart (O Marinariello) zong hij deels in het Engels en deels in het Italiaans. De plaat werd uitgebracht in augustus 1947 en werd ook direct een top 10-hit. Ook de navolgende single You Do bereikte de hitlijst (#7). Verdere succesvolle platen volgden. Al in 1948 kreeg Damone de eigen radioshow Saturday Night Serenade. In 1949 kon hij voor zijn hit Again (#6) zijn eerste gouden plaat in ontvangst nemen. Ook zo zijn onderscheiding met goud voor het nummer You're Breaking My Heart (#1).
De jaren 1950
In 1951 was hij voor de eerste keer te zien op het filmdoek. Hij speelde in de films The Strip en Rich, Young and Pretty. Van 1951 tot 1953 vervulde hij zijn militaire dienstplicht in de United States Army, echter voorheen had hij enkele songs opgenomen, die tijdens deze periode werden uitgebracht, zodat zijn carrière doorgang kon vinden. Na zijn tijd in het leger trouwde hij met de actrice Pier Angeli. In hetzelfde jaar draaide hij de twee films Deep in my Heart en Athena. Bovendien trad hij meermaals op als gast in Milton Berles tv-show.
In 1955 leek het, alsof Damone's ster verbleekte. Slechts een van zijn songs Por Favor haalde de hitlijst (#73). Daarnaast had hij een rol in de muziekfilm Kismet.
In 1956 wisselde hij naar Columbia Records en enkele van zijn platen stegen weer in de top 20, waaronder An Affair to Remember, de titelsong van de gelijknamige film, en zijn interpretatie van de song On the Street Where You Live. De song is afkomstig uit de Loewe/Lerner-musical My Fair Lady, die in New York première had. Damone's versie werd geproduceerd door Mitch Miller en kreeg eveneens een gouden plaat.
De verantwoordelijken van de Broadway-show zorgden ervoor, dat de muziek van de musical niet buiten de Verenigde Staten kwam, zodat in andere landen het publiek de producties van My Fair Lady ook als première kon genieten. Aldus gebeurde het dat Damone's song pas na de eerste Londense opvoering in 1958 ook in het Verenigd Koninkrijk een hit werd, die in juni de toppositie van de Britse hitlijst haalde. Een Britse coverversie van David Whitfield haalde slechts de 16e plaats. Tussentijds had Damone al een versie van de titelsong Gigi van de volgende Broadway-musical van Lerner/Loewe opgenomen.
De jaren 1960
In 1960 speelde hij een hoofdrol in zijn laatste bioscoopfilm Hell to Eternity. Tijdens de jaren 1960 had hij echter nog meerdere eigen tv-shows en trad hij als gast op in diverse andere shows en series. In 1961 wisselde hij naar Capitol Records, waar hij de leegte moest opvullen die door Frank Sinatra's wissel naar het door hem mede opgerichte Reprise Records was ontstaan. Damone bleef tot 1965 bij Capitol Records en nam enkele hoog geprezen albums op, waarvan er twee ook in de onderste regionen van de Billboard-hitlijst kwamen: Linger Awhile with Vic Damone (1962) en het door Billy May gearrangeerde The Lively Ones. Na een verdere labelwissel had hij in 1965 nog een hit met You Were Only Fooling (While I Was Falling in Love) bij Warner Bros. Records.
De jaren 1970
Vanaf 1971 legde Damone zich toe op optredens in de casino's van Las Vegas. Met zijn honorariums uit deze shows kon hij de gevolgen van een faillissement wegens belastingontduiking binnen de perken houden. Na een kort tussenspel als onroerend goed-makelaar ging hij weer op tournee door de Verenigde Staten en vooral in het Verenigd Koninkrijk, waar hij begin jaren 1980 een aanzienlijke comeback beleefde en zelfs twee albums in de hitlijst plaatste. BBC-deejay David Jacobs speelde toentertijd met voorliefde songs van Damone.
Onderscheidingen
In 1997 werd Damone opgenomen in de Songwriters Hall of Fame. Hij heeft ook een ster op de Hollywood Walk of Fame.
Privéleven en overlijden
In 2000 kreeg hij een beroerte. In februari 2001 gaf hij zijn laatste concert voor familie, vrienden en fans in West Palm Beach. Zijn allerlaatste song op het podium was zijn grote hit An Affair to Remember. Hij trok zich terug uit de showbusiness en ontfermde zich over zijn familie, kinderen en kleinkinderen. Bovendien steunde hij zijn echtgenote bij haar werk voor diverse liefdadigheidsinstellingen.
Damone was vijf keer getrouwd. Uit het eerste huwelijk met de Italiaanse actrice Pier Angeli (1954 tot 1958) had hij een zoon (Perry). Zijn drie dochters Victoria, Andrea en Daniella waren afkomstig uit zijn tweede huwelijk met Judith Rawlins (1963 tot 1971). Het derde huwelijk met Becky Ann Jones (1974 tot 1982) bleef kinderloos. Het vierde huwelijk was met de actrice en zangeres Diahann Carroll (1987 tot 1996) en het vijfde huwelijk met de modeontwerpster en onderneemster Rena Rowan (1998 tot aan haar overlijden in 2016).
Damone was nauw bevriend met de Amerikaanse president Donald Trump. Zijn nicht Doretta Morrow was een bekende Broadway-actrice.
Tijdens de late jaren 1950 werd Damone door een drummer van zijn band ingewijd in de Bahai-religie.
Vic Damone overleed op 11 februari 2018 op 89-jarige leeftijd.

Vic Dana
Vic Dana, geboren als Samuel Mendola (Buffalo, 26 augustus 1942), is een Amerikaans tapdanser, popzanger en filmacteur. Zijn successen behaalde hij in de jaren zestig, met Red Roses for a Blue Lady uit 1965 als grootste hit op nummer 10 in de Billboard Top 100 en nummer 12 in de Nederlandse Top 40. Rond 1960 viel hij af en toe in als leadzanger van The Fleetwoods die op dat moment hun topperiode kenden.
Biografie
Mendola begon al op jonge leeftijd met tapdansen en werd op zijn elfde ontdekt door Sammy Davis jr. tijdens een optreden in zijn geboorteplaats. Onder invloed van Davis vertrok het gezin naar Californië waar hij zich verder schoolde in dansen en zingen.
Eind jaren vijftig toerde hij rond als solo-artiest en, toen Gary Troxel van 1959 tot 1960 minder beschikbaar was voor The Fleetwoods om zijn dienstplicht te vervullen, verving Dana hem als leadzanger tijdens vijf optredens.
In de jaren zestig bracht hij een groot aantal singles uit, waarvan er bijna twintig in de Amerikaanse hitlijsten terechtkwam. Zijn grootste hit was Red Roses for a Blue Lady dat op nummer 10 van de Billboard Top 100 terechtkwam en in de Nederlandse Top 40 de 12e positie bereikte. Zijn tweede en laatste single in de Top 40, Bring a Little Sunshine, kwam niet verder dan nummer 30. In de VS had hij zijn laatste hit in 1970 met Red Red Wine, waarmee UB40 in 1983 een grote hit had in België en Nederland.
In 1966 nam hij met de Italiaanse zangeres Iva Zanicchi deel aan het Festival van San Remo. Verder is zijn muziek verschillende malen gebruikt als soundtracks van televisieseries en films.

Bobby Darin
Bobby Darin, echte naam Walden Robert Cassotto (New York, 14 mei 1936 - Los Angeles, 20 december 1973), was een Amerikaans zanger en songwriter, die zeer populair werd in de jaren vijftig. Hij was thuis in een grote verscheidenheid aan muziekgenres, waaronder jazz, pop en folk. Enkele van zijn bekendste nummers zijn "Splish Splash", "Dream Lover", "Mack the Knife", "Beyond the Sea" en "If I Were a Carpenter".
Biografie
Bobby Darin werd geboren in een arm gezin van Italiaanse afkomst in het New Yorkse stadsdeel The Bronx. Pas later kwam hij erachter dat hij was opgevoed door zijn grootmoeder en dat de vrouw die hij als zijn zus beschouwde eigenlijk zijn echte moeder was. Zijn vader heeft Bobby nooit gekend. Op jonge leeftijd werd hij getroffen door reumatische koorts, waaraan hij een beschadigd hart heeft overgehouden. Hij moest leven met de wetenschap dat hij op jonge leeftijd zou kunnen sterven, en stortte zich geheel op de muziek. Hij leerde zichzelf verscheidene muziekinstrumenten spelen, waaronder piano, drums en gitaar.
Na te hebben gestudeerd aan de Bronx High School of Science en het Hunter College ging hij werken als entertainer en muzikant in een vakantieresort in de Catskills. Als artiestennaam koos hij de naam Bobby Darin. Bobby was zijn roepnaam als kind. Over de herkomst van "Darin" doen meerdere verhalen de ronde. Eén verhaal zegt dat de naam komt van de neonverlichting op een Chinees restaurant. Omdat de eerste drie letters van de neonverlichting het niet deden, stond er op het restaurant DARIN in plaats van MANDARIN (Mandarijn). Een ander verhaal vertelt dat hij de naam vond door te bladeren in een telefoongids.
Midden jaren vijftig ontmoette hij muziekuitgever Don Kirshner, die hem aan een platencontract hielp bij Decca Records. Darin werd voorgesteld aan de dan nog niet bekende zangeres Connie Francis. Bobby's manager zorgde ervoor dat Darin mee muziek kon schrijven voor Connie om haar zangcarrière op te starten. Bobby en Connie werden verliefd op elkaar. Connie, ook van Italiaanse afkomst, had een strenge vader. Zodra hij lucht kreeg van de relatie, stelde hij alles in het werk om het koppel gescheiden van elkaar te houden. Toen hij vernam dat ze elkaar zouden zien na een optreden van Connie, joeg hij Bobby uit het gebouw terwijl hij met een wapen zwaaide. Later zei Connie Francis dat niet trouwen met Bobby Darin de grootste vergissing van haar leven was.
Na drie geflopte singles verscheen in 1958 "Splish Splash", zijn eerste grote hit. Meer hits volgden en Darin werd een favoriete zanger onder het jonge rock-'n-rollpubliek. In 1959 ging hij een andere weg in met "Mack the Knife", een jazz/popbewerking van een nummer uit de Driestuiversopera van Bertolt Brecht en Kurt Weill. Het nummer bereikte de nummer 1-positie in de Amerikaanse hitlijsten en bracht Darin ook onder de aandacht bij de meer volwassen muziekliefhebber. In 1960 werd het ook in België en Nederland een hit. In 1959 won Darin meerdere Grammy Awards, waaronder die voor beste nieuwkomer en beste nummer (voor "Mack the Knife").
In 1960 nam hij het nummer "Beyond the Sea" op, een Engelse vertaling van "La Mer" van Charles Trenet. Hij vertrok dat jaar tevens naar Hollywood om daar filmmuziek te schrijven en acteur te worden. Op de set van zijn eerste film, Come September, ontmoette hij zijn latere vrouw Sandra Dee. Ze trouwden op 1 december van dat jaar. Ze kregen één zoon, Dodd Darin, in 1961. Andere films waarin Darin te zien is, zijn onder andere Pressure Point uit 1962 en Captain Newman MD uit 1963. Voor de laatste film kreeg hij een Oscarnominatie voor Beste Mannelijke Bijrol. Een eigen nummer van Darin Things uit 1962 haalde de hitlijsten in de VS en in het Verenigd Koninkrijk.
Midden jaren zestig trad Darin op in verscheidene casino's in Las Vegas. In 1966 bracht hij het nummer "If I Were a Carpenter" uit, een cover van Tim Hardin. Deze versie bereikte in verscheidene landen, waaronder de VS en Nederland, de top tien. Het jaar daarop scheidde hij van Sandra Dee. Darin was politiek zeer actief. Zo werkte hij in 1968 mee aan de verkiezingscampagne van Robert Kennedy. Nadat deze werd neergeschoten, bracht hij enkele protestalbums uit.
In de jaren zeventig werd hij de eigenaar van een succesvolle platenmaatschappij, TM Music. Voor de platenmaatschappij ontdekte hij Wayne Newton. Ook trad hij regelmatig op, waaronder enkele goedbezochte shows in Las Vegas. In januari 1971 onderging hij een hartoperatie om de schade aan zijn hart enigszins te herstellen, waarna zijn gezondheid achteruitging. Na een periode van herstel trad hij weer op in Vegas en bracht hij enkele platen uit, waaronder voor Motown. Ook presenteerde hij zijn eigen televisieshow, de variétéshow "The Bobby Darin Show", en trouwde hij voor de tweede maal in 1973.
Op 20 december 1973 overleed hij vlak na een hartoperatie. Hij is 37 jaar oud geworden. Er was geen begrafenisdienst: een van zijn laatste wensen was dat zijn lichaam werd gedoneerd aan het medisch centrum van de UCLA voor onderzoek. In 1990 werd hij postuum geplaatst in de Rock and Roll Hall of Fame. In 2004 kwam er een film uit over zijn leven, Beyond the Sea. Bobby Darin werd hierin gespeeld door Kevin Spacey, die de film ook regisseerde.
De artiesten 4
Hier vindt u meer informatie over de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Sammy Davis jr.
Samuel George Davis, beter bekend als Sammy Davis jr. (New York, 8 december 1925 – Beverly Hills, 16 mei 1990), was een veelzijdige Amerikaanse entertainer. Hij danste, zong, speelde vibrafoon, trompet en slagwerk, acteerde en imiteerde.
Biografie
Sammy Davis jr. werd in de New Yorkse wijk Harlem geboren als de zoon van Elvera Sanchez, een Puerto Ricaanse Amerikaanse, en Sammy Davis sr., een Afro-Amerikaan. Zijn ouders waren beiden variétédansers. Hij werd opgevoed door zijn grootmoeder van vaders zijde. Toen hij drie jaar oud was, scheidden zijn ouders.
Zijn vader, die de zeggenschap over zijn zoon niet wilde verliezen, nam hem mee op reis. Zo leerde Davis jr. dansen van zijn vader en zijn "oom" Will Mastin, die de dansgroep leidde waar Davis sr. bij werkte. Davis jr. sloot zich als jong kind aan bij de act, waarmee het Will Mastin Trio een feit werd.
Mastin en Davis sr. beschermden Davis jr. tegen racisme. Racistische opmerkingen werden "vertaald" als uitingen van bijvoorbeeld jaloezie, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarin Davis jr. in het Amerikaanse leger diende, werd hij voor het eerst met sterke raciale vooroordelen geconfronteerd. Later zei hij hierover: "Binnen een dag was de hele wereld anders. Er was niet één kleur meer. Ik zag dat mijn vader en Will mij al mijn hele leven beschermden. Ik waardeerde hun hoop tegen beter weten in dat ik nooit vooroordelen en haat zou kennen, maar zij hadden het bij het verkeerde eind. Het was alsof ik achttien jaar door een draaideur had gelopen, een deur die zij altijd in het geheim open hadden gehouden."
Tijdens zijn dienst sloot hij zich aan bij een entertainmentgroep en vond dat door de schijnwerpers het vooroordeel verdween. "Mijn talent was het wapen, de kracht en de manier voor mij om te vechten. Het was de manier waarop ik denkwerelden zou kunnen beïnvloeden", zei hij. Na de voltooiing van zijn dienst voegde hij zich weer bij Will en zijn vader en dansten zij met toenemend succes.
In 1954 raakte Davis jr. betrokken bij een auto-ongeval dat voor hem blijvende gevolgen zou hebben. Door de aanrijding kwam hij hard met zijn hoofd tegen het stuur van zijn Cadillac terecht en de eivormige toeterknop op het stuur veroorzaakte een ernstige verwonding aan zijn oog. Vanwege de rassenscheiding destijds weigerde een aantal ziekenhuizen hem op te nemen en duurde het 45 minuten vooraleer hij behandeld kon worden, waardoor hij zijn oog verloor. Hij zou 6 maanden lang een ooglapje dragen en uiteindelijk kreeg hij een glazen oog. Toen Davis jr. in het ziekenhuis lag, verdiepte hij zich in het jodendom en enkele jaren later, in 1961, bekeerde hij zich.
In 1955 kwam zijn tweede album uit. Een belangrijke ontwikkeling in zijn carrière kwam in 1956, toen hij de hoofdrol speelde in de Broadwayshow Mr. Wonderful.
In 1959 was Davis jr. een van de medeoprichters van de Rat Pack, een groep topacteurs die door zijn oude vriend Frank Sinatra werd geleid en verder bestond uit Dean Martin, Joey Bishop en Peter Lawford (zwager van de vermoorde president John F. Kennedy). Deze Rat Pack speelde samen in een aantal films en gaf geregeld optredens in het toen nog vrij onbekende Las Vegas, dat mede daardoor uitgroeide tot een toeristische trekpleister. Davis jr. weigerde voortaan om in zalen te werken waar rassenscheiding nog van kracht was. Zijn eisen leidden er uiteindelijk toe dat deze werd opgeheven in de nachtclubs in Miami Beach en de casino's in Las Vegas.
In 1960 veroorzaakte Davis jr. controverse toen hij de (blanke) in Zweden geboren actrice May Britt huwde. Op dat ogenblik waren gemengde huwelijken nog verboden in 31 van de 50 Amerikaanse staten (pas in 1967 werden die wetten afgeschaft door het Federaal Hooggerechtshof). Het paar had één dochter en adopteerde twee zonen. Zij scheidden in 1968. Nog datzelfde jaar begon Davis jr. uit te gaan met Altovise Gore, een danseres in een van zijn shows. Zij werden in 1970 getrouwd door dominee Jesse Jackson en bleven samen tot Davis jr.'s overlijden in 1990.
In 1966 kreeg Davis jr. een eigen tv- en talkshow, The Sammy Davis jr. Show, maar daarna ging het stilaan bergafwaarts met zijn carrière. Een laatste hoogtepunt kwam er in 1972, met de nr. 1-hit The Candy Man, waarna zijn succes beperkt bleef tot de lucratieve optredens in Las Vegas. In Japan verscheen Davis jr. nog in televisiereclamespots voor koffie.
In zijn autobiografie beschrijft Davis jr. zijn levensstijl die alcohol, cocaïne en vrouwen omvatte, en zijn financiële problemen. Hij stierf in 1990 in Beverly Hills, Californië, aan complicaties van keelkanker. Davis jr. ligt begraven in het Forest Lawn Memorial Park Cemetery in Glendale, Californië.

Neil Diamond
Neil Leslie Diamond (New York, 24 januari 1941) is een Amerikaanse zanger en liedjesschrijver. Hij is bekend van nummers als Sweet Caroline, I Am... I Said, Girl, You'll Be a Woman Soon, Song Sung Blue, Beautiful Noise en You Don't Bring Me Flowers, een duet met Barbra Streisand. Daarnaast acteerde hij in een film, The Jazz Singer uit 1980, die hem de hit Love on the Rocks opleverde. Hij schreef ook nummers die bekend werden vanwege hun uitvoering door een andere artiest, waaronder I'm a Believer (The Monkees) en Red Red Wine (UB40).
Biografie
Neil Diamond werd geboren in Flatbush in Brooklyn, New York als kind van joodse ouders. Hij was een klasgenoot van Barbra Streisand (1 jaar ouder) met wie hij in het high-schoolkoor zong. Op zijn zestiende verjaardag kreeg hij zijn eerste gitaar.
Diamond begon in 1958, met nummers als Blue Destiny en A Million Miles Away, waarover hij zei "The first song I ever wrote on a piano. I played all the instruments on this demo... because I worked cheap". Hij werd vooral populair eind jaren zestig. Hij schreef daarbij niet alleen voor zichzelf, maar ook bijvoorbeeld voor The Monkees (A little bit me, a little bit you). Zijn livealbum Hot August Night (1972) vormde de definitieve doorbraak en werd overal bijzonder goed verkocht, zeker in Australië. Na deze plaat volgden de soundtrack Jonathan Livingston Seagull (naar Richard Bachs boek) en Serenade.
Het album Beautiful Noise uit 1976 werd geproduceerd door Robbie Robertson van The Band. Ook andere bandleden speelden op het album. In de film van het afscheidsconcert van The Band, The Last Waltz, zong Diamond "Dry Your Eyes" van het album. Na het livealbum Love at the Greek (1976) werkte Diamond enkele jaren met de producer Bob Gaudio, in de tweede helft van de jaren zeventig, aan de albums I'm Glad You're Here with Me Tonight, You Don't Bring Me Flowers (de titelsong werd later een duet met Streisand), September Morn (1976) en The Jazz Singer.
De plaatverkoop stagneerde een beetje in de jaren tachtig, al werden zijn concerten nog steeds goed bezocht. Veel nummers, vooral die uit zijn begintijd (Red Red Wine, Girl, You'll Be a Woman Soon en I'm a Believer), werden door anderen gezongen en ook voor films (waaronder Pulp Fiction en Shrek) gebruikt.
In 1980 speelde Diamond de hoofdrol in de film The Jazz Singer van Richard Fleischer. In deze film vertolkt hij de rol van de zoon van een joodse cantor die zijn droom om popster te worden nastreeft. In Amerika alleen al werden 5 miljoen exemplaren verkocht van het album. In 1998 brachten Neil Diamond en Elmer Bernstein The Movie Album: As Time Goes By uit. Het album kwam in de Billboard 200 op de 31ste plaats.
In 2005 kwam zijn eerste biografie uit.
Zijn drie cd's Three Chord Opera, 12 Songs (2005) en Home Before Dark (2008) werden, wellicht door het producerswerk van Rick Rubin (laatste twee albums) en door weer zelf geschreven teksten en muziek, een succes. Op 24 en 25 mei 2008 trad Diamond op in Ahoy Rotterdam en op 29 mei kwam hij voor de eerste keer naar België; Diamond trad toen op in het Sportpaleis in Antwerpen. In oktober 2008 verscheen nog een boek over Neil Diamond: He is ... I say, geschreven door David Wild (Rolling Stone).
Op 14 mei 2008 kwam zijn album Home Before Dark op de eerste plaats binnen in de Billboard Top 200, het was zijn eerste Amerikaanse nummer 1-album.
Op 12 januari 2009 begon Diamond met de opnamen van een nieuw album, zijn derde met Rick Rubin: Dreams. Op 20 augustus van dat jaar verscheen er een dvd en dubbel-cd van zijn wereldtournee van 2008, die door meer dan één miljoen mensen werd bezocht. De dubbele live-cd Hot August Night, NYC kwam binnen op de tweede plaats van de Billboard Top 200.
Voor 2010 stond een nieuwe wereldtoer in de planning voor de inmiddels 69-jarige Diamond. Op 2 november 2010 kwam de nieuwe cd Dreams uit, een album waarop hij zijn favoriete nummers van onder andere The Beatles, Bill Withers en Leonard Cohen covert. De hoogste binnenkomst was nummer 5 in de Top 50 Albums Australië en Nieuw-Zeeland Albums Top 40.
Op 4 juni 2011 gaf Diamond zijn tweede Belgische optreden in het Antwerpse Sportpaleis. Op 9 en 11 juni volgden concerten in het Rotterdamse Ahoy.
Op 21 oktober 2014 verscheen het door Don Was geproduceerde studioalbum Melody Road. In 2015 ging Diamond op wereldtournee, in het kader waarvan hij twee avonden in de Amsterdamse Ziggo Dome stond.
In oktober 2020 kwam het bericht dat er een nieuw album gaat verschijnen op 20 november van dat jaar: het album heeft de titel "Classic Diamonds". Hij had het afgelopen jaar samengewerkt met het London Symphony Orchestra; in totaal zijn 14 van zijn bekendste nummers opnieuw gearrangeerd. In de Abbey Road studio's is de muziek opgenomen en Neil Diamond heeft in zijn eigen studio de liedteksten ingezongen.
Begin 2022 verkocht hij zijn volledige muziekcatalogus, inclusief 110 nog niet uitgebrachte tracks, voor een onbekend bedrag aan Universal Music Group (UMG). Wanneer Diamond tezijnertijd nog nieuwe albums hiervan gaat maken, dan wordt ook dit nieuwe werk door UMG uitgebracht. Hij heeft meer dan 130 miljoen albums verkocht als singer-songwriter en daarnaast miljoenen als uitsluitend songwriter.
Eind 2022 kwam er een musical uit over het leven van Neil Diamond, A Beautiful Noise, die op Broadway in première ging. In een van de shows was Diamond zelf aanwezig, waar hij Sweet Caroline zong.

Sacha Distel
Alexandre Sacha Distel (meer bekend als Sacha Distel) (Parijs, 29 januari 1933 - Rayol-Canadel-sur-Mer, 22 juli 2004) was een Frans zanger, jazzgitarist en componist.
Biografie
Sacha (koosnaampje voor Alexander) was de zoon van een uit Rusland geëmigreerde scheikundige. Na de Tweede Wereldoorlog kwam hij in contact met de Parijse variant van de jazz, voornamelijk de jazzgitaar met onder meer Django Reinhardt en Ray Ventura, overigens een oom van hem. Als jonge jazzgitarist trad hij onder meer op in Algerije, toen nog Frans gebied. Een tijdlang speelde hij als begeleider van Juliette Greco. Hij had nog meer succes als zanger en werd onder meer beïnvloed door Henri Salvador. Zijn eerste gezongen succes werd het nummer Scoubidou. Distel coverde veel Engelstalige nummers, doch werk van hem werd ook gecoverd. Zo werd zijn La Belle vie vertaald voor Frank Sinatra, die er met The good life een hit mee scoorde. Er bestaan wereldwijd 250 versies van.
Op zijn negentiende trok hij naar New York waar hij zijn Engelse taalkennis verbeterde en in het wereldje van componisten en producers terechtkwam.
Hij zou een korte relatie gehad hebben met Brigitte Bardot, maar trouwde in 1963 met Francine Bréaud (ski-kampioene), bij wie hij twee zonen had. Vanaf de beginjaren '60 trad hij op in televisieshows.
Na een auto-ongeval in 1985 stopte bijna zijn carrière, omdat hij aansprakelijk werd gesteld voor de geleden schade van zijn passagier, de actrice Chantal Nobel.
Samen met Henri Salvador is hij een van de weinige Franse muzikanten die in de Dictionaire du jazz vermeld staan.

Eddie Fisher
Edwin Jack "Eddie" Fisher (Philadelphia, 10 augustus 1928 – Berkeley, 22 september 2010) was een Amerikaans zanger.
Levensloop
Fisher was een crooner die met name tussen 1950 en 1955 verschillende hits had in de Verenigde Staten. Hij nam onder andere Tell Me Why en Oh! My Pa-Pa (O mein Papa van de Zwitserse liedjesschrijver Paul Burkhard) op en had een Amerikaanse nummer-1-hit met Wish You Were Here van Harold Rome. In deze periode vervulde hij ook zijn dienstplicht en diende hij een jaar in Korea.
Vanaf 1953 presenteerde Fisher op NBC zijn eigen show Coke Time with Eddie Fisher. Het programma werd in 1957 stopgezet. Later datzelfde jaar kreeg hij samen met zijn echtgenote Debbie Reynolds een nieuwe show The Eddie Fisher Show. Met Reynolds was hij in 1956 al te zien in de musicalfilm Bundle of Joy. Na het overlijden van producent Mike Todd, die een goede vriend was van Fisher, kreeg hij een relatie met diens vrouw Elizabeth Taylor. Het schandaal rond deze relatie en de daaropvolgende scheiding van Reynolds leidde ertoe dat NBC The Eddie Fisher Show in maart 1959 stopzette. Taylor en Fisher trouwden in mei 1959 in Las Vegas. Ze waren in 1960 samen te zien in de film BUtterfield 8.
Eddie Fisher was in totaal vijf keer getrouwd. Na Reynolds (1955-1959) en Taylor (1959-1964) trouwde hij in 1967 met actrice Connie Stevens. Fisher had vier kinderen. Twee uit zijn huwelijk met Reynolds (Carrie Fisher en Todd Fisher) en twee uit zijn huwelijk met Stevens (Joely Fisher en Tricia Leigh Fisher). Hij overleed in 2010 op 82-jarige leeftijd door complicaties na een heupoperatie.

Serge Gainsbourg
Serge Gainsbourg, artiestennaam van Lucien Ginsburg (Parijs, 2 april 1928 – aldaar, 2 maart 1991) was een Franse dichter, zanger, componist, acteur en regisseur.
Persoonlijk leven
Hij werd geboren als Lucien Ginsburg in Parijs als de zoon van Joods-Oekraïense ouders uit Charkov (Oekraïne) die hun geboorteland waren ontvlucht na de Russische Revolutie. Zijn vader was een pianist die ook aan schilderkunst deed, zijn moeder was mezzosopraan. Hij bracht zijn jeugd door in Parijs, waar zijn vader piano speelde in een bar en zijn moeder les gaf aan een conservatorium. De Ginsburgs kregen in 1932 de Franse nationaliteit, die hen tijdens de Tweede Wereldoorlog tijdelijk ontnomen werd door het Vichy-regime. Onder de Duitse bezetting moesten ze de davidster dragen in Parijs en doken ze onder om aan deportatie te ontsnappen.
Gainsbourg heeft zijn middelbaar onderwijs niet volledig afgemaakt, maar volgde lessen schilderkunst, onder meer bij Fernand Léger, in de vergeefse hoop een groot schilder te worden. Tijdens zijn militaire dienst werd hij regelmatig gestraft wegens gebrek aan discipline en raakte hij gewend aan zwaar alcoholgebruik. Tot zijn twintigste kwam hij aan de kost door allerlei beroepen. Uiteindelijk kreeg hij een zeker succes als crooner in casino's en nachtclubs.
Sinds 1947 had hij een relatie met de surrealistische schilderes Élisabeth Levitsky, de dochter van Russische aristocraten, met wie hij in 1951 huwde. Nadat hij in 1957 van haar gescheiden was, begon hij een relatie met Françoise-Antoinette Pancrazzi, met wie hij van 1964 tot 1966 getrouwd was en twee kinderen had (het tweede kwam er toen ze zich na hun scheiding kortstondig verzoend hadden). In 1967 had hij enkele maanden een verhouding met Brigitte Bardot. In 1968 leerde hij de Engelse actrice Jane Birkin kennen toen ze samen in een film optraden. Van haar had hij in 1971 zijn dochter Charlotte Gainsbourg. Ze gingen in 1980 uit elkaar. Het jaar daarop ging Gainsbourg samenwonen met de 21 jaar jongere mannequin Bambou (Caroline Paulus), wier vader een neef zou zijn van Friedrich Paulus maar deze verwantschap is twijfelachtig en omstreden. Hij was met haar getrouwd van 1981 tot zijn dood; in 1986 kregen ze een zoon: Lucien of Lulu Gainsbourg.
In de laatste tien jaar van zijn leven verscheen hij dikwijls op de Franse tv in talkshows, met zijn controversiële humor en provocaties. Tijdens een liveoptreden deelde hij, zichtbaar stomdronken, zijn medegenodigde Whitney Houston mee dat hij haar wilde neuken. Zijn liedjes werden steeds excentrieker, van het anti-drug 'Les Enfants de la Chance' tot het dubbelzinnige 'Lemon Incest' met zijn dochter Charlotte. Dit illustreert zijn liefde voor woordspelletjes, soms ook pijnlijk, 'Bowie, Bah Oui' (of: 'Bowie, Beau oui comme Bowie').
Werk
Gainsbourg schreef soundtracks voor meer dan veertig films. Zelf regisseerde hij vier films: Je t'aime moi non plus, Equateur, Charlotte For Ever en Stan The Flasher.
Zijn grootste hit, Je t'aime... moi non plus veroorzaakte veel ophef vanwege het suggestieve gehijg en een tekst met een dubbele bodem. Hoewel het lied oorspronkelijk in 1967 werd opgenomen met Brigitte Bardot, werd deze versie niet uitgebracht, omdat de toenmalige echtgenoot van Brigitte Bardot, Gunter Sachs, het lied verbood. In 1969 bracht Gainsbourg de song opnieuw uit, ditmaal gezongen door zijn toekomstige vriendin Jane Birkin. In deze versie zingt zij op verzoek van Gainsbourg een octaaf hoger dan Bardot om het effect van een koorknaap te bewerkstelligen. Omdat het als 'te heet' beschouwd werd, werd dit lied in verschillende landen gecensureerd en Frankrijk werd de meest expliciete versie geheel onthouden. De controverse zorgde voor veel bekendheid en droeg eraan bij dat het de nr. 1 werd in verscheidene hitlijsten, waaronder die van het Verenigd Koninkrijk. De negatie van de tekst "moi non plus" werd eerder geciteerd door Salvador Dali en was voor Gainsbourg de inspiratie voor de tekst van dit lied. Het citaat luidde als volgt : " Picasso is een schilder, ik ook. Picasso is Spaans, ik ook. Picasso is een communist, ik ook niet".
Histoire de Melody Nelson werd uitgebracht in 1971. Het was een conceptalbum samengesteld door Jean-Claude Vannier en vooral gebaseerd op Nabokovs roman Lolita. Het heeft artiesten zoals Air, David Holmes en Beck beïnvloed. In 1975 bracht hij het album Rock Around the Bunker uit, een rockalbum dat volledig gewijd is aan het nazisme, waarin hij met zwarte humor herinneringen bovenhaalt van zijn leed en van zijn familie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het daaropvolgende jaar werd L'Homme à tête de chou uitgebracht met Marilou als een nieuw karakter en met veel bombastische, orkestrale muziek.
In 1978 nam hij in Jamaica een reggaeversie op van het Franse volkslied, de 'Marseillaise', 'Aux Armes et cetera' , samen met de band van Bob Marley, The Wailers. Hierom kreeg hij doodsbedreigingen van rechtse veteranen uit de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog. Kort daarna kocht Gainsbourg het originele manuscript van de Marseillaise. Hiermee toonde hij de critici aan dat zijn versie dichter bij het origineel was omdat in het origineel de woorden "Aux armes et cætera..." voorkomen in het refrein. Het jaar daarop werd zijn Gainsbarre-look officieel voorgesteld in de film Ecce Homo. In deze periode bracht hij Love On The Beat en zijn laatste studioalbum You're Under Arrest uit, evenals twee live-cd's.
Toen Zizi Jeanmaire zich ging toeleggen op het chanson koos ze bij voorkeur liederen van Serge Gainsbourg, die centraal staan in haar albums Au Casino de Paris (1972) en Bombino (1977). Een van de vertolkers van zijn muziek was ook Petula Clark, wier succes in Frankrijk vooral te danken was aan het zingen van Gainsbourgs muziek. In 2003 schreef ze 'La Chanson de Gainsbourg' als een eerbetoon aan de componist van sommige van haar grootste hits. Gainsbourg is ook de componist van Poupée de cire, poupée de son, waarmee France Gall het Eurovisiesongfestival won voor Luxemburg.
Overlijden
Gainsbourg overleed op 2 maart 1991 aan zijn vijfde hartaanval en werd begraven op het kerkhof van Montparnasse te Parijs, alwaar hij werd bijgezet in het graf van zijn ouders. Zijn huis op het beroemde adres 5bis Rue de Verneuil is nog steeds volledig bedekt met graffiti en gedichten, evenals met foto's van belangrijke figuren in zijn leven, onder wie Bardot en Birkin. Ook liggen er metrokaartjes verwijzend naar zijn debuutsingle "Le poinçonneur des Lilas" (de kaartjesknipper van metrostation Lilas).

Bobby Goldsboro
Bobby Goldsboro (Marianna (Florida), 18 januari 1941) is een Amerikaanse pop- en country-singer-songwriter.
Biografie
Goldsboro werd geboren in Marianna (Florida) en groeide op in Dothan (Alabama). Daar zette hij zijn eerste stappen in de muziek op de plaatselijke highschool, als lid van de band The Webbs. Na de highschool ging Goldsboro bedrijfsadministratie studeren aan de universiteit van Auburn (Alabama), maar hij bleef gitaar spelen bij The Webbs. De reputatie van de groep groeide en tijdens Goldsboro's tweede jaar aan de universiteit kregen ze Buddy Buie als manager, een oude bekende uit de highschool. Hij had zich in Nashville gevestigd als producer en songschrijver. Dankzij hem kregen de Webbs een aantal concertboekingen. Op een daarvan mochten ze Roy Orbison begeleiden, die zijn vorige begeleiders had ontslagen. Dat bleek zo goed te werken dat Orbison hen vroeg om zijn permanente begeleiders te worden. Ze namen het aanbod aan, wat betekende dat Goldsboro de universiteit moest verlaten.
De groep toerde van 1962 tot 1964 met Orbison. In die periode trouwde Goldsboro met Mary Alice. Hij bracht een paar singles uit, die weinig tot geen succes kenden, totdat hij in 1963 een eigen compositie opnam, See the Funny Little Clown (op United Artists Records). De single haalde de top-10 van de Amerikaanse hitparade en werd meer dan één miljoen keer verkocht. Het werd zijn eerste gouden plaat.
Goldsboro koos daarop in 1964 voor een solocarrière. De volgende tien jaar scoorde hij een rij hits en kreeg nog meer gouden platen, onder meer voor Little Things uit 1965, It's too late uit 1966 en Watching Scotty Grow uit 1971. Zijn grootste hit werd Honey (1968), zijn enige nummer 1-hit in de Billboard Hot 100 en de Billboard Country-hitlijst. De gelijknamige lp voerde ook de Country-LP-hitlijst aan. Honey werd wereldwijd de best verkochte single van 1968. Goldsboro had vanaf dat moment meer succes als country- dan als popartiest. Zijn laatste Top-40 hit in de Billboard Hot 100 was Summer (The First Time) uit 1973, maar in de Country Top-40 bleef hij opduiken tot de vroege jaren 1980.
Van 1973 tot 1975 had hij zijn eigen muzikale variétéshow op de Amerikaanse televisie, The Bobby Goldsboro Show.
In de 1980's stopte Goldsboro met plaatopnames en optredens om zich meer toe te leggen op zijn activiteiten als componist, arrangeur, producer en schrijver van verhalen voor kinderen. Hij schreef de muziek, waaronder een nieuw thema, voor de seizoenen 1993-1994 van de Amerikaanse sitcom Evening Shade. Vanaf 1995 creëerde en produceerde hij zelf de televisiereeks The Swamp Critters of Lost Lagoon voor kinderen van twee tot zes. Verschillende van zijn verhalen verschenen als audioboek of tekenfilm. Hij is later ook olieverfschilderijen gaan maken, die hij verkoopt op zijn website
In 1999 werd Goldsboro opgenomen in de Alabama Music Hall of Fame.
Belangrijkste hits
See the Funny Little Clown (1964) US #9
Whenever He Holds You (1964) US #39
Little Things (1964) US #13
Voodoo Woman (1965) US #27
It's Too Late (1966) US #23
Blue Autumn (1967) US #35
Honey (1968) US #1, UK #2
Autumn of My Life (1968) US #19
The Straight Life (1968) US #36
Watching Scotty Grow (1971) US #11
Summer (The First Time) (1974)UK #9, US #21
Hello, Summertime (1974) UK #14
De artiesten 5
Hier vindt u meer informatie over de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Buddy Greco
Armando 'Buddy' Greco (Philadelphia, 14 augustus 1926 – Las Vegas, 10 januari 2017) was een Amerikaanse jazzzanger en -pianist en popzanger.
Biografie
Greco begon al op zijn vierde piano te spelen onder het toeziend oog van zijn vader. Hij leidde in zijn tienerjaren een eigen trio en in 1948 toen hij 22 jaar was werd hij aangenomen door bandleider Benny Goodman, waar hij tot eind 1949 werkte als zanger, pianist en arrangeur. Hij werd daarna actief als zanger/pianist in nachtclubs en ging platen maken in allerlei genres: jazz, pop, maar ook country. Met verschillende singles haalde hij de Amerikaanse hitlijsten, waaronder "Ooh! Look-A There, Ain't She Pretty" (1947)(Meer dan 1 miljoen verkochte exemplaren) en "I Ran All the Way Home" (1951). Een plaatje was "The Lady is a Tramp" uit 1960, dat in Amerika veel werd verkocht en ook in Engeland succesvol was (plek 26 op de hitparade). Hij nam meer dan zestig langspeelplaten (en honderd singles) op, waarvan een aantal voor Reprise, het platenlabel van Frank Sinatra. Greco was met Sinatra bevriend en vermaakte zich ook wel in het gezelschap van de Rat Pack. Hij maakte tevens een plaat met het London Symphony Orchestra, dat hij dirigeerde. In de jaren zestig trad hij op met de Beatles voor koningin Elisabeth. In 1967 verscheen hij 14 weken lang in de televisieserie "Away We Go" en twee jaar later had hij een rol als zanger in de film "The Girl Who Knew Too Much". Eind jaren zestig speelde hij samen met de gitarist Ron Escheté, waarmee hij toerde en in enkele tv-shows optrad, zoals The Mike Douglas Show. In die tijd had hij ook een succesvol album, "Movin' On". In 1974 trad Buddy Greco op samen met Shirley MacLaine in het Amsterdamse theater Carré.
Las Vegas en Engeland
In het begin van de jaren negentig toerde Greco met The Salute to the Benny Goodman Band en had hij een langlopende show in Las Vegas. Hij trad (tot de sluiting in 2009) op in zijn eigen club in Cathredal City (nabij Palm Springs), waar hij vaak samenwerkte met zijn vrouw Lezlie Anders. Greco speelde veel in Engeland, waar hij lange tijd gewoond heeft in Essex. Hij werkte er in clubs, zo speelde hij met zijn vrouw in de jazzclub van Ronnie Scott. Tevens trad het tweetal op met de BBC Big Band. In 2010 bracht hij met het 40-koppige BBC Concert Orchestra voor de radio een muzikaal eerbetoon aan Frank Sinatra. In hetzelfde jaar produceerde het echtpaar een muzikale show over het leven en de muziek van Peggy Lee, een vriendin van Lezlie Anders. De show was ook te zien in Amerika. Een andere show uit die tijd was de Swinging Las Vegas Legends Show. In 2013 vierde Greco het feit, dat hij tachtig jaar in de showbusiness actief was met een concert in Southend (Sussex).

Engelbert Humperdinck
Engelbert Humperdinck, artiestennaam van Arnold George Dorsey (Madras, India, 2 mei 1936), is een Brits popzanger in het easy listening-genre.
Carrière
Arnold Dorsey werd in India geboren. De familie van zijn vader, onderofficier in de British Army, was afkomstig uit Wales, zijn moeders familie was volgens Dorsey afkomstig uit Duitsland. Het gezin, inclusief negen broers en zusters, verhuisde in 1946 naar Leicester in Engeland. Hij werd omstreeks 1955 saxofonist in nachtclubs en later zanger. Hij trad tien jaar op onder de naam Gerry Dorsey, maar om zijn succes te vergroten nam hij op zeker moment de opvallender naam Engelbert Humperdinck aan, ontleend aan de Duitse componist van de populaire opera Hänsel und Gretel. Dat kwam hem op een proces te staan, aangespannen door diens erfgenamen. Er is geen familieverwantschap tussen Dorsey en Humperdinck, noch enige andere connectie.
In 1966, nog voor zijn grote succesperiode, nam hij namens het Verenigd Koninkrijk deel aan het Songfestival van Knokke. Volgens hemzelf was België de wieg van zijn succes. Hij trad er regelmatig op, vooral in Knokke en Mechelen. Hij scoorde in Vlaanderen zes nummer 1-hits waarmee hij in totaal 32 weken op de hoogste positie stond. In maart 1968 was er een cover door Engelbert Humperdinck van Quando quando quando, dat origineel in februari 1962 uitgebracht was geworden door Tony Renis, Emilio Pericoli en Pat Boone. De eerste cover uit maart 1968 staat onder meer op de albums "Top Star Festival" uit 1971, Engelbert Humperdinck His greatest Hits 31 Track Double Album (1967, 1968, 1969), Engelbert Humperdinck Wereldsuccessen (Zijn 30 grootste successen, 1967, 1968, 1969), en Engelbert Humperdinck His Greatest Hits (1967, 1968, 1969, 1970, 1971). Voorts is er nog een tweede cover, een gereviseerde dance-versie van Humperdinck uit 1999.
In 1997 bracht Humperdinck, in samenwerking met onder anderen Peter Koelewijn, het album A little in love uit, dat bestaat uit 13 Engelstalige covers van oorspronkelijk Nederlandstalige nummers. Begin juni 2007 stond hij in Nederland samen met de Toppers en de dansers Remco Bastiaansen en Charissa van Dipte zes keer in de Amsterdam ArenA.
In mei 2012 was Humperdinck de Britse vertegenwoordiger bij het Eurovisiesongfestival 2012 met het nummer Love Will Set You Free, geschreven door Martin Terefe en Sacha Skarbek. Hij eindigde op de 25ste en voorlaatste plaats.
Engelbert Humperdinck verkocht wereldwijd 150 miljoen platen en kreeg daarvoor 72 gouden en 23 platina platen.

Red Hurley
Brian "Red" Hurley (Dublin, 11 november 1949) is een Iers zanger.
Biografie
Hurley startte zijn muzikale carrière in 1969. Zijn doorbraak kwam er in 1971, toen hij leadzanger werd van The Nevada. De band reeg de nummer éénnoteringen aaneen. In 1976 nam hij solo deel aan het Eurovisiesongfestival. Met het nummer When. Hij eindigde op de tiende plek. Hurley werd nadien een gevestigde waarde in de Ierse muziekwereld, en blijft tot op heden actief.

Gregory Isaacs
Gregory Anthony Isaacs (Kingston, 15 juli 1950 – Londen, 25 oktober 2010) was een Jamaicaans reggae-artiest. Zijn bijnaam was Cool Ruler.
Isaacs was in de jaren '70 een van de populairste artiesten in Jamaica. Toen Isaacs begin jaren '80 een contract tekende bij Island Records kreeg hij zijn grootste succes met het album Night Nurse.
Overlijden
Isaacs overleed in de nacht van 24 op 25 oktober 2010 op 60-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker.

Jack Jones
John Allan Jones (Los Angeles, 14 januari 1938 – Rancho Mirage (Californië), 23 oktober 2024) was een Amerikaanse pop- en jazzzanger en acteur.
Biografie
Jones groeide op als enige kind van de acteur en zanger Allan Jones en de actrice Irene Hervey in Los Angeles. Daar bezocht hij de University High School en daarnaast kreeg hij van zijn vader toneel- en zangonderricht. Na de schoolafsluiting accepteerde hij eerst gelegenheidsbaantjes, werkte hij als pompbediende en begon hij vanuit Los Angeles als zanger op te treden in kleinere clubs. In 1957 tekende hij een contract met het in Los Angeles gevestigde Capitol Records, waar hij tot 1959 zes mislukte singles en een lp opnam.
In 1960 wisselde Jones naar het New Yorkse Kapp Records, waar onder meer Brian Hyland onder contract stond. Als eerste single bracht Kapp Records It's a Lonesome Town / Lot of Livin' to Do uit, dat echter ook geen succes had. Aangezien Jones vervolgens zijn militaire dienstplicht moest vervullen, verscheen pas een jaar later zijn volgende single. Zijn eerste succesvolle nummer Lollipops and Roses kwam in november 1961 op de markt. Het liedje bereikte de Billboard Hot 100 (nr. 60) en werd onderscheiden met een Grammy Award. Zijn grootste succes had Jones eind 1963 met het door Burt Bacharach gecomponeerde nummer Wives and Lovers, dat gedurende 14 weken eveneens in de Billboard Hot 100 stond (nr. 14). Ook dit nummer leverde een Grammy Award op. Tot 1969 bracht Kapp Records met Jones 36 singles en meer dan tien lp's uit, waarvan 18 singles de Hot 100 haalden.
Al in 1967 werd Jones gecontracteerd door RCA Victor. Daar nam hij tot 1975 platen op. De nummers If You Ever Leave Me (nr. 5) en Live for Life (nr. 9) uit 1968 wisten de AC-hitlijst te bereiken. Met zijn concerten trad Jones vooral succesvol op in Las Vegas tot in de jaren 1990. Naast zijn zangcarrière had hij ook talrijke verbintenissen als musicalvertolker en acteur. Behalve in zijn toneelrollen was Jones ook te zien in talrijke tv-producties. In 1989 werd hij net als zijn vader geëerd met een ster op de Hollywood Walk of Fame.
Jones overleed op 23 oktober 2024. Hij werd 86 jaar oud.

Tom Jones
Sir Thomas John Woodward OBE, beter bekend als Tom Jones (Pontypridd (Wales), 7 juni 1940) is een Britse popzanger, afkomstig uit Zuid-Wales. Hij scoorde vanaf 1965 verschillende hits, zoals It's Not Unusual, Delilah, Green, Green Grass of Home en She's a Lady.
Biografie
Jones kwam ter wereld als zoon van een mijnwerker. Hij begon al op jonge leeftijd te zingen en in 1964 verwierf hij uiteindelijk een platencontract bij Decca Records. Zijn in dat jaar verschenen debuutsingle, Chills and fever, werd geen succes, maar met de opvolger It's not unusual scoorde hij in 1965 een internationale hit.
Vooral in de jaren zestig en zeventig was Tom Jones een wereldster en een sekssymbool. Hij scoorde wereldwijd vele hits. Vanaf 1970 was hij een graag geziene gast in Las Vegas. Daar trad hij op naast andere wereldvedetten als Elvis Presley (die tevens een goede vriend was van Jones) en Frank Sinatra. In 1979 maakte hij zijn filmdebuut in de televisiefilm Pleasure Cove.
Na de jaren zeventig nam Jones' populariteit af, maar in 1988 scoorde hij opnieuw een wereldhit met de single Kiss (gecoverd van Prince). Eind jaren 90 kende Jones opnieuw een groot succes met het duettenalbum Reload, waarvoor hij samenwerkte met uiteenlopende artiesten. Vooral de single Sex bomb, een samenwerking met Mousse T., werd een hit en zorgde ervoor dat ook jongere generaties kennismaakten met Jones.
Van maart 2012 tot 1 oktober 2015 is Tom Jones coach geweest bij The Voice UK op de zender BBC 1.[2] Op 11 april 2016 overleed zijn echtgenote Melinda op 75-jarige leeftijd thuis in Los Angeles. Ze waren 59 jaar getrouwd. Begin 2017 werd hij opnieuw coach bij The Voice. In 2018 moest hij vanwege gezondheidsproblemen diverse keren concerten annuleren.
In 2025 trad hij op 85-jarige leeftijd nog steeds op, onder andere in de Ziggo Dome in Amsterdam.
De artiesten 6
Hier vindt u meer informatie over de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Udo Jürgens
.Udo Jürgens, artiestennaam van Jürgen Udo Bockelmann (Klagenfurt (Oostenrijk), 30 september 1934 – Münsterlingen (Zwitserland), 21 december 2014) was een Oostenrijkse componist, pianist en zanger. Hij had, naast de Oostenrijkse, sinds 2007 ook de Zwitserse nationaliteit. Met ongeveer 100 miljoen verkochte albums was Udo Jürgens een van de succesrijkste entertainers in de Duitstalige wereld. Zijn actieve carrière overspant bijna 60 jaar. Udo Jürgens' muziek houdt het midden tussen pop en chanson. Jürgens werd in 1966 de eerste Oostenrijkse winnaar van het Eurovisiesongfestival.
Persoonlijk leven
In het ouderlijk kasteel Ottmanach groeide Jürgens op met twee broers. Zijn jongere broer Manfred Bockelmann (1943) is kunstschilder en fotograaf. Jürgens studeerde muziek, onder meer in Salzburg. Een oom van moederskant is de dadaïst Jean Arp. Een oom van vaderskant was van 1956 tot 1964 burgemeester van Frankfurt.
Van 1964 tot 1989 was hij getrouwd met oud-fotomodel Erika Meier. Uit dit huwelijk had hij twee kinderen (1964 en 1967). Buiten dit huwelijk had hij in ieder geval nog twee buitenechtelijke dochters. In 1999 trouwde Jürgens voor de tweede maal, dit keer met Corinna Reinhold. Het paar leefde de laatste jaren echter gescheiden van elkaar. Vanaf februari 2007 had Jürgens naast zijn Oostenrijks paspoort ook een Zwitsers paspoort.
Jürgens overleed op 21 december 2014. Tijdens een wandeling in het Zwitserse Gottlieben bezweek hij aan een hartstilstand. Reanimatiepogingen in een ziekenhuis in het nabijgelegen Münsterlingen waren tevergeefs. Jürgens werd 80 jaar oud. Op 23 december 2014 werd hij in stilte gecremeerd en zijn urn werd in het voorjaar van 2015 bijgezet op het Zentralfriedhof in Wenen. Jürgens rust daar naast onder anderen zanger Falco, componist Franz Schubert en actrice Hedy Lamarr.
Loopbaan
In 1950 won Jürgens een door de ORF georganiseerde wedstrijd voor componisten met het liedje Je t'aime. Tien jaar later schreef hij voor Shirley Bassey de wereldhit Reach for the Stars. Dit is echter niet de enige wereldster voor wie hij liedjes schreef. Een oorspronkelijk voor Frank Sinatra geschreven compositie, If I never sing another song, werd opgenomen door onder anderen Frankie Laine en Sammy Davis jr., die er al zijn tv- en concertoptredens mee afsloot.
In 1964 deed hij een eerste gooi naar een Eurovisieoverwinning met het liedje Warum, nur Warum. Het eindigde op de zesde plaats en de Britse kandidaat Matt Monro vond het nummer zo goed dat hij het coverde als Walk away en op nummer 1 in de Britse hitparade en op een tweede plaats in de Amerikaanse hitparade kwam. Een jaar later werd Jürgens vierde op het Eurovisiesongfestival 1965 in Napels met Sag' ihr, ich laß sie grüßen. In 1966 won hij met Merci, Chérie het Eurovisiesongfestival. Daarmee was hij de enige Oostenrijkse winnaar van dit evenement tot Conchita Wurst het Eurovisiesongfestival 2014 won.
In de daaropvolgende jaren schreef hij enkele Duitse evergreens zoals Griechischer Wein, Aber bitte mit Sahne en Mit 66 Jahren. Een van zijn grootste successen was samen met het Duitse voetbalteam in 1978, toen hij Buenos Dias Argentina zong. Hiervoor kreeg hij ook een Grammy Award, aangezien dit lied als countrylied in Noord-Amerika erg succesvol was.
In de jaren zestig was Jürgens in meerdere speelfilms te zien en in de jaren negentig in televisieseries, waaronder Das Traumschiff en Ein Schloß am Wörthersee.
In Nederland hebben zangers ook succes gehad met de composities van Jürgens, onder meer André van Duin ("Een echte vriend", Ich war noch niemals in New York), Joe Harris ("Drink rode wijn" , "Griechischer Wein") en Gerard Cox ("Avond", Abends). "Foto van vroeger" is een cover van het nummer Damals wollt' ich erwachsen sein van Udo Jürgens, dat in 1977 op diens album Lieder, die auf Reisen gehen verscheen. Dit nummer, geschreven door Jürgens en Irma Holder, werd door Joost Nuissl naar het Nederlands vertaald en opgenomen door Rob de Nijs. De grootste hit is echter wel Gib mir deine Angst, in het Nederlands als "Geef mij je angst" gezongen door zowel de vertaler André Hazes als door Guus Meeuwis.
Thema's
Jürgens was een van de productiefste en een van de succesvolste popmusici in Duitstalig Europa. Hij schreef meer dan 1000 liederen en bracht zo'n vijftig studioalbums uit die ruim 100 miljoen keer over de toonbank gingen. In zijn liedteksten gaat het vaak over diepere problematiek, de huidige decadentie (Café Größenwahn uit 1993) of de consumptiemaatschappij (Aber bitte mit Sahne, 1976). Het milieu heeft zijn aandacht (5 Minuten vor Zwölf, 1982), evenals verslaving (Rot blüht der Mohn, 1983). Vermeldenswaard is hier het Blaue Album uit 1988, een album dat openlijk kritiek uit op de Rooms-Katholieke Kerk. Het lied Gehet hin und vermehret euch werd door de openbare zenders in Oostenrijk en Duitsland niet uitgezonden vanwege de tekst.
Der Mann mit dem Fagott
Jürgens schreef samen met Michaela Moritz het boek Der Mann mit dem Fagott (De man met de fagot). Het boek speelt zich in het verleden af, in Bremen, en gaat over de familiegeschiedenis van de Bockelmanns. Het vertelt het verhaal van Heinrich Bockelmann (Jürgens' grootvader), Rudjaska (Rudi) Bockelmann (Jürgens' vader) en uiteraard Jürgens zelf. Tevens bevat het een groot deel Europese geschiedenis, waaronder de Eerste Wereldoorlog, waarin Jürgens grootvader een van de laatste Duitse bankiers in Rusland was, de Tweede Wereldoorlog en ook de tijd van Jürgens' eigen leven.

Wim Koopmans
Willem Simon (Wim) Koopmans (Rotterdam, 16 juni 1941 - 7 maart 2012) was een Nederlands jazz- en easylisteningzanger en crooner.
Biografie
Wim Koopmans was een zoon van Piet Koopmans (The Three Jacksons) en een volle neef van Corrie van Gorp en een achterneef van Rudi Koopmans. Hij wordt ook wel de Nederlandse Tony Bennett genoemd vanwege zijn timbre en stemgeluid. Hij heeft kort voor de voetbalclub SBV Excelsior gespeeld en heeft 25 jaar gebokst, en hij was lid van de Dutch Windmill Club.
Zijn vader bracht hem groot met orgel- en accordeonlessen. Bij Paul Bronkhorst van het Rotterdams Philharmonisch Orkest leerde hij de bas spelen. Hij werd een veelgevraagd studiomuzikant en speelde in vele radio-orkesten. Rond 1968 was Wim veel in Amsterdam om bij Willy Alberti’s platenzaak op het Osdorpplein platen te kopen van Amerikaanse (jazz)artiesten, zoals Tony Bennett en Frank Sinatra, een bron van inspiratie. Willy Alberti woonde aan de Colenbranderhof in Slotervaart met een dubbele garage, die Freddie Heineken liet verbouwen en inrichten tot privé-bar; de “Edison”-bar. Willy Alberti zong daar regelmatig nummers van Bennett en Sinatra. Wim Koopmans jamde er regelmatig met onder andere Eddy Christiani en Tonny Eyk, die vaste begeleider van Willeke en Willy Alberti was (en in 1969 met hen en The Three Jacksons door Australië en Nieuw-Zeeland toerde).
In 1972 formeerde hij zijn eigen orkest, The New Formation, en trad onder andere op bij Joop van der Ende, maar als zanger brak hij door in 1980 toen Rita Reys en Pim Jacobs hem in de Sherry Bodega in Rotterdam hoorde zingen met zijn eigen orkest. Rita Reys en Pim Jacobs hadden daar twee optredens, en Wims huisorkest speelde voor en tussen haar sets. Ze hoorde zijn stem en trof Wim bescheiden tussen de andere muzikanten aan; het was puur toeval, want in de regel zong Wim niet vaak. De vocale gelijkenis met Tony Bennett trof haar onmiddellijk, en toen in 1981 Wim zijn eerste lp als zanger, When Dreams Come True opnam vroeg hij Rita Reys om advies. De elpee werd bijzonder goed ontvangen en leverde hem onder andere een optreden in De Doelen in Rotterdam op. Zijn televisiedebuut maakte hij bij Mies Bouwman, waar hij "Little Green Apples" ten gehore bracht. Nadien heeft hij in diverse tv-programma's opgetreden, zoals Music All-in (Pim Jacobs en Rogier van Otterloo) en was zijn muziek met grote regelmaat op de radio te beluisteren (waaronder Muziek-Mozaïek van Willem Duys). Pia Beck vond Wim een der beste jazz-zangers in Nederland. Zijn uitvoering van L.O.V.E. (hier: live 'Manhattan aan de Maas' 2003) behoort tot de beste ter wereld.
Wim heeft twee keer opgetreden op het North Sea Jazz Festival in Den Haag (1988 en 1991), maar ook in de Nieuwe Luxor, vijf maal in de Doelen in Rotterdam en acht dagen in Ahoy. De eerste keer was hij gast in de show van Lee Towers; de tweede keer was hij het voorprogramma van André Hazes, die samen met hem optrad. Hazes was een groot liefhebber van Wim Koopmans, en pas na veel aandringen stemde Wim in, omdat het genre zoveel afweek van dat van Hazes. Wim heeft ook in België en Duitsland opgetreden, waaronder met het orkest van Toots Thielemans en met Karin Bloemen. In 1990 trad hij op in diverse grote steden in de Verenigde Staten (tien shows) met de bigband van Peggy Lee. Hij kon een jarenlang contract in de beste jazzclub van Chicago krijgen, maar zag daar van af vanwege zijn vrouw en schoolgaande kinderen. De kroon op zijn werk was een optreden in de show van Tony Bennett in Nederland (1991). Bennett was in Nederland voor een aantal optredens, en wilde Wim spreken. Terwijl Wim een optreden had, belde Bennett 's nachts naar huize Koopmans en kreeg zijn slaperige vrouw Gina aan de lijn. Diezelfde nacht is er contact geweest tussen Bennett en Wim, en gedurende zijn verblijf hebben zij veel met elkaar opgetrokken.
Wim had ook een jazzclub in Rotterdam aan de Boompjes: Bird. Vanaf 2000 tot 2005 hebben Gina en Wim Koopmans een jazz-zaak in Rotterdam gehad. In september 2006 werd Wim Koopmans getroffen door een herseninfarct, vlak voordat hij een nieuwe cd wilde opnemen. Helaas was zijn stem eveneens aangetast, zodat het project nooit meer van de grond is gekomen. Hij overleed op 7 maart 2012 in de Rotterdamse deelgemeente Hoogvliet. Hij liet zijn vrouw en twee dochters na.
Wim Koopmans heeft 12 elpees gemaakt, maar niet alle zijn daadwerkelijk in Nederland op de markt gekomen. De masters van enkele elpees zijn verdwenen. When Dreams Come True en Close Enough zijn grotendeels in Londen opgenomen. Wim Koopmans zong uitsluitend in de Engelse taal, maar Radio Rijnmond heeft hem één keer weten te strikken voor een Nederlandse opname.

Frankie Laine
Frankie Laine, pseudoniem van Francesco Paolo LoVecchio (Chicago, 30 maart 1913 – San Diego, 6 februari 2007), was een van de succesvolste en invloedrijkste Amerikaanse zangers uit de twintigste eeuw. Zijn bijnamen zijn onder andere 'Mister Rhythm', 'Old Leather Lungs' en 'Old Man Jazz'. Wereldwijd verkocht hij ongeveer tweehonderdvijftig miljoen grammofoonplaten.
Biografie
Beginjaren
Laine werd geboren als oudste van acht kinderen. Zijn ouders, Giovanni en Cresenzia Lovecchio, waren geëmigreerd vanuit Monreale op Sicilië. Laines vader werkte in Chicago als persoonlijke kapper van de gangster Al Capone.
Laine maakte kennis met de muziek door op de lagere school in het kerkkoor te zingen. Toen hij Al Jolsons film The Singing Fool zag, wist hij zeker dat hij muzikant wilde worden, en ging hij van school af. Op zeventienjarige leeftijd zong hij voor een zevenduizendkoppig publiek, en werd hij vijf maal teruggeroepen voor een toegift. Maar echt succes als zanger was toen nog zeventien jaar verder.
Laine vierde successen met nummers als Answer me, I Believe, Jezebel, Hey Joe, Granada, Jealousy, Mule Train, Cool Water en That Lucky Old Sun.
Tweede carrière
In de jaren vijftig maakte Laine een soort tweede carrière door een flinke lijst titelsongs voor Hollywoodfilms in te zingen. Zijn gepassioneerd en energiek vertolkte versie van de (oorspronkelijk door Tex Ritter gezongen) titelsong, The Ballad of High Noon, van de westernfilm High Noon (uit 1952, van Fred Zinnemann, met Gary Cooper en Grace Kelly als sterren) leverde hem op slag grote internationale bekendheid en popularititeit op. In Nederland profiteerde Joop de Knegt met een cover van die grote hit flink van het succes mee. Andere films waarvoor hij zong waren Gunfight at OK Corral en Bullwhip. Zijn vertolking van de titelsong van de Mel Brooks-film Blazing Saddles leverde hem een Oscarnominatie op. Laine zong ook de begintune van de televisieserie Rawhide uit de jaren zestig in; dit werd een van de bekendste televisietunes aller tijden.
Latere carrière
Laines carrière omspant meer dan zeventig jaar. Op zijn tachtigste verjaardag, in 1993 werd hij door het Amerikaanse National Congress uitgeroepen tot 'National Treasure'. In 1996 kreeg hij een Lifetime Achievement Award. Zijn laatste single nam hij op naar aanleiding van de aanslagen op 11 september 2001: hij droeg het nummer Taps/My Buddy op aan de brandweerlui van New York.
Laatste jaren
Laine woonde in San Diego (Californië). Hij heeft nog tot op zeer hoge leeftijd opgetreden, onder andere in 2005 voor een muziekspecial van televisiezender PBS. Ondanks het feit dat hij kort daarvoor een lichte TIA had gehad, klonk zijn vertolking van That's My Desire nog zeer krachtig toen. Hij overleed op bijna 94-jarige leeftijd in het Mercy Hospital in San Diego aan een hartinfarct.
Zangstijlen
Hij was gezegend met een zeer krachtige stem en kon hallen vullen zonder microfoon. Hij was een van de grootste 'hitmachines' uit de jaren veertig en vijftig, met meer dan zeventig hitnoteringen, eenentwintig gouden platen en alleen al in de Verenigde Staten honderdvijftien miljoen verkochte platen en albums. Laine was van origine een door blues beïnvloede jazz-zanger, maar beheerste nagenoeg iedere muziekstijl. Hij maakte dan ook muzikale uitstapjes naar gospel, folk, country, americana en rock-'n-roll. Zijn bijnaam 'Mister Rhythm' dankt hij aan zijn pompende jazzy stijl.
Laine liet zich inspireren door de zwarte muziek, en zijn zangstijl leek aanvankelijk niet aan te slaan. In plaats van zich keurig aan de 'maat' te houden, plaatste Laine juist graag de nadruk op de 'downbeat', in tegenstelling tot zijn tijdgenoten. Ook zijn voorkeur voor een melodielijn die niet exact dezelfde was als de melodie van de muzikale begeleiding zorgde ervoor dat het publiek erg aan Laine moest wennen. Echter toen het publiek hem eenmaal had omarmd, werd Laine ook een echte superster.
Hij werd wel 'de eerste blauwogige soulzanger' genoemd, waarmee bedoeld wordt dat hij als blanke muziek ging maken die oorspronkelijk door zwarten werd gemaakt. Hiermee baande hij de weg voor zangers als Elvis Presley.

Steve Lawrence
Steve Lawrence, geboren als Sidney Liebowitz, (Brooklyn (New York), 8 juli 1935 – Los Angeles, 7 maart 2024) was een Amerikaanse zanger, acteur en entertainer.
Jeugd en opleiding
Steve Lawrence was de zoon van Joodse ouders en zong als kind reeds in de plaatselijke synagoge, waar zijn vader voorzanger was. Hij vervolgde de muziek doelgericht verder. Als jeugdige leerde hij piano en saxofoon spelen, zong hij in de school en solliciteerde bij platenlabels. In 1951 won hij bij een plaatselijke tv-talentenjacht de eerste prijs en reeds een jaar later had hij een platencontract bij King Records. Met zijn tweede single, een oudere opname met de titel Poinciana, belandde hij op 16-jarige leeftijd zelfs in de Amerikaanse bestsellerhitlijst.
Carrière
In 1953 werd hij als zanger ingehuurd voor The Tonight Show van Steve Allen en werd daardoor plaatselijk en vanaf 1954 landelijk bekend. Daar ontmoette hij ook de zangeres Eydie Gormé. Zij vormden een duo, echter niet slechts als zanger en entertainer; in 1957 werden zij in de echt verbonden.
Naast de show nam Lawrence, inmiddels overgegaan naar Coral Records, verder als solist en in duet met Gormé liederen op en in 1957 lukte hem met zijn versie van de Banana Boat Song de rentree in de hitlijst. Met de daarop volgende single Party Doll, voorheen een nummer 1-hit voor Buddy Knox, had hij zijn eerste top 10-hit en met het album Here's Steve Lawrence kwam hij in 1958 voor de eerste keer in de albumhitlijst.
Ondertussen hadden beiden verdere tv-optredens en in de zomeronderbreking van Allens show in 1958 hadden ze samen met de presentator voor twee maanden een eigen show. Daarna moest Lawrence zijn militaire dienstplicht aantreden, die hij als zanger van de militaire band mocht vervullen en gedurende zijn diensttijd mocht hij verder plaatopnamen maken en zijn carrière voortzetten. Met het nummer Footsteps, meegeschreven door Barry Mann, had hij niet alleen een verdere top 10-hit in de Verenigde Staten, maar ook zijn eerste hit in het Verenigd Koninkrijk.
Na zijn diensttijd begon de gezamenlijke carrière met zijn echtgenote. Bovendien nam hij in 1960 de eerste gezamenlijke lp met haar op. Voor de titelsong We Got Us kregen ze een Grammy Award voor de beste zangpresentatie van het jaar. Er volgden twee verdere labelwissels en talrijke verdere succesvolle plaatopnamen. Met de single Portrait of my Love (1961) had hij bovendien niet alleen een verdere top 10-hit, maar ook een verdere Grammy-nominatie. Daarna tekende het paar een contract bij Columbia Records, waar ze met songwriters als Barry Mann & Cynthia Weil en Gerry Goffin & Carole King mochten samenwerken. Mann & Weil schreven voor Gormé haar grootste hit Blame it on the bossa nova en Goffin & King schreven voor Lawrence Go Away Little Girl. Dit nummer werd ook zijn grootste hit, waarvan meer dan een miljoen exemplaren werden verkocht en in 1963 de toppositie innam in de Amerikaanse hitlijst. Samen hadden ze met I Want To Stay Here (3e plaats) hun grootste hit in het Verenigd Koninkrijk. Daarna kwam de Britse invasie met The Beatles en de Britse popmuziek op en de muziek van Lawrence werd in de easy listening-hitlijst gedrukt, waarin hij sinds 1961 in totaal 30 keer was geplaatst.
Lawrence zocht in deze periode een nieuwe uitdaging als musicalzanger en hij speelde van 1964 tot 1965 succesvol in meer dan 500 opvoeringen van de Broadwaymusical What Makes Sammy Run?, hetgeen hem een criticusprijs en een Tony Award-nominatie opleverde. Ondertussen probeerde hij het daarna bij de televisie met zijn eigen The Steve Lawrence Show, die echter niet erg succesvol was en reeds na enkele maanden werd stopgezet. Er volgden gezamenlijke toneelshows met zijn echtgenote en in 1968/1969 de gezamenlijke musical Golden Rainbow, die het in minder dan een jaar op 385 voorstellingen in Broadway bracht.
Naast toneeloptredens en platen hadden beiden ook steeds weer tv-optredens. Vooral succesvol waren hun tv-specials over beroemde Amerikaanse songwriters.
Vanaf het midden van de jaren 1970 probeerde Lawrence het als acteur. In The Blues Brothers en het latere vervolg Blues Brothers 2000 had hij een kleine rol en speelde hij in meerdere bekende tv-series, waaronder Hardcastle & McCormick, Frasier en The Nanny in twee latere afleveringen de hoofdfiguur als vader.
In Las Vegas stonden ze meerdere jaren samen op het podium, waaronder alleen al tien jaar als hoofdact in het Caesars Palace. Vier keer wonnen ze daarbij de Las Vegas Entertainment Award voor de «Musical Variety Act of the Year». Lawrence en Gormé zijn ook vereeuwigd op de Hollywood Walk of Fame en voor hun levenswerk door de Songwriters Hall of Fame onderscheiden.
Privéleven
Het echtpaar Lawrence-Gormé kreeg een zoon (David Lawrence), die een succesvol filmcomponist is van onder andere American Pie 2 en High School Musical. Ook werkte hij samen met zijn ouders als albumproducent. Een andere zoon (Michael) overleed in 1986 op 23-jarige leeftijd.
Eydie Gormé overleed in 2013, zes dagen voor haar 85e verjaardag. In juni 2019 werd de diagnose Alzheimer bij Steve Lawrence vastgesteld. Hij overleed in 2024 op 88-jarige leeftijd.

Barry Manilow
Barry Manilow, geboren als Barry Alan Pincus (Brooklyn, 17 juni 1943), is een Amerikaans zanger, pianist en liedjesschrijver, bekend van zijn nummers Could It Be Magic, Mandy (1974) en Copacabana (1978). Hij wordt ook wel "the king of soft-rock" en "the showman of this era" genoemd. Frank Sinatra heeft een keer over hem gezegd: "he's next". Hij is met meer dan tachtig miljoen verkochte platen, uitverkochte concerten en 51 hits in de Amerikaanse Adult Contemporary-hitlijst een van de succesvolste zangers ooit.
Jeugd
Manilow groeide op in Brooklyn, New York als zoon van Joodse immigranten. Zijn echte vader verliet het gezin toen Barry nog een baby was. Dat was de reden dat hij later zijn achternaam liet veranderen in Manilow. Hij begon als kind piano en accordeon te spelen. Na de middelbare school ging hij naar Juilliard School. Om die opleiding te betalen werkte hij in de postkamer van CBS.
Carrière
Manilows muzikale carrière begon toen hij de pianist werd van Bette Midler, voornamelijk tijdens haar optredens in de badhuizen voor homoseksuelen. Hij werd muzikaal leider van haar band, was haar arrangeur en was co-producer van haar debuut- en doorbraakalbum "The Divine miss M". In 1973 bracht hij zijn eerste eigen album ("Barry Manilow") uit, maar dat flopte. Nadat producent Clive Davis Arista Records had overgenomen, kreeg Manilow een tweede kans. Zijn tweede album, "Barry Manilow II" verscheen in 1974. In dat jaar brak hij door met de single Mandy, een cover van het lied Brandy van de Amerikaanse zanger Scott English uit 1971. Het eerste album nam hij daarna opnieuw op en werd hernieuwd uitgebracht onder de titel "Barry Manilow I". Het nummer Could it be magic werd in de nieuw opgenomen versie alsnog een hit. In 1978 stonden vijf van zijn albums tegelijkertijd in de lijst van best verkochte albums. In deze periode was hij tevens producer van enkele albums van Dionne Warwick.
In de jaren 80 en 90 volgde een minder succesvolle periode, maar toch lukte het hem nog steeds om voor uitverkochte zalen te zorgen. In de jaren 90 coverde hij veelal nummers, waaronder Keep Each Other Warm van Bucks Fizz. Dat deed hij tot 2001, toen hij met zijn album "Here at the mayflower" kwam. In 2004 stopte hij met toeren. Hij was van 2005 tot 2010 actief in het Las Vegas Hilton in Las Vegas, eerst met zijn show Music and Passion (vanaf 2004) en vanaf 2008 met Ultimate Manilow, the hits. Van 2010 tot 2012 stond hij in "The Paris Las Vegas hotel".
In 2011 bracht Manilow een nieuw album met originele nummers uit: "15 Minutes". Ook kwam hij in datzelfde jaar met een live-cd/dvd van zijn concertreeks in de O2 in Londen. In 2014 kwam het album "Night Songs" in de Verenigde Staten uit. Het album verscheen in juni van datzelfde jaar in Nederland. Night Songs is een album met begeleiding van enkel piano, bas en drums. In mei 2014 was Manilow wederom in Engeland voor een serie concerten. Ook eind 2015 trad de inmiddels 72-jarige Manilow nog op. Op 15 januari 2016 werd bekend dat hij in het ziekenhuis was opgenomen vanwege hartproblemen.
Manilow woont in Palm Springs. In 2014 trouwde hij met zijn manager Garry Kief, met wie hij sinds 1978 een relatie had. Tot maart 2017 wist hij zijn huwelijk (en zijn seksuele geaardheid) uit de media te houden.
Ook in 2024 en 2025 treedt de inmiddels 80-plusser nog steeds op in zijn land en in Canada. Zijn concerttour heet “The Last Concerts”.

Dean Martin
Dean Martin (geboren als Dino Paul Crocetti) (Steubenville (Ohio), 7 juni 1917 – Beverly Hills (Californië), 25 december 1995[2]) was een Amerikaans filmacteur, zanger, komiek en tv-persoonlijkheid.
Biografie
Martin werd geboren in Steubenville (Ohio). Zijn ouders waren van Italiaanse afkomst. Zijn vader, Gaetano Crocetti, kwam oorspronkelijk uit Montesilvano (in de provincie Pescara) terwijl zijn moeder, Angela Barra, in Amerika werd geboren uit ouders van Abruzzo-afkomst. Hij verliet de school op zijn zestiende en deed verschillende klussen, waaronder boksen en werken bij een benzinestation, totdat hij zich onder de artiestennaam Dean Martin wist te vestigen als zanger in New Yorkse clubs. Om meer kansen te hebben om zijn carrière een boost te geven veranderde Dino Paul Crocetti namelijk zijn naam legaal in een meer Amerikaanse naam (de zanger koos de achternaam Martin omdat het een Engelstalige versie was van de achternaam van de Italiaanse tenor Nino Martini).
Martin ontmoette Jerry Lewis voor het eerst in de Glass Hat Club in New York, waar ze beiden optraden. De twee artiesten vormden een succesvol comedyduo, een werkrelatie die ongeveer tien jaar duurde. De eerste keer dat hij met Jerry Lewis samenwerkte was op 25 juli 1946 in Club 500 in Atlantic City en samen ontwikkelden ze een succesvolle komedieroutine. Het debuut van het duo werd echter niet goed ontvangen, en Club 500-eigenaar Skinny D'Amato waarschuwde Martin en Lewis dat ze eruit gegooid zouden worden als ze geen betere act konden opvoeren. Lewis en Martin ontmoetten elkaar snel in het steegje achter de club en besloten hun show te verdelen in liedjes, sketches, waarbij Lewis het "stoute jongetje" van de komedie zou spelen, een geïmproviseerde komedie dus. Het duo kreeg uiteindelijk succes en begon aan een reeks succesvolle optredens in het hele land, met als hoogtepunt een show in de New Yorkse nachtclub Copacabana. De act bestond uit Lewis die Martin onderbrak en irriteerde terwijl hij probeerde te zingen, waarbij de twee elkaar uiteindelijk achterna zaten op het podium. Het geheim van het succes van de show, zeiden ze beiden, was dat ze het publiek negeerden en alleen met elkaar in interactie trachtten te treden, om het zo spontaan mogelijk te maken. Naast het spelen van vele sketches op televisie en het hebben van een eigen radioshow, maakte het duo hun eerste film My Friend Irma in 1949 en in 1951 speelden ze een rol in de filmhit At War with the Army. De dertien films die ze daarna maakten waren op de formule van deze film gebaseerd. Samen maakten ze zestien films, van My Friend Irma (1949) tot Hollywood of Death! (1956).
Hun agent, Abby Greshler, onderhandelde voor hen een van de beste zakelijke deals in de geschiedenis van Hollywood: ondanks het feit dat ze samen slechts 75.000 dollar van de winst van hun films ontvingen, waren Martin en Lewis vrij om als onafhankelijke één film per jaar te maken, die ze zouden coproduceren via York Productions, waarvan ze eigenaar waren. Zij hadden ook de volledige controle over hun club-, platen-, radio- en televisieoptredens, waarmee zij miljoenen dollars verdienden.
Hun gezamenlijk televisiedebuut was in 1950 in The Colgate Comedy Hour, een gevarieerde show die zij tussen 1950 en 1955 ook af en toe zouden presenteren.
Door groeiende persoonlijke meningsverschillen echter werd het artistieke partnerschap en dus de samenwerking met Lewis, op 24 juli 1956 afgebroken. Minachtende commentaren van critici en frustratie over de routine van hun filmscripts, die Paramount-producer Hal Wallis zo gelijk mogelijk wilde houden om het succes van het koppel te maximaliseren, leidden er namelijk toe dat Martin ontevreden werd over de situatie waarin zijn carrière werd gekanaliseerd. Hij werd steeds minder enthousiast over zijn werk, wat leidde tot voortdurende onenigheid met Lewis. Martin ging zelfs zover te verklaren dat zijn partner "niets anders voor hem betekende dan dollartekens". Het paar ging uit elkaar in 1956, na tien jaar van vruchtbare artistieke samenwerking.
Velen dachten dat Martins carrière zonder zijn partner op een neergang afstevende. Maar tot veler verrassing had Dean Martin hierna een succesvolle solocarrière, waarin hij films maakte die vaak sterk afweken van de films die hij samen met Lewis maakte. Hij boekte veel succes als solo-acteur, zowel in komedie als drama, zoals in 1958 toen hij de hoofdrol speelde in The Young Lions met Marlon Brando en Montgomery Clift. In 1959 speelde hij de complexe rol van de alcoholistische Dude, John Waynes hulpsheriff in de western Rio Bravo.
In de jaren vijftig behaalde hij ook internationaal succes als zanger. In 1954 verscheen That's Amore, een van zijn meest geliefde liedjes, geschreven door zijn Italiaans-Amerikaanse vriend en collega Harry Warren. Het lied is ook een verklaring van genegenheid voor Napels en de tradities van zijn oorsprong zoals pizza, wijn, keuken en de tarantella. In 1956 stond hij vijf weken op nummer één in de Amerikaanse hitparade en vier weken in de UK Singles Chart met de single Memories are made of this. Hij nam ook enkele Italiaanse liedjes op, zoals Innamorata, In Napoli en Simpatico. In 1958 stond Return to me acht weken lang op de nummer 1-positie in Nederland en nummer acht in Noorwegen.
In de jaren 60 was hij een van de vaste leden van de Rat Pack, een beroemde/beruchte vriendenclub/groep acteurs en zangers onder leiding van zijn vriend Frank Sinatra met wie hij een aantal populaire films maakte. Hij speelde in verschillende films met de Rat Pack, waaronder Ocean’s 11, Sergeants 3 en Robin and the 7 Hoods. In de optredens van de Rat Pack speelde Martin vaak de rol van zware drinker. Maar, zoals zijn zoon later onthulde, wat hij op het podium dronk was geen alcohol, maar appelsap.
Tussen 1966 en 1969 maakte hij een serie van vier films als geheim agent Matt Helm en van 1965 tot 1974 was hij gastheer van zijn eigen wekelijkse televisieshow op NBC, The Dean Martin Show. De laatste van zijn 51 films was Parallel Conspiracies uit 1987. Hij ging in 1988 met pensioen na een concerttournee met Sinatra en Sammy Davis Jr., zijn Rat Pack-makkers en vrienden. "De voldoening die ik krijg van het werken met deze twee luilakken is dat wij meer plezier hebben dan het publiek," zei Martin erover.
Zijn teruglopende gezondheid en afnemende populariteit zorgden ervoor dat hij vanaf de jaren 70 alleen nog veel theaterwerk deed. In 1988 trok hij zich compleet terug uit de showbusiness, nadat hij tijdens een tour met andere Rat Pack-leden Frank Sinatra en Sammy Davis jr. ziek was geworden. Uiteindelijk heeft Dean Martin in 51 films een rol gespeeld, waarvan zestien met Jerry Lewis, negen met de Rat Pack en vier Matt Helm-films.
Net als bij Sinatra gingen er geruchten dat Martin contacten had met de maffia.
Hij was drie keer getrouwd en had acht kinderen, van wie één was geadopteerd. Zijn zoon Dean Paul Martin Jr. kwam om het leven bij een vliegtuigongeluk op 21 maart 1987. Dit was opnieuw een zware aanslag op zijn gezondheid, maar bracht wel zijn vriendschap met Jerry Lewis opnieuw tot leven, doordat Lewis onverwacht de begrafenis van Martins zoon bijwoonde.
Na jaren van lichamelijk en geestelijk verval, stierf Dean Martin aan emfyseem op eerste kerstdag 1995. Hij werd begraven in Westwood Cemetery in Californië. Het grafschrift op zijn graf is Everybody Loves Somebody Sometime, de titel van een van zijn beroemdste liedjes en het enige liedje dat de Beatles in 1964 van de top van de Billboard Hot 100-verkoophitlijsten wist te stoten op het moment dat zij deze domineerden.
Elvis Presley was een grote fan en zei ooit: "Ik mag dan 'The King of Rock-'n-roll' zijn, maar Dean Martin is en zal altijd 'The King of Cool' zijn".
De artiesten 7
Hier vindt u meer informatie over de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Al Martino
Al Martino, geboren als Alfred Cini, (Philadelphia, 7 oktober 1927 - Springfield (Pennsylvania), 13 oktober 2009) was een Italiaans-Amerikaans zanger en acteur.
Leven
Tijdens de Tweede Wereldoorlog deed hij dienst bij het United States Marine Corps. Daarna werd Martino zanger. Zijn single Here in My Heart stond op 14 november 1952 op de eerste plaats in de allereerste aflevering van de officiële UK Singles Chart.
Een andere succesvolle single van hem was Spanish Eyes (1966), dat bekroond werd met goud en platina. Ook scoorde Martino hoge ogen met zijn discokraker Volare. Het liedje was in 1958 al bekend geworden onder de naam Nel Blu, Dipinto Di Blu in de uitvoering van Domenico Modugno. In 1976 bereikte Volare de eerste plaats in de hitlijsten van Italië en België. In Nederland, Frankrijk en Spanje belandde het nummer in de top 10.
In de Verenigde Staten scoorde Martino elf top 40-hits in de Billboard-popsingleschart in de jaren zestig en zeventig, waaronder de top 10-hits I Love You Because uit 1963 en I Love You More and More Every Day uit 1964. Hij zong ook het titelnummer van de film Hush... Hush, Sweet Charlotte (1964).
Al Martino was verder bekend als acteur. Hij speelde de rol van Johnny Fontane in de filmklassieker The Godfather uit 1972 en The Godfather Part III uit 1990.
Martino overleed zes dagen na zijn 82ste verjaardag aan een hartaanval.

Country Johnny Mathis
'Country' Johnny Mathis (Maud, 28 september 1933 - Nashville, 27 september 2011) was een Amerikaanse countryzanger en componist. De bijnaam Country kreeg hij, om niet te worden verwisseld met de popzanger Johnny Mathis.
Carrière
Johnny Mathis startte zijn carrière bij de radioshow Louisiana Hayride, korte tijd later werd hij naast zijn vriend Jimmy Lee Fautheree lid van het duo Jimmy and Johnny. Bij Capitol Records kreeg hij een platencontract. Hun grootste hit hadden ze in 1954 met If You Don’t, Somebody Else Will. Bovendien was Mathis lid van meerdere radioshows, waaronder Big D Jamboree, Liberty Jamboree en EZ Hoedown in New Orleans. Medio jaren 1950 stapte Mathis uit het duo en begon een solocarrière. In de daarop volgende periode nam hij voor verschillende labels talrijke, echter onbeduidende platen op. Als songwriter was hij echter meer succesvol en zijn nummers werden door populaire country-muzikanten, waaronder George Jones, Johnny Paycheck en Webb Pierce opgenomen. Zijn laatste hitklassering had Mathis in de jaren 1960.
Privéleven en overlijden
Sinds 1999 had Johnny Mathis zich uit de openbaarheid teruggetrokken wegens een zwaar infarct. Zijn zoon John startte eveneens een carrière als componist en country-muzikant. Johnny Mathis overleed in september 2011 op bijna 78-jarige leeftijd, een dag voor zijn verjaardag.

Guy Mitchell
Guy Mitchell (echte naam: Albert George Cernick, Detroit (Michigan), 22 februari 1927 – Las Vegas (Nevada), 1 juli 1999) was een Amerikaanse zanger. Zes van zijn singles werden millionsellers. Hij trad ook enige tijd op als presentator van een eigen televisieshow en speelde als acteur in een paar films.
Carrière
Albert George Cernick was van Kroatische afkomst. De oorspronkelijke spelling van de naam was Crnic. Toen hij elf was, kwam hij onder contract bij het entertainmentbedrijf Warner Brothers, dat een kindsterretje van hem wilde maken. Hij trad een paar maal op voor een radiostation in Los Angeles, waar zijn familie in 1938 was gaan wonen. Toen hij van school af kwam, ging hij werken als zadelmaker, maar hij vulde zijn inkomen aan met optredens als zanger. Dude Martin, die een programma met countrymuziek presenteerde bij een radiostation in San Francisco, was onder de indruk van zijn zangstem en huurde hem in om op te treden met zijn band.
In 1944 en 1945 vervulde hij zijn dienstplicht bij de United States Navy. Daarna ging hij weer zingen voor de radio. In 1947 trad hij als zanger toe tot de bigband van Carmen Cavallaro. Decca bracht een paar platen uit van de band met Al Cernick, zoals hij zich toen noemde, als zanger. Toen hij een voedselvergiftiging opliep, moest hij echter stoppen. Hij vestigde zich in New York en nam onder de naam Al Grant enkele platen op voor het label King Records. In 1949 won hij de talentenjacht van het radioprogramma Arthur Godfrey's Talent Scouts. Zijn voornaamste bron van inkomsten in die tijd was het inzingen van demo’s voor andere artiesten, als steuntje voor als ze het nummer later zelf gingen opnemen.
In 1950 kwam hij in contact met Mitch Miller, het hoofd van de afdeling A&R bij Columbia Records. Miller bedacht zijn artiestennaam: Mitchell naar zijn eigen voornaam Mitch en Guy omdat Cernick overkwam als een ‘nice guy’. De eerste platen bij Columbia bleven onopgemerkt, maar toen mocht Mitchell een keer invallen voor Frank Sinatra, die niet was komen opdagen bij een opnamesessie. De sessie leverde een single op waarvan beide kanten toptienhits werden: My Heart Cries for You en The Roving Kind.
In de jaren vijftig had Mitchell een reeks hits. Toen de smaak van het publiek veranderde en rock-'n-roll populair werd, stapte hij over op de nieuwe stijl. Twee platen, Singing the Blues en Heartaches by the Number, haalden de eerste plaats in de Billboard Hot 100. Ook in het Verenigd Koninkrijk verkochten zijn platen goed. Viermaal haalde hij de eerste plaats in de UK Singles Chart. In Australië genoot hij ook een grote populariteit. In Nederland haalden Singing the Blues en Heartaches by the Number de top tien.
Mitchell werd ook vaak gevraagd voor optredens. Hij toerde een paar maal door het Verenigd Koninkrijk en Australië, de andere landen waar hij populair was. In 1954 trad hij op tijdens de Royal Variety Performance in het London Palladium met koningin Elizabeth en prins Philip onder de toehoorders.
In 1957 gaf ABC hem een eigen televisieshow: de Guy Mitchell Show, waar hij als gasten onder anderen Sam Cooke, Chuck Berry en Peggy Lee ontving. De show hield het echter maar een paar maanden uit.
In de jaren vijftig en zestig trad hij ook een paar maal op in films: Those Redheads from Seattle (1953), Red Garters (1954) en een aflevering van de tv-serie Thriller (1961). In 1961 speelde hij een van de hoofdrollen in de tv-serie Whispering Smith over de politieman Tom ‘Whispering’ Smith (gespeeld door Audie Murphy). Mitchell speelde de rol van collega George Romack. De serie was weinig succesvol en de laatste zes van de 26 afleveringen werden wel opgenomen, maar nooit uitgezonden.
In de jaren zestig raakte Mitchell geleidelijk in de vergetelheid. In de jaren zeventig stopte hij met zingen en legde hij zich toe op het fokken van paarden. In de jaren tachtig ging hij toch weer optreden en werd hij een veelgevraagd zanger in het nostalgiecircuit. In 1990 speelde hij in de Britse tv-serie Your Cheatin' Heart de rol van bandleider Jim Bob O'May.
Hij overleed op 1 juli 1999, 72 jaar oud, in het Desert Springs Hospital in zijn woonplaats Las Vegas aan complicaties na een operatie wegens kanker.
In 1960 werd Guy Mitchell geëerd met een ster op de Hollywood Walk of Fame.

Matt Monro
Matt Monro, echte naam Terence Parsons (Shoreditch, Londen, 1 december 1930 – South Kensington, Londen, 7 februari 1985), was een Britse zanger.
Hij was truck- en buschauffeur, maar zingen was zijn grootste passie. In 1954 trad hij voor het eerst op en twee jaar later had hij al succes. Eind jaren vijftig kreeg hij een platencontract en tot 1974 stond hij geregeld in de hitparade. Monro werd wel de zingende buschauffeur genoemd omdat hij in het begin van zijn carrière onder andere buschauffeur was. De pianiste Winifred Atwell bedacht zijn pseudoniem en hielp hem aan een contract bij Decca Records.
Hoewel Monro in de jaren vijftig een album uitbracht, kwam zijn carrière pas in de jaren zestig echt van de grond. Billboard riep hem in 1961 uit tot Top International Act. Monro zong de titelsong van de Bondfilm From Russia with Love (1963). In 1964 nam hij deel aan het Eurovisiesongfestival en eindigde achter Gigliola Cinquetti op de tweede plaats met I love the little things. De Oostenrijkse deelnemer Udo Jürgens werd zesde. Monro vond diens lied Warum nur warum zo goed dat hij het coverde als Walk away, met een Engelse tekst van zijn manager Don Black. Hij scoorde er in datzelfde jaar een grote hit mee. Toen hij in 1965 nog voor The Beatles het nummer Yesterday uitbracht werd ook dat een hit. In 1966 haalde hij een hit met het door John Barry en Don Black geschreven titelnummer voor de film Born Free dat zijn lijflied werd.
Matt Monro overleed op 54-jarige leeftijd aan leverkanker.
Hitsingles
Portrait of My Love (1960)
My Kind of Girl (1961)
Softly As I Leave You (1962)
From Russia with Love (1963)
Walk Away (1964)
Yesterday (1965)
Born Free (1966)
And You Smiled (1973)

Yves Montand
Yves Montand, geboren als Ivo Livi, (Monsummano Terme, Toscane, 13 oktober 1921 – Senlis, 9 november 1991) was een Frans acteur en zanger van Italiaanse afkomst.
Biografie
Afkomst
Montand werd in 1921 geboren in Noord-Toscane, nabij Florence. Zijn vader was Giovanni Livi, later actief lid van de Italiaanse Communistische Partij. Montand was zelf ook een sympathisant van deze partij. Met zijn ouders, die op de vlucht waren voor het fascistische regime van Benito Mussolini, vertrok hij op jonge leeftijd naar Frankrijk.
Jeugd
Hij bracht zijn jeugd door in Marseille, waar hij later ging werken, onder andere als kapper in de salon van zijn oudere zus, als havenarbeider en als nachtclubzanger. Tijdens deze optredens nam hij de naam "Yves Montand" aan. Hij bedacht deze naam door te denken aan wat zijn moeder vroeger naar hem riep als ze gingen eten: "Ivo, monta!" (Ivo, kom boven!).
Zanger
Vanaf 1938 oogstte hij al enig succes in het variététheater, in Marseille, Narbonne, Toulouse. In 1939 trad hij met een eigen repertoire op in L'Alcazar, een beroemde voormalige theaterzaal in Marseille en had hij zijn eerste echte succeslied Dans les plaines du Far-West. Verdere plannen om naar Parijs te trekken en nationaal door te breken werden verijdeld door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Pas in 1944 kreeg hij de gelegenheid in Parijs te zingen in diverse music-hall zalen. In de Moulin Rouge mocht hij het voorprogramma van Édith Piaf verzorgen. De beroemde Franse zangeres nam hem onder haar hoede en lanceerde zijn carrière. Ze kregen een relatie die door Piaf stopgezet werd in 1946. Ondertussen maakte Montand zijn eerste plaatopnames voor Odeon Records. Een van zijn belangrijkste opnames was Yves Montand chante Jacques Prévert (1962).
Privéleven
Cimetière du Père-Lachaise
Montand stierf in 1991 op net 70-jarige leeftijd aan een hartaanval. Hij had een relatie met Marilyn Monroe in het begin van de jaren zestig. Hij was twee keer getrouwd, eerst met Simone Signoret van 1951 tot 1985 en daarna met zijn assistente Carole Amiel van 1987 tot zijn dood. Met Carole heeft hij één zoon, Valentin Montand, geboren in 1988.
De onbekend gebleven actrice Anne Fleurange beweerde een kind van hem te hebben en spande een rechtszaak aan voor een DNA-test. Montand ontkende de vader te zijn en weigerde een DNA-test. De vrouw en haar dochter Aurore bleven echter volharden, zelfs na de dood van Montand. Een rechtbank stelde de vrouw in eerste instantie in het gelijk. In 1998 werd het lichaam van Yves Montand opgegraven. De DNA-test wees uit dat hij toch niet de vader was.
In 2004 publiceerde actrice Catherine Allégret, Montands stiefdochter en Signorets dochter uit haar eerste huwelijk, een boek (Un monde à l'envers / De wereld op z'n kop; ISBN 2-253-11442-1) waarin ze beweerde dat Montand haar vanaf haar vijfde jaar seksueel misbruikt had.
Montand ligt begraven op de beroemde begraafplaats Père-Lachaise, waar hij het graf deelt met Simone Signoret.

Ricky Nelson
Eric Hilliard (Ricky) Nelson (Teaneck (New Jersey), 8 mei 1940 – De Kalb (Texas), 31 december 1985) was een Amerikaans zanger.
Als kind trad hij op in de televisieserie "The Adventures of Ozzie & Harriet" van zijn ouders. Zijn vader, Ozzie Nelson, was orkestleider en zijn moeder, Harriet Hilliard, zangeres.
Hun zoon is een van de eerste tienersterren in Amerika. In 1957 nam hij zijn eerste plaat op, een cover van "I'm walkin'" van Fats Domino. In de jaren erna werd hij bijzonder populair: in eind jaren 50 - begin jaren 60 verkocht alleen Elvis Presley in de Verenigde Staten meer platen. Bekende hits van hem zijn "Hello Mary Lou", "Travelin' Man" en "Poor Little Fool".
Ricky Nelson werkte ook als acteur. In 1959 vertolkte hij een hoofdrol in de film "Rio Bravo" met John Wayne en Dean Martin. In de jaren 60 bleven successen uit, al bleef hij wel albums maken, waaronder Album Seven by Rick. Hij veranderde van muziekstijl en ging van de rock-'n-roll meer de countrykant op. Zijn fans waardeerden dit maar matig. Nelson schreef, over hun onwil hem nieuw repertoire te gunnen, het lied "Garden Party" (1972), dat prompt een hit werd. Twee jaar later volgde nog een bescheiden succes met Windfall.
In de jaren 70 en 80 raakte hij toch in vergetelheid, tot hij in 1985 met veel succes meedeed aan een serie golden oldie-concerten in Engeland. Dit leidde tot een soortgelijke tour door het zuiden van de Verenigde Staten. Tijdens deze tour kwam hij, op oudejaarsdag 1985, bij een vliegtuigongeluk in Texas om het leven. Hij werd 45 jaar oud.
De tweelingzonen van Ricky Nelson, Gunnar en Matthew, vormden later de popgroep Nelson, die in 1990 een nummer 1-hit had in Amerika: (Can't live without your) love and affection. Zijn dochter, Tracy Nelson, speelde mee in de serie Father Dowling Mysteries.
Voor de hit "Travelin' Man" uit 1961 heeft hij een promo-clip gemaakt, die te boek staat als allereerste video clip ooit gemaakt. (En dus niet Bohemian Rhapsody van Queen.) De promoclip bestaat uit de beelden van plaatsen/gebieden waarover in het nummer wordt gezongen.
De artiesten 8
Hier vindt u meer informatie over de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Roy Orbison
.Roy Kelton Orbison (Vernon, Texas, 23 april 1936 – Nashville, Tennessee, 6 december 1988) was een Amerikaanse country- en rockzanger. Hij staat sinds 1987 in de Rock and Roll Hall of Fame en de Nashville Songwriters Hall of Fame. In 1989 werd hij opgenomen in de Songwriters Hall of Fame. In 2006 kreeg Orbison postuum een ster op de Music City Walk of Fame en in 2010 op de Hollywood Walk of Fame. In 2014 werd Orbison opgenomen in de Musicians Hall of Fame.
Biografie
Roy Orbison begon zijn carrière in 1956 bij het platenlabel Sun Records dat geleid werd door Sam Phillips en waar ook Elvis Presley, Johnny Cash, Jerry Lee Lewis en Carl Perkins onder contract stonden of hebben gestaan. Met het nummer Ooby Dooby waarvan er zo'n 500.000 stuks werden verkocht en dat tot nummer 56 op de Billboard Top 100 kwam, scoorde hij zijn enige hit voor Sun. In de periode dat hij voor het platenlabel actief was, wist hij al dat zijn hart bij het zingen van ballads lag. Sam Phillips, de eigenaar van Sun Records, wilde echter dat Orbison uptempo songs opnam, dit zeer tegen de zin van Orbison. Toen Orbison een grote hit schreef voor The Everly Brothers (Claudette), zag hij zijn kans schoon en kocht zijn platencontract bij Sun Records af om zodoende ergens anders zijn geluk te kunnen beproeven.
Orbison kwam terecht bij het platenlabel RCA waar Elvis Presley vele hits opnam. Orbison bleef echter niet lang. Na een aantal nummers op plaat te hebben gezet verliet hij in 1959 het label en kwam terecht bij Monument Records dat onder leiding stond van Fred Foster.
Doorbraak
Orbisons eerste single, Up Town, was een bescheiden succes en bereikte plaats 72 in de Billboard Top 100. De opvolger werd uitgebracht in 1960 en maakte van Roy Orbison een wereldster. Van Only the Lonely gingen ruim twee miljoen exemplaren over de toonbank en met dit nummer creëerde Orbison iets dat nog nooit eerder in de rock-'n-roll was gehoord: de dramatische rockballad. Tussen 1960 en 1965 produceerde Orbison klassiekers als Running Scared, Crying, Blue Angel, Falling, Blue Bayou, It's Over, In Dreams en Oh, pretty woman. Vaak rustig beginnend, bouwde Orbison langzaam naar een climax toe die zowel in de arrangementen als in de stem en teksten van Orbison tot uitdrukking werd gebracht. De stem van Orbison en de composities van zijn songs zouden hem de status van legende bezorgen. Er was echter nog een element dat de muziek van Orbison uniek maakte: hij had ook het talent om liedjes op een totaal vernieuwende manier te schrijven. Het was in de beginjaren zestig de gewoonte om een song volgens een vast patroon te schrijven (A,B,C,B,D,B). Orbison schreef echter bijvoorbeeld in schema's als A,B,C,D...Z. Er kwam in het hele liedje dus geen enkele herhaling van zinnen voor. Het vroegste voorbeeld hiervan is de song Wedding Day uit 1961, maar In Dreams en Falling uit 1963 zijn de bekendste voorbeelden. Running Scared uit 1961 was een song die ook afweek van wat gewoon was op dit gebied doordat het refrein aan het einde van het lied zat in plaats van in het midden. Toen het contract bij Monument Records in 1965 afliep was Orbison een wereldster met platenverkopen die de 30 miljoen hadden overschreden.
Orbison tekende voor het MGM-label, dat bereid was om hem het tot dan hoogste bedrag ooit (1 miljoen dollar contant) voor een platenartiest te betalen. Verder kreeg hij de kans om in films te acteren. MGM bedong echter dat er per jaar 30 songs en 1 album geproduceerd moesten worden. Daarmee kwam de nadruk te liggen op de kwantiteit in plaats van op de kwaliteit van de songs, dit in tegenstelling tot wat bij Monument Records gebruikelijk was. De eerste single op het MGM-label is de top 20-hit Ride Away. Het zou zijn grootste hit voor MGM zijn. In 1966 haalde hij met Cry Softly Lonely One (top 52) zijn laatste hitnotering in Amerika. In Engeland had hij meer hits, met als hoogste notering Too Soon To Know dat in 1966 de top 3 haalde. Penny Arcade is in 1969 zijn laatste notering in Engeland. Het opkomen van de Beatles en andere Britse bands (The British Invasion) en de daarmee veranderende smaak bij het platenkopend publiek zorgde ervoor dat de aanwezigheid van Orbison in de hitlijsten minder werd. Verder vonden er grote tragedies in zijn privéleven plaats. Zijn vrouw Claudette kwam in 1966 om het leven bij een motorongeluk en twee van zijn drie zoons vonden in 1968 de dood bij een brand in zijn landhuis. De carrière van Orbison kwam in een diep dal terecht. De hits bleven uit en het (grote) publiek leek hem vergeten te zijn. Zijn concerten in Engeland werden nog wel goed bezocht, omdat de fans hem trouw bleven, maar in zijn thuisland Amerika bleek dat volkomen anders. Daar trad hij met regelmaat op voor een klein publiek.
In 1973 werd zijn contract bij MGM ontbonden. Een jaar later tekende hij bij Mercury Records en nam daar het album I'm Still In Love With You op. Niet alleen is dit album onder de artistieke maat vergeleken bij zijn vroegere werk, muzikaal gezien verraste Orbison de luisteraar niet meer met de vocale hoogstandjes die hem zijn bijnaam "The Big O" hebben opgeleverd. In 1977 tekende Orbison opnieuw bij Monument Records en nam het album Regeneration op. Dit album is beter dan het voorgaande, maar kon ook niet de vergelijking doorstaan met zijn vroegere werk. Een tweede album is afgemaakt (nooit uitgebracht) toen Orbison hartklachten kreeg, nadat hij optrad in een show ter nagedachtenis aan Elvis Presley, die kort daarvoor overleed. Hij onderging een hartoperatie en kreeg 3 bypasses.
Kort daarna verliet Orbison Monument Records. In 1979 tekende hij bij Aslyum Records en bracht daar het album Laminar Flow uit. Het album bevatte matige discoachtige liedjes met uitzondering van Poor Baby en Hounddog Man. Ondertussen is er achter de schermen iets op gang gekomen, want Orbison was dan wel niet meer een succesvol platenartiest, zijn werk uit de jaren zestig heeft echter wel zijn sporen nagelaten bij jongere collega's. Linda Ronstadt nam Blue Bayou op (1977), Don McLean Crying (1980) en Van Halen Oh, pretty woman (1981) en allen scoorden zij daarmee grote hits. Zelf scoorde Orbison samen met Emmylou Harris in 1980 eindelijk weer een hit met That Loving You Feeling Again. Het leverde hem zijn eerste Grammy Award op.
Comeback
Vanaf die tijd begon Orbison aan een comeback te werken en kwam hij meer en meer in de spotlights te staan. Zo stond hij in het begin van de jaren tachtig in het voorprogramma van de Eagles en liet zich daardoor aan een groter en jonger publiek zien. In 1983 verscheen hij op televisie door een concert te geven getiteld Roy Orbison live in Austin City Limits Texas. In 1985 trad hij op bij Farm Aid en bracht hij een nieuwe single uit, Wild Hearts. Het is een ballad die een ouderwets goede Orbison laat horen. Het grote publiek merkte deze song echter niet op. Ook maakte hij dat jaar een album met zijn oude Sunmaatjes Jerry Lee Lewis, Carl Perkins en Johnny Cash. Het album heette The Class of '55. In 1986 werd het nummer In Dreams gebruikt in de cultfilm Blue Velvet, geregisseerd door David Lynch. Hierdoor kwam Orbison onder de aandacht van een jong publiek. Velen wilden weten wie de zanger van In Dreams is en ontdekten daardoor de muziek die Orbison tot dan gemaakt had. In 1987 nam Orbison samen met k.d. lang Crying opnieuw op als een duet. Het nummer werd in Amerika een hit en het leverde hem opnieuw een Grammy Award op. In hetzelfde jaar werd hij opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame dat een jaar eerder in het leven was geroepen. Daarmee werd de status van Roy Orbison als belangrijke pionier en vernieuwer van de rock-'n-roll officieel bevestigd en erkend door de muziekindustrie. In datzelfde jaar nam hij een televisiespecial op waarvan de zwart-wit video Roy Orbison and Friends, A Black and White Night uitkwam. In deze show bracht Orbison al zijn grote hits, inclusief twee nummers van zijn dan nog nieuw uit te komen album, ten gehore. Hij werd omringd door gastmuzikanten als Bruce Springsteen, Elvis Costello, Bonnie Raitt, Tom Waits, Jennifer Warnes, k.d. lang, Jackson Browne, J.D. Souther en James Burton (ex-gitarist van Elvis Presley). De laatste twee genoemden zijn in duet in de clip. Orbison kwam eindelijk terug aan de top en maakte dat nog eens duidelijk door in 1988 deel uit te maken van de supergroep The Traveling Wilburys, waarvan ook Bob Dylan, George Harrison, Jeff Lynne en Tom Petty deel uitmaakten. Het debuutalbum heette Traveling Wilburys Vol. 1, waarvan wereldwijd miljoenen exemplaren verkocht werden. Orbison stierf op 6 december 1988 plotseling als gevolg van een hartstilstand bij zijn moeder thuis in Hendersonville, een voorstadje van Nashville. Orbison was in voorbereiding op een wereldtournee. Zijn stoffelijk overschot werd begraven in een anoniem graf op de Westwood Village Memorial Park Cemetery in Los Angeles.
Zijn nieuwe album werd in januari 1989 postuum uitgebracht onder het Virginlabel. De single You Got It werd een wereldwijde hit. De enige keer dat Orbison You Got It voor een publiek zong was drie weken voor zijn dood op het Diamond Awards Festival in het Sportpaleis in Antwerpen, waar hij een Diamond Award kreeg, omdat hij 25 jaar tot de "top of the bill" behoorde. De opnames van dat optreden werden gebruikt voor de videoclip van You Got It. De tweede single, She's a mystery to me werd ook een hit. Dit nummer werd voor Orbison geschreven door Bono en Edge van U2. In 1992, vier jaar na zijn dood, werd het nummer I Drove All Night een hit in Engeland en bereikte daar de 7e plaats. De opvolger Crying (duet met k.d. lang) haalde in datzelfde jaar de 13e positie. Roy Orbison was, in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten, helemaal terug aan de top toen hij stierf en keek vooruit naar nieuwe dingen en niet terug op oude vergane glorie. Vandaag de dag wordt hij door velen in de muziek business erkend als een van de grootste artiesten die de rock-'n-roll heeft voortgebracht. Zijn platen blijven goed verkopen en zijn in aantal de 100 miljoen ruim gepasseerd. Hij is voorbeeld en inspiratie voor vele artiesten en dat voor iemand tegen wie producer Jack Clement (Sun Records) ooit zei; "Roy, you're never gonna make it as a ballad singer".

Les Paul
Les Paul, artiestennaam van Lester William Polsfuss (Waukesha (Wisconsin), 9 juni 1915 – White Plains (New York), 13 augustus 2009), was een Amerikaans gitarist, gitaarbouwer, uitvinder en songwriter. Als jazzmusicus speelde hij in de jaren veertig en vijftig onder anderen met saxofonist Illinois Jacquet, trombonist J.J. Johnson en pianist Nat King Cole. Hij was een van de pioniers bij het ontwikkelen van de elektrische gitaar met een massieve body. Hij heeft ook veel verschillende vernieuwingen gebracht in de muziek in het algemeen, waaronder sound-on-sound, delay en galmtechniek. Hij deed dit door zijn muzikale kwaliteiten te combineren met zijn kennis van elektronica.
Zijn innovatieve talenten kwamen ook terug in zijn speelstijl, waardoor hij een buitenbeentje was voor zijn tijd en waardoor hij veel van de huidige gitaristen geïnspireerd heeft.
Bij een auto-ongeluk in januari 1948 werden de botten van zijn rechterarm zozeer verbrijzeld dat hij zijn elleboog nooit meer zou kunnen bewegen. Hij vroeg de chirurg deze zo vast te zetten dat hij toch nog gitaar kon spelen.
Vroege leven
Les Paul werd geboren als zoon van George Polsfuss en Evelyn Stutz. De familie was van Duitse komaf. Les' ouders scheidden toen hij nog een kind was. De Pruisische familienaam werd eerst versimpeld naar Polfuss door zijn moeder, later nam hij de artiestennaam Les Paul aan. Daarnaast gebruikte hij ook de artiestennamen Red Hot Red en Rhubarb Red.
Als achtjarige raakte hij geïnteresseerd in muziek. Zijn eerste instrument was een mondharmonica, en na een poging om banjo te leren, ging hij gitaarspelen. Naar eigen zeggen wilde hij 'gewoon een instrument bespelen en ondertussen zingen' (waardoor alle blaasinstrumenten afvielen). Het werd geen piano omdat hij dan met zijn rug naar het publiek gedraaid zou moeten zitten. Gitaar bleef als enige populaire muziekinstrument over.
Overdubben
Les Paul nam sommige gitaarpartijen op met halve snelheid zodat deze een octaaf hoger klonken bij het afspelen op 'normale' snelheid. Hij mixte vervolgens de afzonderlijk opgenomen sporen uit tot een geheel van 'normale' gitaarloopjes en de 'versnelde' loopjes, waardoor een bijzondere klank ontstond.
Mary Ford
Van 29 december 1949 tot en met december 1964 was Les Paul getrouwd met Iris Colleen Summers, die bekend zou worden als Mary Ford. Met haar heeft hij menige hit gescoord. In 1952 haalde zijn instrumentale versie van Eric Spears nummer "Meet Mr. Callaghan" de vijfde plaats in de Billboard Hot 100; het verscheen een jaar later op hun album The Hit Makers en werd in 1954 gebruikt in de verfilming van Peter Cheyney's boek "The Urgent Hangman", die als titel eveneens "Meet Mr. Callaghan" kreeg. De muziek vormde voor Boudewijn de Groot de inspiratie voor zijn nummer Jimmy.
Enkele andere hits van Les Paul en Mary Ford::
Tennessee Waltz (1950)
How High The Moon (1951)
Mockin' Bird Hill (1951)
The World is Waiting for the Sunrise (1951)
Vaya con Dios (1953)
Gibson
Les Paul kwam in contact met gitaarfabrikant Gibson en verplichtte zich om in het openbaar altijd met de beroemde Gibson Les Paul op te treden.[bron?] Deze gitaar zou later in alle muziekgenres, van blues tot heavy metal, gebruikt worden. De Les Paul Goldtop ontstond uit een samenwerking tussen Gibson en Les Paul. De Goldtop leek erg op de Les Paul Standard die een aantal jaren later verscheen en wereldberoemd werd, maar had enkelspoel P-90-elementen in plaats van dubbelspoel PAF-humbuckers.
Andere modellen
De naam Les Paul werd uiteindelijk ook verbonden aan een aantal andere modellen waarvan hij niet bij het ontwerp betrokken was, zoals de Les Paul SG uit 1960. Les Paul herkende zich echter niet in deze gitaar, waarna Gibson de gitaar in 1963 omdoopte tot de Gibson SG.
Hernieuwde samenwerking
In 1972 kwam het nogmaals tot een samenwerking tussen Les Paul en de ontwerpers van Gibson. Met nieuw ontwikkelde technieken werd de Les Paul Personal ontworpen. Hoewel de vorm op de oude Les Paul leek was de elektronica gericht op jazzmuzikanten. Ook was er een aansluiting voor een zwanenhalsmicrofoon op de zijkant te vinden, zodat men met gitaar en zangmicrofoon kon lopen. Deze gitaar werd geen succes, maar Les Paul bleef hem tot op hoge leeftijd gebruiken. Een variant zonder de microfoonaansluiting heette Les Paul Professional en een basgitaar-uitvoering werd Les Paul Triumph genoemd.
Overlijden
Tot vlak voor zijn dood speelde Les Paul nog wekelijks in de Iridium Night Club in Manhattan. Hij overleed op 94-jarige leeftijd in een ziekenhuis in White Plains aan de gevolgen van een longontsteking en werd begraven in zijn geboorteplaats op de Prairie Home Cemetery.
Les Paul is opgenomen in de National Inventors Hall of Fame vanwege zijn aandeel in de ontwikkeling van onder meer de elektrische gitaar en multitrack-opnames. Tevens ontving hij de Gold Medal, de hoogste onderscheiding van de Audio Engineering Society.
Postuum kreeg hij in 2011 een ster in de Music City Walk of Fame in Nashville.

Gene Pitney
Gene Francis Alan Pitney (Hartford, Connecticut, 17 februari 1940 – Cardiff, Wales, 5 april 2006) was een Amerikaanse zanger en songwriter. Zijn grootste successen had hij in de jaren zestig.
Biografie
Gene Pitney werd op 17 februari 1940 in Hartford geboren als zoon van Anna Orlowsky en Harold Pitney. Hij was het derde van vijf kinderen. Zijn grootouders van moederszijde kwamen uit Polen. In 1967, op het toppunt van zijn populariteit, trouwde hij met zijn jeugdliefde Lynne Gayton. Zij kregen drie zoons, Todd, Chris en David. Zijn vrij hoge stem heeft een zeer kenmerkend timbre.
Loopbaan
Al vroeg hield hij zich bezig met muziek. Zo zat hij op de middelbare school in de band Gene Pitney and The Genials. Na de highschool was hij aanvankelijk succesvol als componist; zo schreef hij Today's teardrops voor Roy Orbison, He's a Rebel voor The Crystals, Hello Mary Lou voor Ricky Nelson en Rubber Ball voor Bobby Vee.
Zijn carrière als soloartiest begon in 1961 met de zelf geschreven song I Wanna Love My Life Away dat hij zelf voor $30 opnam. Op deze opname speelde hij zelf piano, gitaar en slagwerk en zong hij zelf de zeven vocale partijen. Deze single haalde de top 40 in de VS en in Engeland. Later in dat jaar volgde zijn eerste top 20-hit Town Without Pity uit de gelijknamige film. Voor deze song won hij een Golden Globe award. In 1962 zong hij de Bacharach/David song The man who shot Liberty Valance naar een 4e plek in de top 10 van de VS. Wegens een geschil werd deze song niet gebruikt in de gelijknamige western met John Wayne. Het eveneens door Bacharach/David geschreven 24 Hours from Tulsa haalde een 5e plaats in de UK in 1964.
Het door hem geschreven He's a rebel van The Crystals bereikte in november 1962 de 1e plaats in de top 10 van de VS, en hield ironisch genoeg zijn eigen song Only Love Can Break a Heart af van de 1e plaats. Het zou zijn hoogste notering blijven in de USA.
Vanaf die tijd haalde hij zeer regelmatig de hitlijsten, zowel in de VS als in Engeland. Dat deed hij met o.a. Only Love Can Break a Heart, If I Didn't Have a Dime, Half Heaven, Half Heartache, Mecca, It Hurts to be in Love en True Love Never Runs Smooth. Verder nog That Girl Belongs to Yesterday (een Jagger/Richards compositie), I'm Gonna be Strong, Looking Through the Eyes of Love, I Must be Seeing Things", Princess in Rags, Backstage, Just One Smile, Something's Gotten Hold of My Heart, Nobody Needs Your Love en The Boss's Daughter.
In 1966 deed hij mee aan het San Remo festival in Italië met het in het Italiaans gezongen Nessuno mi può giudicare. Met deze song eindigde hij daar als 2e.
Al met al had hij 16 top-40 hits in de USA en 40 top 40-hits in Engeland.
Eind jaren tachtig had hij een korte comeback met een nieuwe versie van zijn oude hit Something's Gotten Hold of My Heart, dat hij deze keer als duet zong met Marc Almond, de zanger van de Britse band Soft Cell. Hiermee behaalde hij eindelijk een 1e plaats in Engeland, iets wat hem in zijn lange carrière nog nooit gelukt was (zijn eigen versie strandde in 1967 op de 5e plaats).
In maart 2002 werd hij opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame.
Pitney overleed in 2006 op 66-jarige leeftijd tijdens een tournee in Groot-Brittannië in zijn slaap als gevolg van een hartstilstand. Zijn stagemanager vond hem in zijn hotelkamer. Vanaf de jaren negentig had hij erg veel tournees gedaan, en hij is dus "in het harnas gestorven".

Louis Prima
Louis Prima (New Orleans, 7 december 1910 – aldaar, 24 augustus 1978) was een Amerikaans entertainer, zanger, acteur en trompettist. Hij werd in zijn tijd beschouwd als de "King of the Swing".
Prima ging mee met de trends in de muziek indertijd. Hij begon in de jaren 20 met een zevenkoppige jazzband in New Orleansstijl. In de jaren 30 speelde Prima in een succesvol swingcombo, en in de jaren 50 had hij een show in het Sahara in Las Vegas. In de jaren 60 ging Prima verder met een pop-rock go-go band. In al zijn muzikale bezigheden zag je zijn uitbundige persoonlijkheid terug.
Prima speelde in een aantal films, waaronder in 1936 samen met Bing Crosby in Rhythm on the Range. Ook verleende hij zijn stem aan de productie van de Disneyfilm Jungleboek, waarin hij de stem van koning Lowietje sprak.
Tot zijn bekendste nummers horen Jump, jive, an' wail, Just a Gigolo/I ain't got Nobody, Buona Sera, Sing, Sing, Sing, Angelina en Pennies From Heaven. Drummer Gene Krupa nam in 1937 in Benny Goodmans coverversie van Sing, Sing, Sing de eerste langdurige drumsolo op.
In de jaren 70 ging Prima's gezondheid achteruit. Hij kreeg een hartaanval in 1973, en in 1975 leed hij aan hoofdpijn en periodes van geheugenverlies, die door een hersentumor veroorzaakt bleken te worden. Vanwege een intracerebraal hematoom werd hij geopereerd om de tumor te verwijderen. Na de operatie raakte hij in een coma waar hij nooit meer uit zou komen. Hij werd overgebracht naar New Orleans, waar hij drie jaar later op 67-jarige leeftijd stierf. Prima werd begraven in het Metairie Cemetery in New Orleans.
Op 25 juli 2010, bijna 32 jaar na zijn dood, kreeg Louis Prima een ster op de beroemde Hollywood Walk of Fame.

Jim Reeves
James Travis Reeves (Galloway (Texas), 20 augustus 1923 – Brentwood (Tennessee), nabij Nashville, 31 juli 1964) alias Gentleman Jim was een Amerikaanse country-zanger die bekend werd om zijn warme fluwelen stem.
Biografie
Reeves werd geboren in Galloway in Texas als jongste in een gezin met negen kinderen. Zijn vader overleed toen hij pas een jaar oud was. Ondanks zijn liefde voor de muziek begon hij een carrière als honkballer, waaraan in 1947 een vroegtijdig einde kwam door een enkelblessure. Hij kreeg een baan als dj bij een radiostation in Louisiana en in 1953 nam hij zijn eerste succesplaat, Mexican Joe, op die een nummer 1-notering kreeg. In 1955 tekende hij een contract met RCA en werd lid van de Grand Ole Opry. Tegen het einde van de jaren 50 kwam de rock-'n-roll op en verschoof Reeves onder invloed van Chet Atkins zijn stijl van de pure country wat in die richting. Reeves was - met Patsy Cline - een van de eersten die de Nashville-sound brachten.
Jim Reeves was een van de eersten die met 'close talking'-microfoontechniek werkte, iets wat zijn stem extra goed deed uitkomen. Reeves had in 1963 een meningsverschil met RCA, omdat hij vond dat andere artiesten meer aandacht kregen dan hij. Hij had aan zijn contractverplichtingen voldaan, wat betreft het aantal opnames dat hij moest maken. Hij weigerde daarom enkele maanden in 1963 in de RCA recordingstudio B in Nashville te verschijnen. Door tussenkomst van RCA Nashville division producer en vriend Chet Atkins werd dit bijgelegd en begon Reeves weer met opnames maken. Dat Reeves' close to the mike technique en ruzie met een opnametechnicus hiertoe zouden hebben geleid is een fabeltje. Het verhaal klopt wel dat een opnametechnicus werd vervangen maar dit heeft niet geleid tot Reeves' weigering platen op te nemen voor RCA.
Jim Reeves was een perfectionist en ergerde zich aan Louis Nunley van de Anita Kerr Singers, die constant grappen maakte in de studio. Een tijdje is Nunley ook niet in de studio geweest voor opnames. Ook dit is later weer bijgelegd.
Op 31 juli 1964 vloog Reeves, hoewel hij (nog) geen geldig vliegbrevet had voor zijn net aangekochte Beechcraft-type Bonanza, een Debonair model 33 met vliegtuigregistratienummer N8972M, samen met zijn manager, pianist en vriend Dean Manuel, terug naar huis, toen zij geconfronteerd werden met een zware onweersbui in de nabijheid van de luchthaven. Tijdens de nadering negeerde Reeves de aanwijzingen van de luchtverkeersleiding om een andere koers te volgen vanwege deze gigantische onweersbui. Korte tijd later werd het toestel getroffen door de bliksem en crashte het, waardoor beiden omkwamen.
Een paar van de nummers die hem bekend maakten, zijn:
Mexican Joe
Yonder comes a sucker
A fool such as I
Distant drums
I love you because
I won't forget you
Adios Amigo
Blue Boy
Billy Bayou
Home
Am I Losing You
Zijn grootste hit werd He'll have to go, dat hij opnam in 1959/1960. Jim Reeves heeft ook een plaat uitgebracht met daarop uitsluitend liedjes in het Afrikaans, getiteld Jy Is My Liefling, nadat hij in Zuid-Afrika een rol speelde in een film Kimberly Jim
Lang na zijn dood heeft Reeves nog hitlijstnoteringen gekregen; de laatste in een duet met Patsy Cline I fall to pieces uit 1982. Een en ander was mogelijk door de enorme hoeveelheden niet uitgebracht studiomateriaal en het zorgvuldige beheer daarvan door zijn vrouw.
Postuum werd Reeves in 1967 opgenomen in de Country Music Hall of Fame, in 1998 in de Texas Country Music Hall of Fame en in 2010 in America's Old Time Country Music Hall of Fame.

Jimmie Rodgers
James Charles (Jimmie) Rodgers (Meridian, 8 september 1897 – New York, 26 mei 1933) was de allereerste country-superster. Hij stond bekend als "The Singing Brakeman" en "The Blue Yodeler".
Biografie
Rodgers groeide op in Meridian, en ging al op zeer jonge leeftijd aan het werk aan de spoorlijnen. Hij schopte het daar uiteindelijk tot remmer.
Toen hij tuberculose kreeg werd hij gedwongen de spoorwegen te verlaten, en hij nam allerlei baantjes aan, van politierechercheur tot optredens als straatmuzikant en in medicine shows. In 1927 reageerde hij op een advertentie van Ralph Peer van de Victor Talking Machine Company. Op 4 augustus 1927 nam Peer in een geïmproviseerde studio in Bristol (Tennessee) twee nummers van Rodgers op: de sentimentele ballade "The Soldier's Sweetheart", en het slaapliedje, "Sleep, Baby, Sleep". De plaat werd op 7 oktober door Victor uitgebracht en had onmiddellijk veel succes.
Rodgers schreef de meeste van zijn liedjes zelf. De teksten gingen vooral over zijn eigen ervaringen; het waren liefdesliedjes, liedjes over het zware leven en over de spoorwegen.
Ondanks het feit dat er in die periode veel rijzende sterren waren, onderscheidde Rodgers zich door zijn unieke stemgeluid. Hij had een enorm bereik, en een zeer krachtige stem. Zijn jodelkunsten waren ongeëvenaard, en zijn jodels waren erg complex en zaten ingenieus in elkaar. De begeleidende muziek op zijn liedjes werd altijd perfect op de inhoud afgestemd. Meestal speelde Rodgers ook zelf gitaar en vaak met Louis Armstrong.
Rodgers bracht twaalf liedjes uit met de titel "Blue Yodel" gevolgd door de nummers 1 tot en met 12. "Blue Yodel No. 1" is het meest bekend, met de tekst "T for Texas, T for Tennessee". Eigenlijk was Rodgers een blanke blueszanger, hij zong traditionele bluesteksten en begeleidde zichzelf met een bluesgitaar. Zijn jodels leken dan ook in niets op de Oostenrijkse of Zwitserse jodels, maar waren eigenlijk falsetto-bluesriffs die met de stem werden weergegeven.
Enkele bekende liedjes van Rodgers zijn "Waiting for a Train" (1929), "In the Jailhouse Now" (1928, 2e uitvoering 1930), "Jimmie the Kid" (1931), "Mule Skinner Blues" (1931), "Miss the Mississippi and You" (1932), "Looking for a New Mama" (1931), "Jimmie's Mean Mama Blues" (1931), en "Train Whistle Blues" (1930). Hij nam in totaal 113 liedjes op die tijdloos bleken te zijn. Zijn muzikale carrière duurde echter maar zes jaar, Rodgers stierf uiteindelijk aan de tuberculose in het Taft Hotel in New York. Hij werd slechts 35 jaar oud.
Rodgers maakte zijn laatste opnames in de week voordat hij stierf. Hij was al enkele jaren aan zijn bed gekluisterd door tuberculose, en moest ook tussen de opnames door steeds rusten.
Eerbetoon
In het Highland Park in zijn geboorteplaats is een museum aan zijn werk en leven gewijd. Het park werd in 1979 toegevoegd aan het National Register of Historic Places.
Toen in 1961 de Country Music Hall of Fame werd opgericht, was Rodgers een van de eerste drie die daar werd geëerd. Hij werd ook vereeuwigd in de Songwriters Hall of Fame en in de Mississippi Musicians Hall of Fame, en zijn liedje "Blue Yodel No. 9" is nummer 23 in de "Rock and Roll Hall of Fame's 500 Songs that Shaped Rock and Roll". In 1970 werd hij opgenomen in de Nashville Songwriters Hall of Fame en in 1976 in America's Old Time Country Music Hall of Fame.
De artiesten 9
Hier vindt u meer informatie over de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Roy Rogers
Roy Rogers, acteursnaam van Leonard Franklin Slye, (Cincinnati (Ohio), 5 november 1911 – Apple Valley (Californië), 6 juli, 1998) was een Amerikaanse zanger en cowboyacteur. Hij en zijn vrouw Dale Evans (1912-2001) speelden in honderden films en traden op in The Roy Rogers Show. Voor vele Amerikanen (en niet-Amerikanen) was Rogers de all-American hero.
In 1988 werd hij opgenomen in zowel de Country Music Hall of Fame als America's Old Time Country Music Hall of Fame, en in 1989 in de Western Music Association Hall of Fame. Roy Rogers overleed op 86-jarige leeftijd.
Bekende nummers
Tumbling Tumbleweeds
Way Out There
Ride Ranger Ride
Hold That Critter Down
One More Ride
That Pioneer Mother Of Mine
Little White Cross On The Hill
Hold On Partner (duet met Clint Black)

Tony Sandler
Tony Sandler, artiestennaam van Lucien Joseph Santelé (Lauwe, 18 augustus 1933) is een Belgisch zanger die ook een helft vormde van het duo Sandler & Young.
Sandlers muzikale carrière begon bij het internationale kinderkoor 'Les petits Chanteurs à la Croix de Bois'. Tijdens zijn legerdienst bracht hij een eerste plaatje uit: Lied van de zee, een compositie van Hans Flower. Sandler begon in de jaren 50 als Vlaamse zanger met het orkest 'Solidor' en dankzij een gewonnen crochetwedstrijd voor Radio Gent kon hij zich in die tijd nestelen tussen andere Vlaamse vedetten, zoals Bobbejaan Schoepen, Bob Benny, Jean Walter, Jo Leemans. Sandler, inmiddels een gevierd zanger, kreeg tussen 1953 en 1958 de gelegenheid om tal van hits te scoren bij de platenmaatschappijen Ariola en Polydor. Hij nam tientallen nummers op en in die periode behaalde hij in totaal 26 radiohits, waaronder Ik Denk aan Jou, In een Bootje met Jou, De Maan Houdt de Wacht, Oh Donna Michaela, Tango Serenaden en Manuela.
Europese schlagerperiode tot 1954-1963
Toen Sandler 24 jaar oud was, werd hij door de Duitse A&R-muziekproducer Werner Mertin ontdekt, die hem introduceerde bij Ariola in Berlijn. Dit contact resulteerde in diverse studio-opnamen en optredens doorheen West-Europa. Voor Ariola nam hij het nummer “Am Tag, Als Der Regen Kam/ Susie Darlin’(1958) op met het orkest van Hans Georg Alt. Verder nog enkele singles "Schau ich Links, Schau ich Rechts", "Zwei im Mondschein" (1959) en "Ich Sehn mich Nach Dir" (1959)
De platenmaatschappijen lieten niets aan het toeval over en boekten opnamen met de befaamde orkesten van Werner Müller (a.k.a.Ricardo Santos), Kurt Edelhagen, Helmut Zacharias, and Ernst Kugler. Om de nummers te promoten werd Tony Sandler naar talrijke muziekfestivals afgevaardigd en speelde hij in enkele Duitse muzikale films voor bioscoop en voor de ZDF Televisie.
In 1960 nam Tony Sandler deel aan de “Schlagerparade” met het nummer ‘Oh Wie Schön”. Dit was de West-Duitse voorronde voor het Eurosongfestival.
In die periode acteerde hij o.m. in “Schick deine Frau nicht naar Italien”, een film van Hans Grimm met toenmalige vedetten Marianne Hold en Claus Biederstadt en “Das Ratsel der Grünen Spinne”, een film van Franz Marischka.
Op 4 juni 1961 nam Tony Sandler deel aan de Deutsche Schlager Festspiele in Baden Baden met de single ‘In Paraguay’/ “Tranen” (Ariola). Op 29 augustus 1961 trad hij op in het populaire televisieprogramma “Was ich Noch Sagen Wollte”, aan de zijde van o.m. Paul Kuhn, Carmita en Helga Heinrich. Hij zong er enkele nummers begeleid door het orkest van Werner Muller.
Tussen 1957 en 1963 trok Sandler door Europa met tv-shows en optredens in België, Nederland, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, England en Italië. Hij nam meer dan honderd liedjes op bij diverse platenlabels, zoals Ariola, Polydor Records in Berlijn, München en Hamburg, bij Vogue Records in Oostenrijk en Bluebell Records in Milaan.
In 1963, toen Tony Sandler op punt stond naar Amerika te vertrekken nam hij bij DECCA nog een LP op (Ik Kan U Niet Vergeten) met een aantal ingetogen liedjes op tekst van o.m. Gaston Durnez en Andre Demedts met muzikale begeleiding door het combo Al Van Dam. Twee nummers uit dit album "Mijn Moeder was een Vlaamse Vrouw" en "Ik Kan u niet Vergeten" blijven tot op heden nog steeds verbonden aan de zanger Sandler.
Tussen 1960 en 1963 trad Sandler tussen april en oktober telkens op in de 'Roof Garden' in Café Roma in het mondaine Alassio aan de Italiaanse Rivièra. Daar werd hij opgemerkt door een Amerikaanse impresario Frederic Apcar, die hem een Amerikaanse deal voorstelde. Op 29 november 1963 vertrokken ongeveer honderd Europese artiesten, onder wie Sandler, naar Las Vegas om aan te treden in de flamboyante show Casino de Paris in het Dunes Hotel aan de zijde van de Franse vedette Line Renaud. Tot de cast behoorde één Amerikaan: Ralph Young.
Sandler & Young (1963-1987)
Het oorspronkelijke contract van drie maanden werd met twee jaar verlengd en tijdens die periode werkten Sandler en Ralph Young aan een eigen act. Hun "gimmick" bestond eruit dat Sandler, als "gesofisticeerde Europeaan" in vier talen zou zingen en Young als de eerder "logge" New Yorker in harmony een ander lied bracht, het zogenaamde "Quodlibet". Deze vorm van muziek werd in de Verenigde Staten de bekende "Sandler & Young"-sound.
In 1965 startten Tony Sandler & Ralph Young als een onafhankelijk duo. Aanvankelijk traden ze op in de lounges van de diverse hotels in Las Vegas en het mondaine Lake Tahoe. De komiek Phil Silvers hoorde eerder toevallig "Sandler & Young" in een van die Las Vegas-lounges. Hij was zo enthousiast over deze sound dat hij hen wilde voorstellen aan de actrice Polly Bergen, die op dat ogenblik werkte aan een nieuwe show en "Sandler & Young" integreerde in haar nieuwste productie.
Bij de première van de Bergen/Sandler & Young-show in het Thunderbird Hotel in 1965 in Las Vegas zat Alan Livingston, de platenbaas van het prestigieuze platenlabel Capitol Records, in de zaal. Hij was onder de indruk en bood het duo een exclusief contract aan bij Capitol Records. Ze werden begeleid door muziekproducent Dave Cavanaugh – de latere president van Capitol – en muziekdirecteuren Jimmy Jones en Billy May, die onder meer Nat King Cole, Peggy Lee, Nancy Wilson, Kay Star en anderen hadden groot gemaakt. Het contract liep gedurende meer dan tien jaar en ondertussen verkochten "Sandler & Young" miljoenen platen. Zo trad Sandler ook op in de meest prestigieuze concertzalen in Amerika en Canada.
Tony Sandler en Ralph Young schitterden gedurende bijna twintig jaar op Las Vegas Boulevard. Sandler trad onder meer op in Caesar's Palace, Tropicana Hotel, The Congo Room in het Sahara Hotel, Dunes Hotel en het Continental Theatre in het Thunderbird Hotel en ook vele weken in het Flamingo Hilton Hotel. Daarnaast waren er onder meer optredens in The Plaza in New York, Blue Room in Washington D.C., De Cocoanut Grove in Hollywood, The Shamrock in Houston en the Shoreham in Washington DC en in Madison Square Garden in 1967.
Het duo trad op in populaire tv-shows zoals 9 xThe Ed Sullivan Show, The Tonight Show Starring Johnny Carson, The Dean Martin Show, The Andy Williams Show, The Red Skelton Show, The David Frost Show, The Today Show, The Merv Griffin Show, The Joey Bishop Show, The Dick Cavett Show, 28 x The Mike Douglas Show, The Monte Carlo Show en vele andere. In 1969 kregen Sandler en Young hun eigen programma, de Kraft Music Hall op NBC. In 1974 presenteerden zij de 52 minuten durende speciale aflevering "Two Christmases, an Evening with Sandler & Young" op WNEW (Fox television). Verder brachten ze enkele tientallen langspeelplaten op de markt bij Capitol Records, Pickwick Records, PIP en ook onder hun eigen label Ralton Records, die resulteerden in een miljoenenverkoop. Heel wat van deze opnamen behoren nu tot het Amerikaans erfgoed en zijn opgenomen de Library of Congress in Washington DC.
Medio jaren tachtig, toen de 15 jaar oudere Ralph Young op rust wilde, werkten Sandler en Young hun voorlopig laatste reeks contracten af. Ondertussen werd achter de schermen druk gewerkt aan de nieuwe Tony Sandler Show. Incidenteel traden Sandler en Young later nog samen op voor bijzondere gelegenheden. Hun laatste optreden samen was in 2003 in Palm Springs tijdens het all-stars concert "Let Freedom Ring" met onder anderen Barry Manilow, Suzanne Somers en Jack Jones, ten bate van de slachtoffers en families van 11 september 2001.
Als blijk van erkenning voor hun muzikale loopbaan kreeg het duo Sandler and Young in 1998 een ster op de Palm Springs Walk of Stars. Op 22 augustus 2008 overleed Ralph Young op negentigjarige leeftijd.
Solo (1987 tot heden)
Als zanger en producent van diverse shows vervolgde Sandler zijn loopbaan. Hij bracht als 'bekende Europeaan' ook regelmatig – naast het Amerikaanse repertoire – het Europese chanson in Amerika, met producties als Best of Broadway, Sandler sings Lerner & Loewe en Sandler sings Jacques Brel. Verder verzorgde hij internationale kerstshows zoals The Thrue Sound of Christmas en For the Night of Christmas. Sandler heeft sinds 1987 diverse albums uitgebracht, zoals The Importance of the Rose, Bells of Paradise en Thrue Spirit of Christmas. Voor het niet-commerciële televisienetwerk PBS bracht hij als 'host' eind jaren 80 twee televisieprogramma's met Vlaanderen als achtergrond: Portrait of Flanders en For The Night of Christmas from Bruges.
In de jaren 90 toerde Sandler solo met de onemanshow Chevalier, Maurice & Me en de symfonische-popproductie My Paris met arrangementen van Peter Matz, waarin hij het leven van Maurice Chevalier presenteerde aan Amerika. In zijn project "The Great International Songbook" uit 2005 vertolkte Sandler zowel met bigband als met kwintet of trio een internationaal repertoire.
In 2005 bracht Tony Sandler een driedubbele cd uit Mijn Moederspraak, An Anthology of Flemish Art and Folk Songs. Dit is een bloemlezing van 36 klassieke Vlaamse volksliederen waarmee hij in recital stijl met klassieke arrangementen door pianist Gregory Theisen, de schoonheid van de Vlaamse taal en het Vlaamse lied voor de toekomst wil bewaren. Nummers zijn o.m. ‘k En Hore U nog Niet O Nachtegaal, O Kempenland, Lentelust, Ik Zag Cecilia Komen, Het loze vissertje Gequetst Ben Ick Van Binnen, Mijn Vlaanderen heb ik Hartelijk Lief, 't Zijn Weiden als Wiegende Zeeën, Daar Zat een Sneeuwwit Vogeltje,... In 2007 kreeg Sandler de gelegenheid om deze cd persoonlijk te kunnen voorstellen en overhandigen aan Z.M. Koning Albert II van België in New York.
In 2013, naar aanleiding van zijn 60-jarige loopbaan en zijn 50-jarige carrière in de Verenigde Staten wordt bij Balladin Productions Inc. een serie geremasterde cd's uitgebracht onder de noemer 'Tony Sandler Legacy Series'. Onder het label Balladin verschenen Hits van de jaren 50 - Flemish Hits 1950's, Deutsche Schlagerparade - Parade of German Hits 1954-1963 en Symphony of Love internationale liedjes. Zijn Belgische producer Tom Bauwens organiseert datzelde jaar zijn laatste optreden in Kortrijk, zijn geboortestreek.

Neil Sedaka
Neil Sedaka (Brooklyn (New York), 13 maart 1939 – Los Angeles, 27 februari 2026) was een Amerikaanse zanger. Hij werd vooral bekend in de jaren 50 en 60 van de 20e eeuw en was het productiefst in de jaren 70. Hij bracht in de jaren 50, 60 en 70 in totaal veertien albums uit.
Biografie
Sedaka brak in 1958 door met The Tokens. In 1959 kwam hij met zijn eerste solo-album Neil Sedaka, om daarna twee jaar later Circulate uit te brengen.
De eerste hit in Nederland en België was in 1959/1960 (Oh! Carol). Ook in 1974 had hij een hit met A little lovin'. Sedaka had een stuk of tien hits in Nederland, maar slechts één hitalbum: Timeless in 1992. Full House zong zijn Standing on the inside de hitparades in in 1976.
Verder schreef hij tal van liedjes voor andere artiesten, onder wie Gene Pitney, Connie Francis, Tony Christie en ABBA. Voor ABBA schreef hij in 1972 bij de muziek van Benny Andersson en Björn Ulvaeus de Engelse tekst van wat later Ring Ring werd en meedeed aan de Zweedse voorronde van het Eurovisiesongfestival 1973 maar niet won.
In 2016 kwam zijn meest recente album uit, I do it for applause.
Sedaka overleed op 27 februari 2026 op 86-jarige leeftijd na eerder die dag in het ziekenhuis op te zijn genomen.

Frank Sinatra
Francis Albert Sinatra (Hoboken, New Jersey, 12 december 1915 – Los Angeles, 14 mei 1998) was een Amerikaanse zanger, acteur, filmproducent, filmregisseur, radiopresentator en televisiepresentator. Vanwege zijn onmiddellijk herkenbare stem, die niet alleen krachtig en charismatisch wordt genoemd maar ook nostalgisch en teder, kreeg Sinatra de bijnaam The Voice.
Levensloop
Carrière
Frank Sinatra, geboren in Hoboken (New Jersey), besloot zanger te worden nadat hij Bing Crosby op de radio had gehoord. Hij begon in kleine clubs in New Jersey en kwam op die manier onder de aandacht van trompettist en bandleider Harry James. Na een korte periode met James sloot hij zich aan bij het Tommy Dorsey Orchestra, en na zijn debuut met hen in 1940 werd hij beroemd als zanger. Hij had een grote aantrekkingskracht op de tieners van die tijd (de zogenoemde bobby soxers), die een heel nieuw publiek waren voor populaire muziek. Deze muziek was tot dan toe voorbehouden aan volwassenen, en Sinatra werd zo het eerste tieneridool. In 1943 tekende Sinatra een contract bij Columbia Records. Voor deze platenmaatschappij zou hij zes albums maken.
In 1941 maakte Sinatra zijn filmdebuut met een kort zingend optreden in de film Las Vegas Nights. In 1944 werd hij voor het eerst voor grotere rollen gecast in de films Higher and Higher en Step Lively. In 1945 oogstte Sinatra succes met zijn rol in de musical Anchors Aweigh waarin optrad naast Gene Kelly en Kathryn Grayson. Deze film won meerdere Oscars. In 1949 speelde Sinatra in de films Take me out to the ball game en On the Town, opnieuw musicals met Gene Kelly.
Begin jaren vijftig ging het bergafwaarts met Sinatra’s populariteit. In 1953 behaalde hij echter opnieuw groot succes met de film From Here to Eternity. De film werd genomineerd voor 13 Oscars, waarvan het er 8 won. Daarvan won Sinatra de Oscar voor beste mannelijke bijrol. Sinatra verscheen daarna nog in meer dan veertig verschillende films, waaronder de veelgeprezen films The Man with the Golden Arm en The Manchurian Candidate.
In 1953 tekende Sinatra bij Capitol Records. Bij deze platenmaatschappij zou hij enkele van zijn (in artistiek opzicht) meest gewaardeerde albums maken, waaronder In the wee small hours in 1955, Songs for swingin'n lovers! in 1956 en Frank Sinatra sings for only the lonely in 1958. In 1959 won het album Come dance with me! een Grammy Award voor beste album van het jaar. De albums bij Capitol werden eerst geproduceerd door Voyle Gilmore en later door Dave Cavanaugh. De arrangementen waren vaak van Nelson Riddle.
Eind jaren vijftig was Sinatra in toenemende mate ontevreden over Capitol en in 1960 richtte hij zijn eigen platenlabel Reprise Records op. Na albums van Sammy Davis jr. en enkele andere vrienden, was het eerste album van Sinatra dat op dit label verscheen Ring-a-ding-ding! uit 1961, al verschenen daarna in 1961 en 1962 ook nog drie albums bij Capitol Records. In 1965 verscheen bij Reprise het alom gewaardeerde album September of my years, waarvoor Sinatra in 1966 wederom een Grammy Award won, evenals voor het album A man and his music in 1967. Veel albums van Sinatra die werden uitgebracht bij Reprise werden geproduceerd door Sonny Burke.
In de jaren vijftig en zestig was Sinatra een populaire attractie in Las Vegas. Hij was bevriend met Dean Martin, Sammy Davis jr., Peter Lawford en Joey Bishop. Samen vormden zij de Rat Pack – een losse groep muzikanten en zangers die vrienden waren en samen feestvierden. Samen met andere Rat Pack-leden speelde hij in een aantal films, waaronder Ocean's 11, Sergeants 3 en Robin and the 7 Hoods.
Sinatra werkte op de albums Sinatra–Basie: An historic musical first (1962), It might as well be swing (1964) en het livealbum Sinatra at the Sands (1966) samen met orkestleider Count Basie en diens band. Op die albums verzorgde Quincy Jones enkele arrangementen en op het livealbum dirigeerde Jones het orkest. Quincy Jones zou bijna twee decennia later het in 1984 uitgebrachte album L.A. is my lady (1984) produceren, Sinatra’s laatste solo-album.
In 1992 keerde Sinatra terug bij Capitol Records, op welk label in 1993 en 1994 resp. de albums Duets en Duets II werden uitgebracht, Sinatra’s laatste studiowerk. De albums bevatten een serie duetten met diverse artiesten, waaronder Aretha Franklin, Barbra Streisand, Charles Aznavour, Willie Nelson en Bono. Van alle duetten werden de partijen separaat opgenomen, waardoor Sinatra geen van zijn duetpartners in de studio heeft gezien.
Privéleven
Sinatra was achtereenvolgens getrouwd met Nancy Barbato (1939-1951), Ava Gardner (1951-1957), Mia Farrow (1966-1968) en Barbara Blakeley (vanaf 1976 tot aan zijn dood in 1998). Met Barbato (1917-2018) kreeg hij dochters Nancy (1940) en Tina (1948) en zoon Frank jr. (1944-2016).
In een interview van Joe Hyams in februari 1963 voor Playboy beschreef Sinatra zichzelf als '18-karaats manisch-depressief' en stelde hij dat zijn leven vol emotionele tegenstellingen hem een bijzonder groot vermogen gaf om zowel verdriet als euforie te voelen.
Overlijden
Sinatra overleed in 1998 op 82-jarige leeftijd aan een hartaanval. Zijn laatste woorden waren: "I'm losing", verwijzend naar zijn gevecht om in leven te blijven. Sinatra is begraven in het Desert Memorial Park in Cathedral City, Palm Springs, Californië. Op zijn grafsteen stond de tekst "The Best Is Yet to Come", een lied dat hij in 1964 opnam met Count Basie en tevens het laatste lied was dat hij in het openbaar zong in 1995. Na het overlijden van zijn weduwe Barbara Blakely werd de tekst van de grafsteen aangepast naar "Sleep Warm, Poppa".

Rod Stewart
Sir Roderick David (Rod) Stewart (Highgate (Londen), 10 januari 1945) is een Britse rockzanger bekend om zijn kenmerkende rauwe stem. Hij wordt de "song and dance man" genoemd vanwege zijn podiumpersoonlijkheid. Er zijn ruim 250 miljoen platen van hem verkocht.
Rod Stewart is CBE, een onderscheiding die hij eind 2006 (New Year's Honours) kreeg uitgereikt vanwege zijn artistieke verdiensten. Hij is ook opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame, als solist en (in 2012) als lid van zijn voormalige band Faces.
Biografie
Op jonge leeftijd wilde Stewart voetballer worden en speelde hij enige tijd bij Brentford FC. Hij werkte onder meer als grafdelver, afrasteringenbouwer en bezorger. Begin jaren zestig begon zijn carrière in de muziek toen hij zich als straatmuzikant aansloot bij folkzanger Wizz Jones. Dit gezelschap reisde door Europa tot ze in Spanje gearresteerd werden wegens landloperij en omdat de paspoorten van de leden verlopen waren. De muzikanten werden Spanje uitgezet en teruggestuurd naar Engeland.
Op het station van Twickenham werd hij ontdekt door Long John Baldry. Vanaf 1964 trad hij veel op met Shotgun Express, Steampacket, Long John Baldry, Julie Driscoll en Alexis Korner. Hij zou – volgens geruchten – in 1964 mondharmonica gespeeld hebben in het liedje "My Boy Lollipop" van de Jamaicaanse skazangeres Millie Small, maar in werkelijkheid was het Pete Hogman die hiervoor het harmonicaspel verzorgde. Hij bleef relatief onbekend totdat hij zich in 1967 aansloot bij de Jeff Beck Group met virtuoos gitaarspeler Jeff Beck, bassist Ron Wood en drummers Aynsley Dunbar en Micky Waller.
Faces
In 1969 verliet hij de Jeff Beck Group om samen met Ron Wood over te stappen naar Faces. Hij bracht in datzelfde jaar nog een soloalbum uit, An Old Raincoat Won't Ever Let You Down en met Faces het album First Step. In 1970 verscheen zijn tweede soloalbum Gasoline Alley en met Faces Long Player.
Every Picture Tells a Story uit 1971 betekende de doorbraak voor Rod Stewart en vanaf dat moment genoot hij internationale bekendheid. Toen Maggie May vaak op de radio werd gedraaid kreeg hij met het album en de single gelijktijdig een nummer 1 in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië, iets wat in de geschiedenis van de populaire muziek nooit eerder was voorgekomen en sindsdien door niemand is geëvenaard. Het album Every Picture Tells A Story is opgenomen in de befaamde Rock & Roll Hall of Fame en bekleedt daar de zeventiende plaats in de top 500 van albums die de meeste invloed en verandering hebben teweeggebracht in de twintigste eeuw.
A Nod Is As Good As a Wink... to a Blind Horse, ook al uit 1971, bracht Faces in deze tijd hun enige top 10-hit in de VS met het nummer Stay with Me. In 1972 verscheen Never a Dull Moment, Stewarts vierde soloalbum. Samen met Faces bracht hij ook nog eens Ooh La La uit, waarop enkele nummers van de hand van Ronnie Lane. Sing It Again, het verzamelalbum uit 1973, had onvoldoende ruimte om alle hits van de vier eerste soloalbums te herbergen. Faces bracht dat jaar ook een verzamelaar uit, Snakes and Ladders, waarop hun laatste nummer 1-hit in het Verenigd Koninkrijk, Pool Hall Richard. Echter waren ze toch de populairste liveband in het Verenigd Koninkrijk, tot ze in 1974 uit elkaar gingen. Cindy Incidentally en Pool Hall Richard stonden er weken op de eerste plaats. In 1974 bracht Faces ook nog Coast to Coast: Overture and Beginners uit, een livealbum.
Succesrijke soloperiode
1974 betekende voor Stewart ook zijn laatste soloalbum voor Mercury Records. Het uit Smiler gesponnen lied Farewell was niet toevallig, omdat Rod de grote stap over de Atlantische Oceaan reeds plande en de creatiefste periode uit zijn leven afsloot om te beginnen aan zijn "lucratiefste". Het grote geld ging van pas komen. In 1975 werd het verzamelalbum van Faces, Snakes and Ladders, heruitgebracht in het zog van het succes van Atlantic Crossing, het eerste soloalbum bij Warner Bros/Atlantic.
De albums An Old Raincoat, Gasoline Alley, Never A Dull Moment, Smiler, A Nod's As Good As A Wink To A Blind Horse en Ooh La La kunnen volgens Rolling Stone Magazine gezien worden als belangrijke rockalbums. Na de periode waarin Rod Stewart op zijn populairst was volgde, volgens de muziekpers wereldwijd, niet zijn creatiefste. Hij had intussen onderdak gevonden bij Warner Bros, Atlantic. Zijn contract hield in dat alle rechten op zijn songs totaal in eigen handen bleven. Warner streek enkel procenten op voor de verkoop van platen en niet voor auteursrechten, waardoor Warner zich dubbel zo hard inspande voor de promotie van zijn platen. Sailing uit Atlantic Crossing (1975), en Tonight's the Night uit A Night on the Town, dat in 1976 zestien weken op nummer 1 stond in de Amerikaanse Billboard. Uit Footloose And Fancy Free (1977) stamt de rocker Hot Legs.
Aan het eind van 1978 had hij uit het album Blonds Have More Fun nog een hit met het nummer Do Ya Think I'm Sexy?, vermoedelijk het meest verguisde nummer uit zijn carrière, dat een nummer 1-hit werd over de hele wereld. Het bracht Stewart echter financieel niets op, want alle rechten werden geschonken aan het kinderfonds van Unicef.
Jaren tachtig
1980 bracht nog het album Foolish Behaviour, 1981 Tonight I'm Your's en 1982 het dubbele livealbum Absolutely Live, waarop hij Tina Turner opnieuw aan het grote publiek voorstelde. Het optreden in de L.A. Forum bezorgde Tina Turner de start van haar comeback en bevestigde Rod Stewart als een van de grootste rockperformers aller tijden. Uit de jaren tachtig dateren nog de albums Body Wishes, 1983, Camouflage, 1985, en Every Beat of My Heart, 1986, Out of Order, 1988, waarin hij helemaal terug was met de hit Infatuation. 1989 bracht het vierdelige verzamelalbum Storyteller.
Jaren negentig
Daarna nam zijn productiviteit wat af en stond hij meer bekend als rockster dan om zijn muzikale talent. Uit die periode kwamen twee rocksongs, Hot Legs en Foolish Behaviour, en I Was Only Joking, een zelfreflectie met de nodige humor en emotie.
In 1993 nam hij samen met Sting en Bryan Adams de hit All for Love op voor de film The Three Musketeers. Dit werd door sommige fans als een groter dieptepunt dan Do Ya Think I'm Sexy in zijn carrière gezien.
Rod Stewart gaf in 1994 een gratis concert op het strand van Copacabana, dat meer dan 3,5 miljoen bezoekers trok. Dit werd vermeld in het Guinness Book of Records als het grootste gratis concert ooit. Er moet bij worden vermeld dat het ook Oudejaarsavond was en alle mensen die op het strand aanwezig waren en feestvierden werden meegeteld.
Unplugged And Seated bewees in 1995 nogmaals het livetalent van Rod Stewart, die een eerlijke traan niet schuwde als hij de cover van Van Morrison, Have I Told You Lately aan zijn toenmalige echtgenote Rachel Hunter opdroeg.
Jaren 2000
In 2002 keerde Rod terug in de top van de albumlijsten met It Had To Be You, een verzameling van oude klassiekers van Cole Porter tot Nat King Cole uit de jaren twintig en dertig. De verkoop staat op 4.200.000 exemplaren, wat een unicum is in de jaren van downloaden. Eind 2003 keerde hij terug met het album As Time Goes By waarmee hij de tweede plaats bezette in de Amerikaanse en de Canadese en de eerste in de Australische albumhitlijst in november 2003.
2004 luidde voor Rod Stewart financieel het succesvolste jaar in zijn carrière in. Hij ging op tournee in de Verenigde Staten en Canada met een volledig uitverkochte stadiontournee die liep van januari tot augustus, getiteld From Maggie May to the Great American Songbook. De show bestond uit twee delen: een eerste deel van goed anderhalf uur rock en afsluitend een half uur Amerikaanse klassiekers. Rod kreeg voor iedere avond, gemiddeld 22 avonden per maand en dit voor acht maanden, een miljoen Amerikaanse dollar binnen.
Na de tour ging Stewart samen met Ronnie Wood de studio in voor de afwerking van hun album You'll Strut, I'll Sing.
19 oktober 2004 verscheen de derde en laatste in de serie Great American Songbooks, genaamd Stardust, die meteen doorstootte naar de nummer 1-positie in de Amerikaanse albumcharts. Gasten zijn onder andere Eric Clapton, Stevie Wonder en Dolly Parton. Ter aanvulling: er zijn nog twee Songbookalbums, een Greatest Rock Songs en een Soulbookalbum verschenen. In 2011 tekent Stewart bij UMG Universal Music Group om opnieuw een zelfgeschreven album uit te brengen in de loop van 2013. Dit zou hem terug op het goede spoor moeten gaan brengen en Stewart weer artistiek relevant maken. Wat ook gebeurt. Time met dertien zelfgeschreven nummer die in optimisme uitblinken stoomt van niets naar de hoogste positie in het Verenigd Koninkrijk, Canada, Australië en Brazilië. Hij strandde op de tweede plaats in de USA maar bleef daar voor 7 weken staan. Eind 2015 komt zijn album Another Country uit, dat hij eveneens zelf heeft geschreven.
In 2013 en 2014 ging Stewart opnieuw op wereldtournee en in 2014 nam hij voor het eerst deel aan het internationaal songfestival van Viña del Mar in Chili, het meest prestigieuze songfestival van Latijns-Amerika.
Medio 2016 ging een grote stadiontour van start in het Verenigd Koninkrijk (UK) die in een mum van tijd was uitverkocht.
Privéleven
Rod Stewart trouwde driemaal en had verscheidene andere relaties. Vijf verschillende vrouwen kregen in totaal acht kinderen van hem.
Stewart is een fan van modeltreinen. In zijn huis in Los Angeles heeft hij een model van New York Central en van de spoorwegen in Pennsylvania tijdens de jaren 1940. In zijn huis in het Verenigd Koninkrijk heeft hij een kleiner model gebaseerd op de Britse East Coast Main Line.
In mei 2000 werd bij Stewart schildklierkanker vastgesteld, waarvoor hij in dezelfde maand een operatie onderging. Eerder was gemeld dat hij leed aan een goedaardige stembandknobbel. Behalve dat het een grote bedreiging voor zijn gezondheid was, bedreigde de resulterende operatie ook zijn stem en moest hij opnieuw leren zingen. Sindsdien is hij actief geweest in het inzamelen van fondsen voor de liefdadigheidsinstelling van de City of Hope Foundation om genezing te vinden voor alle vormen van kanker, vooral die kinderen treffen. In september 2019 onthulde Stewart dat hij in 2017 de diagnose prostaatkanker had gekregen en dat hij na de behandeling was genezen.
'Invloed op anderen
Rod Stewart solo en vooral ook Rod Stewart samen met Faces wordt door vele artiesten als hun grote voorbeeld genoemd, zoals door Alanis Morissette, The Black Crowes, Stereophonics, Pearl Jam (die zelfs enkele riffs van Faces geleend hebben) tot zelfs Rage Against the Machine.
Paul Cook en Steve Jones (gitarist) van de Sex Pistols hebben jaren na hun punkglorie toegegeven dat het nummer Pool Hall Richard (1973) van de hand van Rod Stewart en Ron Wood voor hen de eerste echte Britse punksong was, de tekst Bang go the Queen, she's so obscene, her hands are dirty but her image clean, Pool Hall Richard, kid you're wicked, whe now! zegt genoeg.
Rod Stewart zelf is een groot bewonderaar van zanger en acteur Elvis Presley. Hij zei eens: "Elvis was en is nog steeds The King en zal dat altijd blijven, dat staat buiten kijf. Mensen als ikzelf, Mick Jagger en al die anderen volgden hem alleen in zijn voetsporen." Tot zijn grote voorbeelden behoren tevens Sam Cooke, Otis Redding en Aretha Franklin van wie hij Natural Woman bewerkte tot Natural Man voor zijn in 1974 verschenen album Smiler.

Lee Towers
Lee Towers, artiestennaam van Leendert (Leen) Huijzer (Bolnes, 23 maart 1946), is een Nederlandse zanger.
Biografie
Lee Towers werd geboren in Bolnes, in een sterk geïndustrialiseerde, op scheepsbouw gerichte wijk in Ridderkerk direct ten oosten van de Rotterdamse Van Brienenoordbrug in een eenvoudig, streng christelijk gezin. Na de Ambachtsschool werd hij machinebankwerker op de middelgrote scheepswerf Boele in Bolnes. Zijn debuut als zanger maakte hij begin jaren 60 in het bandje Jumping Dynamites, dat als zevende eindigde in een landelijke talentenjacht van Fender. Eind jaren 60 zong hij in het dansorkest Drifting Five en nam hij zijn eerste platen op in de stijl van Manuela van Jacques Herb. Zijn eerste single (Louisa, met op de achterkant Niemand) maakte hij onder de naam Leen Huijzer. Later, rond 1971, was er nog de Nederlandstalige single Nina Nina Nina, die hij uitbracht onder de naam Len Hauser. Producer Joop Veenendaal bracht hem onder bij platenmaatschappij Ariola, waarna de Rotterdamse muziekmaecenas Will Hordijk hem engageerde voor het project V.S.O.P. (Very Superior Old Pals), een plaat met Engelse en Duitse klassiekers die in 1975 uitkwam. In dat jaar kwam Lee Towers' doorbraak met de single It's raining in my heart, een nummer gecomponeerd door de zanger van The Outsiders, Wally Tax. Vervolgens werd hij door radio- en televisiepresentator Willem Duys in het radioprogramma Muziekmozaïek gepresenteerd als de zingende kraanmachinist uit Rotterdam. It's raining in my heart belandde in de hitlijsten. De volgende single, You'll never walk alone (uitgebracht als You never walk alone), werd in 1976 Lee Towers' eerste grote hit en behaalde de vijfde plaats in de Top 40. In datzelfde jaar verscheen de debuut-LP Lee Towers - It's raining in my heart, geproduceerd door de bekende radio-DJ Will Luikinga. Eind '76 verscheen ook de elpee A Christmas Song For You.
Eind jaren 70 was Lee Towers een bekende Nederlandse artiest die veelvuldig optrad, het liefst met een band of een orkest met een blazerssectie. Hij verscheen vaak op de Nederlandse televisie, zo deed hij mee in het AVRO-programma Sterrenslag. In 1978 verscheen, in samenwerking met componist/arrangeur Jerry van Rooyen, zijn album Still Loves You met de redelijk scorende single Frankie, waarvoor hij zelf de tekst schreef. Begin 1979 maakte hij een kleine tour (12 optredens) in Engeland en trad hij tijdens de wielerzesdaagse op in het Rotterdamse Ahoy. Verder was hij in 1979 succesvol met de elpee Definitelee (met de single Bless You) en won hij zijn eerste Edison.
Wanneer het maar kon, reisde hij af naar de Verenigde Staten en dan het liefst Las Vegas, om de spectaculaire shows te zien van zijn grote voorbeelden Frank Sinatra, Paul Anka, Engelbert Humperdinck en Tom Jones. In 1980 gaf Lee Towers zijn eerste grote concert naar Amerikaans recept in De Doelen te Rotterdam, een unieke prestatie voor een Nederlandse act in die tijd. Een Nederlandse tournee, met showorkest, langs de grotere theaters volgde. In 1981 gaf hij een concert in een uitverkocht Carré en verscheen de elpee Absolutelee met de single Love Potion Number Nine, die een bescheiden hit werd.
In 1982 had Lee Towers hits met de singles New York en I Can See Clearly Now, beide van het album New York. In 1984 produceerde hij zijn eerste Gala Of The Year, een avondvullend concert in Ahoy en een (voor die tijd in Nederland) zeer ambitieuze grote productie met honderden medewerkers. Financieel was het eerste gala een waagstuk, maar deze show werd een groot succes. In latere jaren volgden er nog vele concerten en shows in Ahoy, waarbij Anita Meyer regelmatig als gast optrad.
In 2003 speelde Towers mee in de Nederlandse jeugdfilm Sinterklaas en het Gevaar in de Vallei van regisseur Martijn van Nellestijn.
Towers staat bekend als groot Feyenoordsupporter. Zijn liederen Mijn Feyenoord en You never walk alone worden veel gedraaid in De Kuip en zijn echte clubliederen geworden. Als Feyenoord een belangrijke prijs heeft gewonnen, zingt Lee Towers You never walk alone tijdens de huldiging op de Coolsingel.
Bij de start van de Marathon van Rotterdam zingt Lee Towers voordat het startschot klinkt You never walk alone vanuit een hoogwerker om de deelnemers een hart onder de riem te steken. Dit deed hij in 2024 voor het laatst. In 2025 zal Francis van Broekhuizen dit van hem overnemen. Zij zal dan bij de start van de Marathon van Rotterdam vanuit de hoogwerker het lied zingen, zodat deze traditie dan toch kan worden voortgezet.
De stad Rotterdam heeft hem in 1990 de Erasmusspeld toegekend en in 2000 de Wolfert van Borselenpenning.
Op 27 januari 2013 ging tijdens het Filmfestival van Rotterdam de documentaire Lee Towers: The Voice Of Rotterdam in première. Filmmaker Hans Heijnen heeft Towers voor dit project een jaar lang met de camera gevolgd.
Lee Towers is samen met Glennis Grace de enige die bij drie verschillende Toppers in Concert-edities (2007, 2014 en 2016) heeft opgetreden. Eind 2016 brachten De Toppers een kerstsingle uit: Een heel gelukkig kerstfeest. In de bijbehorende videoclip speelt Lee een figurantenrol.
In 2017 ontving hij de Edison Oeuvreprijs voor zijn enorme oeuvre en buitengewone verdiensten voor de Nederlandse muziek.
In 2018 nam hij deel aan het televisieprogramma Beste Zangers.
Op 13 november 2019 opende Lee Towers, met het doorknippen van een lint, de naar hem genoemde woontorens in Rotterdam.
In december 2021 bracht Lee Towers samen met Anita Meyer in het satirisch televisieprogramma Even tot hier, geïnspireerd door de Coronacrisis, een variant op hun hit Run to me onder de titel Pandemie, wanneer is het over?
In december 2022 heeft Lee Towers Tijdens het 'Muziekfeest van het jaar' de Troskompas Oeuvre Award ontvangen uit handen van Anita Meyer.
Op 27 april 2023 trad Lee Towers op tijdens het bezoek van koning Willem-Alexander aan Rotterdam, samen met Ronnie Flex en Davina Michelle.
Towers heeft op 23 maart 2026 de eerste You’ll Never Walk Alone Award in ontvangst genomen. Deze nieuwe prijs wordt door Rijnmond in de toekomst jaarlijks op de verjaardag van Towers uitgereikt aan een regiogenoot die zich op een bijzondere manier inzet voor de maatschappij.
De artiesten 10
Hier vindt u meer informatie over de artiesten die een belangrijke rol hebben gespeeld of nog spelen in dit muziekgenre

Frankie Valli
Frankie Valli (Newark, 3 mei 1934), geboren als Francis Stephen Castelluccio, is een Amerikaanse zanger. Hij is het meest bekend als leadzanger van The Four Seasons.
Valli vormde samen met Tommy DeVito, Nick Massi en Bob Gaudio The Four Seasons. Met deze groep scoorde hij wereldwijd grote hits met liedjes als Sherry, Big Girls Don't Cry, Walk Like a Man, Rag Doll en December, 1963 (Oh, What a Night).
Muziekcarrière
Frankie Valli begon z'n professionele muziekcarrière in 1951. Hij werd opgemerkt door de groep Variety Trio, bestaande uit Nickie DeVito, Tommy DeVito en Nick Macioci. Maar een jaar later splitste de groep op en ging Valli verder met Tommy DeVito. Samen werden ze lid van de band die altijd optrad in The Strand in New Brunswick, New Jersey. Valli zong en speelde basgitaar.
In 1953 nam hij z'n eerste single, My Mother's Eyes, op onder de naam "Frankie Valley". Die naam heeft hij gebaseerd op de zangeres Jean Valley. Rond deze periode besloten DeVito en Valli om The Strand te verlaten en vormden een nieuwe groep. Deze groep, The Variatones, bestond verder uit Hank Majewski, Frank Cattone en Billy Thompson.
In 1956 zocht men een groep om als achtergrondzangers op te treden voor een bekende zangeres. De groep deed auditie en werd opgemerkt door Peter Paul, een geluidsman uit New York. Hij liet de groep een week later auditie doen bij RCA Records. De groep ging voortaan door het leven als The Four Lovers. Ze namen meerdere singles op en scoorde een kleine hit met het liedje You're the Apple of My Eye. Later voegden ook enkele andere muzikanten zich bij de groep, zoals onder meer Nickie DeVito en Nick Macioci, die zichzelf Nick Massi noemde. Ze bleven optreden tot 1959, toen Bob Gaudio lid werd van de groep. Vanaf begin jaren 60 gingen ze door het leven als The Four Seasons.
Met The Four Seasons scoorde Valli verschillende hits. In 1962 kwam hij op nummer 1 terecht met het liedje Sherry. Gedurende de jaren 60 ging Valli ook vaker solo. Met de hulp van producer Bob Crewe nam hij verschillende soloprojecten op zoals onder meer The Sun Ain't Gonna Shine (Anymore), wat later een groot succes werd toen het gecoverd werd door The Walker Brothers. Later scoorde Valli een hit met Can't Take My Eyes Off You. Het liedje kwam in de Verenigde Staten nooit hoger dan plaats 2 in de hitparade (al werd de cover van de Boys Town Gang bijvoorbeeld een nummer 1-hit in Nederland), maar wordt algemeen beschouwd als een wereldhit.
In de jaren 70 kwam Valli minder vaak aan bod, maar scoorde hij wel opnieuw een hit met het liedje My Eyes Adored You. Het bekendste werk van Valli tijdens de jaren 70 is echter de titelsong Grease voor de gelijknamige film uit 1978. Zowel de film als de titelsong werd wereldwijd een groot succes. Dit nummer werd een nummer-1-hit in de Nederlandse Top 40 en een nummer-3-hit in de Nationale Hitparade.
Eind 2017 en begin 2018, op 83-jarige leeftijd, trad Valli nog steeds op. Tijdens een interview in 2016 kreeg hij de vraag waarom hij maar bleef optreden, ook met "The Four Seasons" (niet de originele bandleden, maar jonge mannen). Valli antwoordde dat hij het nog steeds leuk vindt en geen hobby's, zoals golf heeft.
In 2020 verschijnt er (online) een tweede versie van het liedje Grease, met allerlei muzikanten. Valli zingt daar op 86-jarige leeftijd het nummer in, 42 jaar na de eerste versie in 1978. In mei 2022, op net 88-jarige leeftijd, is Franki Valli nog steeds met optredens bezig, met de nieuwe generatie van The Four Seasons.

Bobby Vee
Robert Thomas Velline (Fargo (North Dakota), 30 april 1943 – Rogers (Minnesota), 24 oktober 2016), bekend als Bobby Vee, was een Amerikaans zanger en acteur.
Leven en werk
Vroege jaren
Bobby Velline, die in 1959 de artiestennaam Bobby Vee aannam, kwam uit een muzikaal gezin van Noorse en Finse herkomst. Vader Sidney Velline was kok van beroep, maar speelde ook viool en piano. Zijn zoons Bill en Sidney Jr. richtten een bandje op, dat ze The Shadows noemden. Met Bill Velline als zanger werd het nummer Leave Me Alone opgenomen. De 15-jarige jongste broer Bobby, die saxofoon en gitaar kon spelen, moest lang aandringen voordat hij in de groep werd toegelaten. Omdat hij de enige was die alle songteksten vanbuiten kende, konden de anderen niet om hem heen. Het was zijn stem waarmee het bandje plaatselijk furore maakte.
Zijn muziekcarrière begon op "The day the music died", 3 februari 1959. Buddy Holly, Ritchie Valens en The Big Bopper (J.P. Richardson Jr.) waren bezig met de Winter Dance Party-tour en kwamen om bij een vliegtuigongeluk. Hun volgende concert zou plaatsvinden in Moorhead (Minnesota) toen het vliegtuig neerstortte bij Clear Lake (Iowa). Toen gezocht werd naar vervangers voor het geplande concert, boden The Shadows zich aan. Het werd een succes en Vee werd gevraagd voor meer optredens, waardoor hij al snel bekend werd. Totdat hij zich in 2012 uit het openbare leven terugtrok, is hij jaarlijks blijven optreden bij het Winter Dance Party-herdenkingsconcert in de Surf Ballroom in Clear Lake, een traditie die in 1979 begon.
Jaren zestig en zeventig
Vees eerste single was Suzie Baby, uitgebracht in 1959. In die jaren maakte de jonge Bob Dylan, die zich toen Elston Gunnn noemde, korte tijd deel uit van zijn begeleidingsgroep. De vroege plaatjes als What Do You Want, One Last Kiss en Since I Met You Baby werden slecht verkocht. Platenlabel Liberty Records overwoog al het contract op te zeggen, toen een radio-dj in Pittsburgh het nummer Devil or Angel, de B-kant van Since I Met You Baby, begon te promoten. Daardoor werd het alsnog een lokale en daarna landelijke hit en was het platencontract voor vijf jaar veiliggesteld.
In de eerste helft van de jaren zestig werd Vee een succesvol tieneridool en een internationale ster. Hij scoorde vele hits, waaronder Take Good Care of My Baby (een nummer 1-hit in de Billboard Hot 100 in 1961 en een derde plaats in de UK Singles Chart), Devil or Angel (VS #6), Rubber Ball (VS #6), Run to Him (VS #2), The Night Has a Thousand Eyes (VS #3) en vele andere. Veel van zijn songs waren geschreven door Carole King en Gerry Goffin. Na 1964 liep het succes voor Vee terug door de "Britse invasie" in de Amerikaanse hitlijsten, waarbij groepen als The Beatles en The Rolling Stones de nieuwe popidolen werden. In 1967 kwamen Bobby Vee en zijn begeleidingsband The Strangers nog een keer terug in de Billboard Hot 100 met de hit Come Back When You Grow Up (VS #3), maar aan het eind van de jaren zestig scoorde hij geen hits meer en was zijn populariteit sterk gedaald. In de jaren zeventig bracht Vee een aantal albums en singles uit, zonder enig succes.
Latere jaren
In de jaren tachtig toerde hij door de Verenigde Staten, Europa en het Verre Oosten. In 1988 trok hij rond door de VS met de heropgerichte Crickets, de voormalige begeleidingsband van Buddy Holly. Hij trad tot 2007 nog op met zijn zoons Robby (gitaar), Tommy (basgitaar) en Jeff (drums). In dat jaar was hij bezig met 'The Last of the Big Rock Shows', samen met Lesley Gore en Billy "Crash" Craddock, in Australië.
Een dag voor zijn 69e verjaardag in 2012 deelde Vee op zijn website mee dat een jaar eerder bij hem de eerste symptomen van de ziekte van Alzheimer waren vastgesteld en dat hij zich daarom terugtrok uit de muziekwereld. Daarna was hij in juli 2013 in Saint Paul (Minnesota) aanwezig bij een concert van Bob Dylan, die op het podium verwees naar hun langdurige vriendschap, hem "the most meaningful person I've ever been on the stage with" noemde en Vees vroegste hit Suzie Baby zong. Van Vee kwam in 2014 nog een laatste album The Adobe Sessions uit. Nadat in 2015 zijn vrouw Karen Bergen na bijna 52 jaar huwelijk gestorven was, overleed Bobby Vee in 2016 op 73-jarige leeftijd.
Bobby Vee, die in 1999 de 'Theodore Roosevelt Rough Rider Award' van zijn geboortestaat North Dakota ontving, is opgenomen in de Rockabilly Hall of Fame.

Bobby Vinton
Stanley Robert Vinton, Jr (16 april 1935) is een Amerikaans popzanger die bekend werd als Bobby Vinton. Hij is een van de bekendste liefdesliedjeszangers van de afgelopen decennia. Zijn grootste succes had hij met het nummer Blue Velvet.
Biografie
Bobby Vinton werd geboren in Canonsburg, Pennsylvania (nabij Pittsburgh). Hij was het enige kind van een lokaal populaire zanger, Stan Vinton (Stanley Vinton, Sr.).
Op de leeftijd van zestien speelde Vinton voor het eerst met zijn band in clubs rond Pittsburgh. Met het geld dat hij daarmee verdiende kon hij zijn studie aan de Duquesne-universiteit bekostigen, waar hij muziek studeerde en slaagde met een graad in muzikale compositie. In zijn tijd bij Duquesne raakte hij bekwaam in het bespelen van alle instrumenten waar zijn band gebruik van maakte: piano, klarinet, saxofoon, trompet, drums en hobo.
Na kort gediend te hebben in het Amerikaanse leger, kreeg Vinton in 1960 een contract bij Epic Records als bandleader. Na twee onsuccesvolle albums en diverse singles leek Epic op het punt te staan de stekker eruit te trekken. Juist op dat moment scoorde Vinton zijn eerste hitsingle, getiteld Roses Are Red (My Love). Het stond vier weken op 1 bij de Billboard Hot 100 in 1962. Zijn grootste hit is zonder twijfel Blue Velvet, die ook een nummer 1-hit werd op de Billboard Hot 100 in 1963.
Drieëntwintig jaar later noemde David Lynch zijn film Blue Velvet naar het nummer van Vinton. In 1990 klom het nummer naar de top van de hitlijsten in Groot-Brittannië nadat het werd gebruikt in een reclame voor huidcrème van Nivea.
In 1964 had Vinton twee nummer 1-hits, There! I've Said It Again en Mr. Lonely. Harmony Korine noemde zijn film Mister Lonely uit 2007 naar het laatstgenoemde nummer. Producer Akon samplede het nummer in zijn hit Lonely uit 2005.
Vinton woont in Beverly Hills.

Roger Whittaker
Roger Whittaker (Nairobi, 22 maart 1936 – Castelsarrasin, 13 september 2023) was een Britse zanger en songwriter die wereldwijd meer dan 55 miljoen platen heeft verkocht. Whittaker stond ook bekend om zijn fluittalent, dat terug te vinden is in volledig gefloten nummers als Mexican Whistler en Irish Whistler.
Carrière
Nummers uit zijn repertoire zijn onder meer Steel Men (1962), de hit If I Were a Rich Man (1967), Durham Town (1969), The Last Farewell (1971), River Lady (1981), Love You Because (1983).
In 1967 was hij lid van het team van het Verenigd Koninkrijk dat het songfestival van Knokke won.
The Last Farewell werd begin jaren '70 zijn grootste hit, in zowel het Verenigd Koninkrijk als de Verenigde Staten stond het nummer hoog genoteerd in de hitlijsten en platen met The Last Farewell erop gingen wereldwijd in totaal meer dan 10 miljoen maal over de toonbank. Ongeveer vanaf die tijd verbreedde de Engelsman zijn horizon door – ook met succes – Duitstalige nummers als Albany (1981), Eloisa (1984), Leben mit Dir (1989) en Schön war die Zeit (1990) op te nemen. Die laatste is succesvol gecoverd door Corry Konings als Mooi was die tijd.
Whittaker heeft door de jaren heen meer dan 250 zilveren, gouden en platina albums verzameld. In mei 2011 maakte hij zijn laatste tournee door Duitsland en Oostenrijk. Hij trad af en toe nog op, met name in shows voor de Duitse tv-zenders ARD en ZDF.
Persoonlijk
Whittaker trouwde in 1964 en kreeg vijf kinderen. Hij woonde in de Kolonie en Protectoraat Kenia, Engeland, Duitsland, Ierland en Frankrijk.
Begin september 2023 kreeg hij een beroerte, waarvan hij nooit herstelde. Hij overleed op 87-jarige leeftijd.

Andy Williams
Howard Andrew (Andy) Williams (Wall Lake, 3 december 1927 – Branson, 25 september 2012) was een Amerikaanse zanger uit het lichte genre, ook wel behorend tot de zogeheten crooners. Hij is een aantal jaar gehuwd geweest met de zangeres en actrice Claudine Longet. Williams had van 1962 tot 1971 zijn eigen show op de Amerikaanse tv. Hij had ook een eigen theater, The Moon River Theatre in Branson in de staat Missouri. Andy Williams vergaarde gedurende zijn zangcarrière 18 gouden platen en 3 platina platen. Enkele van zijn grootste hits zijn Moon River, (Where Do I Begin?) Love Story, Happy Heart, Can't Take My Eyes Off You en de grote kersthit It's The Most Wonderful Time Of The Year. Ook zeer bekend en geliefd is zijn versie van Music to Watch Girls By.
Williams leed sinds 2011 aan blaaskanker. Op 19 juli 2012 klonk het nog dat Williams goed herstelde en zich elke dag beter voelde en in september alweer kon gaan optreden. Williams kon de ziekte echter niet de baas en overleed uiteindelijk op 25 september 2012 aan de gevolgen ervan.

Dickie Valentine
Dickie Valentine, geboren als Richard Bryce (Londen, 4 november 1929 - Wales, 6 mei 1971) was een populaire Britse zanger uit de jaren 1950.
Jeugd en carrière
Valentine had onder zijn geboortenaam reeds als kind meegespeeld in meerdere films. Hij leed aan een chronische astma, doch hij trainde zijn stem zover, dat hij zelfs vele bekende zangers van zijn tijd kon imiteren. Aan het begin van de jaren 1950 zong hij in de Ted Heath Band. In 1953 kon hij het eerste hitsucces onder zijn eigen naam vieren, met een versie van de nummer 1-hit Broken Wings van The Stargazers[3]. In 1954 verliet hij de Ted Heath Band en wijdde zich geheel aan een solocarrière. In zijn podiumshow imiteerde hij onder andere Mario Lanza en Johnnie Ray.
Aan het eind van 1954 trouwde hij met zijn vriendin Elizabeth Flynn en velen hielden er rekening mee, dat zijn (overwegend vrouwelijke) fans hem in de steek zouden laten en dat zijn carrière in een neerwaartse spiraal zou terechtkomen. Echter 1955 werd het jaar, waarin Valentine zijn grootste successen zou boeken. In januari steeg The Finger of Suspicion (met Stargazers) naar de nummer 1-positie. Na twee verdere top 10-hits lukte het Valentine in december om drie weken lang Rock Around The Clock van Bill Haley uit de top te verdringen met het kerstnummer Christmas Alphabet. Het was, naast White Christmas, een van de eerste grote kersthits in de Britse hitlijst.
Vanaf 1956 had hij de eigen tv-reeks The Dickie Valentine Show, waarin Peter Sellers zijn sketchpartner was. Zowel met Christmas Island (1956) en Snowbound for Christmas (1957) lukte het hem opnieuw, in december een kerstsingle in de Britse hitparade te plaatsen. Door de lezers van het muziektijdschrift New Musical Express werd hij van 1952 tot 1957 zes jaar achter elkaar gekozen tot beste Britse zanger. In 1957 huurde hij voor het jaarlijkse treffen van zijn fanclub de Royal Albert Hall.
Zijn laatste hit had hij met One More Sunrise (1959), een Engelstalige versie van de Duitse wereldhit Morgen van Ivo Robić. In de jaren 1960 werd het rustiger rondom Dickie Valentine. Hij publiceerde platen, echter met matig succes. Hij bleef echter een geliefde podiumartiest, totdat hij in 1971 bij een auto-ongeluk om het leven kwam.
Overlijden
Dickie Valentine overleed in mei 1971 op 41-jarige leeftijd.